RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-347878-24
vonnis van de meervoudige kamer van 13 maart 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2011 te [plaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. B.P.A. van Beers, advocaat te Roosendaal
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 27 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.A.M. Dekker, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander op 13 oktober 2024 brand heeft gesticht bij [winkelcentrum] in [plaats] waardoor gemeen gevaar voor goederen was te duchten.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander op 13 oktober 2024 brand heeft gesticht bij het [winkelcentrum] in [plaats] . Verdachte en de medeverdachte zijn naar de doodlopende [straat] , achter het [winkelcentrum] , gegaan en hebben daar brand gesticht. Volgens de officier van justitie hadden verdachten geen opzet op het laten afbranden van het winkelcentrum. Door echter brand te stichten op de desbetreffende locatie hebben verdachten wel bewust de kans aanvaard dat de brand zou overslaan op het winkelcentrum, zoals ook is gebeurd. De officier van justitie acht het medeplegen bewezen, aangezien verdachten samen op de locatie aankomen, samen handelen, met elkaar spreken en samen weggaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist en hiervan is geen sprake. [medeverdachte] heeft in zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat verdachte alleen heeft meegeholpen door papier neer te leggen. Het neerleggen van papier is in het totale geheel van omstandigheden niet van wezenlijke betekenis geweest, omdat het papier aldaar reeds aanwezig was en ook [medeverdachte] het papier makkelijk had kunnen neerleggen. Alles wijst hooguit op medeplichtigheid, hetgeen niet ten laste is gelegd, gelet waarop de verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 13 oktober 2024 samen met de medeverdachte bij [winkelcentrum] te [plaats] , in de doodlopende [straat] , uit een container papier en karton heeft gepakt en heeft aangestoken. Niet één keer, maar twee keer. De eerste keer is het ‘fikkie’ uitgegaan nadat verