ECLI:NL:RBZWB:2026:1754

ECLI:NL:RBZWB:2026:1754

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 12-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 23/11967 en 23/11969
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

bpm

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 20 november 2023.

De inspecteur heeft aan belanghebbende ten aanzien van auto 1 (zie 4) een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.037 (de naheffingsaanslag). Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 55 (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft aan belanghebbende ten aanzien van auto 2 (zie 4.1) een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.064 (de naheffingsaanslag). Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 20 (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beroepen op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of het vertrouwensbeginsel is geschonden. Verder beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslagen verminderd dienen te worden. Van schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 21 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Renault Trafic Passenger met VIN-nummer [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.115.

Belanghebbende heeft op 29 oktober 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz G-klasse 63 met VIN-nummer [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 37.785.

Belanghebbende heeft in de aangiften een beroep gedaan op de taxatiemethode en taxatierapporten bij de aangiften gevoegd.

De inspecteur heeft voor beide auto’s een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ).

De hertaxatie van auto 2 heeft plaatsgevonden op 5 november 2021. Ten aanzien van auto 2 is in het rapport van DRZ, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Alle opgegeven schadeposten zijn niet aangetroffen. Het voertuig is in zeer nette staat en vrij van deuken en of lakschade. Er is geen reden tot afwaardering op basis van schade. DRZ heeft de kosten voor een Alarm klasse 3, NL software en boekenpakket wel toegewezen. Door de exclusiviteit en leeftijd acht DRZ voor dit voertuig een waardeverminderende factor van 100% rechtvaardig voor deze posten.” De inspecteur heeft op 19 oktober 2022 belanghebbende geïnformeerd voornemens te zijn een naheffingsaanslag op te leggen voor auto 2.

De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 10.152 (auto 1) en € 42.849 (auto 2) bedraagt en de naheffingsaanslagen opgelegd.

Motivering

Vooraf

De rechtbank heeft bij brief van 15 januari 2024 de inspecteur verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken (hierna: de 8:42-stukken) in te dienen en hem tevens in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Bij brief van 27 maart 2024 heeft de rechtbank de inspecteur gewezen op het feit dat de 8:42-stukken en het verweerschrift nog steeds ontbreken. De 8:42-stukken en het verweerschrift zijn op 22 januari 2026 om 15.07 uur en op 26 januari 2026 om 10:55 uur ontvangen door de rechtbank.

Ter zitting heeft belanghebbende zich verzet tegen het laattijdig indienen van de 8:42-stukken en het verweerschrift. Verder heeft belanghebbende verklaard dat hij reeds beschikte over de 8:42-stukken.

De rechtbank overweegt als volgt. In het onderhavige geval zijn zowel de 8:42-stukken als het verweerschrift binnen tien dagen voor de zitting ingediend. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen tot tien dagen vóór de zitting nadere stukken in het geding worden gebracht. Dit wettelijk voorschrift moet zo worden uitgelegd dat uiterlijk de elfde dag voor de zittingsdatum nog nadere stukken kunnen worden ingediend. Uitgaande van een zittingsdatum van 29 januari 2026 is een stuk dat op 19 januari 2026 binnenkomt, niet tijdig ingediend. Daar komt bij dat artikel 8:58, eerste lid, van de Awb betrekking heeft op nadere stukken en niet op de 8:42-stukken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur heeft verzuimd om binnen de wettelijke en door de rechtbank gestelde termijnen de 8:42-stukken en het verweerschrift in te dienen. De rechtbank overweegt dat de inspecteur hiermee een efficiënte procesgang voor belanghebbende heeft belemmerd. Naast dat hij met een dergelijke handelwijze belanghebbende de mogelijkheid ontneemt zich degelijk voor te bereiden op de zitting en te reageren op het verweerschrift merkt de rechtbank op dat de voorbereiding van de rechtbank eveneens door deze handelwijze wordt belemmerd. De rechtbank zal in het onderhavige geval consequenties verbinden aan het te laat indienen van de 8:42-stukken en het verweerschrift. De rechtbank zal dan ook het verweerschrift alsmede de foto’s die op de in 4.6 genoemde data voor het eerst zijn overgelegd, buiten beschouwing laten.

Auto 1

Herleidingsmethode

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.

Historische nieuwprijs

Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 en gesteld dat de historische nieuwprijs van de auto gesteld moet worden op € 55.549, gebaseerd op een netto catalogusprijs van € 26.825 vermeerderd met € 5.633 btw en € 23.091 bruto bpm.

De inspecteur heeft niet betwist dat de historische nieuwprijs verhoogd dient te worden conform het standpunt van belanghebbende. De rechtbank zal de partijen hierin volgen gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023.

Handelsinkoopwaarde

Belanghebbende bepleit subsidiair, een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 22.519 zoals volgt uit de koerslijst Eurotax die door DRZ bij de hertaxatie is gebruikt.

De inspecteur heeft ter zitting gewezen op het verschil in CO2-uitstoot van 10 gr/km tussen de auto en de referentieauto en gesteld dat een hogere CO2-uitstoot van de auto betekent dat de auto meer opties heeft die leiden tot een hogere CO2-uitstoot. Volgens de inspecteur leidt een hogere historische nieuwprijs ook tot een hogere handelsinkoopwaarde.

De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende moet worden benaderd. Hiertoe heeft de taxateur, in zijn hoedanigheid van deskundige van de inspecteur aansluiting gevonden bij de koerslijst Eurotax. De rechtbank ziet in het geringe verschil in CO2-uitstoot geen aanleiding om af te wijken van de waarde in deze koerslijst.

Waardevermindering in verband met schade

Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door DRZ vastgestelde schade van € 200 in verband met lijmresten.

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat lijmresten niet als schade kunnen worden aangemerkt en heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen rekening gehouden met de door de DRZ vastgestelde waardevermindering. Tevens heeft de inspecteur gesteld dat lijmschade als zodanig niet voortkomt in het taxatierapport van belanghebbende.

De rechtbank stelt voorop dat voor de waardebepaling van de handelsinkoopwaarde na schade het op de weg van partijen ligt om hun standpunten voldoende te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, mede gelet op hetgeen zijn deskundige heeft vastgesteld, onvoldoende onderbouwd betwist waarom de door DRZ vastgestelde schade niet als schade aangemerkt dient te worden. De rechtbank verwerpt ook de stelling van de inspecteur dat lijmresten specifiek genoemd hadden moeten worden in het taxatierapport van belanghebbende voor zover hiervan sprake was. De rechtbank acht de verklaring van belanghebbende ter zitting, namelijk dat de kosten voor het verwijderen van de lijmresten onderdeel uitmaken van de geconstateerde schade door zijn taxateur, geloofwaardig. Het gelijk is in zoverre aan belanghebbende.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende – voor de overige door hem geclaimde schade – niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer schade dan hetgeen is vastgesteld door DRZ. Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden in overeenstemming met het subsidiaire standpunt van belanghebbende.

Hoogte naheffingsaanslag

De naheffingsaanslag dient als volgt te worden verminderd.

Historische nieuwprijs

€ 55.549

Handelsinkoopwaarde voor schade

€ 22.519

Schade (lijmresten)

€ 200

Handelsinkoopwaarde na schade

€ 22.319

Afschrijving

€ 33.230

Bruto historische Bpm

€ 23.090

Afschrijvingspercentage

59,8211%

Afschrijving

€ 13.812

Verschuldigde Bpm

€ 9.277

Voldaan op aangifte

€ 5.115

Naheffing

€ 4.162

Auto 2

Vertrouwensbeginsel

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop tussen de schouw bij DRZ en de kennisgeving van de naheffingsaanslag (4.4), de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet zou worden teruggekomen.

De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden en de naheffingsaanslag ruim voor het verstrijken van de naheffingstermijn aangekondigd. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw bij DRZ de naheffingsaanslag op te leggen of dat door DRZ of de inspecteur na de schouw uitlatingen zijn gedaan waaruit belanghebbende heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat aan haar geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De rechtbank ziet in de eerdere uitspraak van rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake.

Waardevermindering in verband met schade

Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het door DRZ vastgestelde schade van € 1.033 (zie 4.3).

De inspecteur heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de door DRZ in aanmerking genomen schadeposten niet als schade kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank stelt voorop dat voor de waardebepaling van de handelsinkoopwaarde na schade het op de weg van partijen ligt om hun standpunten voldoende te onderbouwen. De rechtbank gaat ervan uit dat volgens de deskundige van de inspecteur sprake was van waardeverminderende factoren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, gelet op hetgeen zijn eigen deskundige heeft vastgesteld, onvoldoende onderbouwd betwist waarom de door DRZ vastgestelde schade niet als schade aangemerkt dient te worden. De enkele stelling dat alarmklasse 3 vanaf de geboorte van de auto niet aanwezig was, is niet nader onderbouwd. Dit geldt ook voor de overige stellingen van de inspecteur ten aanzien van de schade. Het gelijk is in zoverre aan belanghebbende.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende – voor de overige door hem geclaimde schade – niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer schade dan hetgeen is vastgesteld door DRZ. Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag als volgt verminderd dient te worden.

Hoogte naheffingsaanslag

De naheffingsaanslag dient als volgt te worden verminderd.

Historische nieuwprijs

€ 285.693

Handelsinkoopwaarde voor schade

€ 165.307

Schade

€ 1.033

Handelsinkoopwaarde na schade

€ 164.274

Afschrijving

€ 121.419

Bruto historische Bpm

€ 74.057

Afschrijvingspercentage

42,4998%

Afschrijving

€ 31.474

Verschuldigde Bpm

€ 42.582

Voldaan op aangifte

€ 37.785

Naheffing

€ 4.797

Algemeen

Belastingrente

De beroepen wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikkingen samenhangende aanslagen zullen worden verminderd, zal de rechtbank de belastingrente dienovereenkomstig verminderen.

Immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het oudste bezwaarschrift op 29 december 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 12 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 15 maanden overschreden. De rechtbank merkt beide zaken aan als samenhangende zaken. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van eenmaal € 1.500.

Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt 5/15 deel, derhalve € 500 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.000 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.

Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.

Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De rechtbank merkt beide zaken aan als samenhangende zaken. De vergoeding bedraagt dan in totaal eenmaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag van auto 1 tot een bedrag van € 4.162 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

- vermindert de naheffingsaanslag van auto 2 tot een bedrag van € 4.797 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;

- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;

- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;

- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 maart 2026.

Deze uitspraak is enkel door de griffier ondertekend aangezien de rechter is verhinderd om te ondertekenen.

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand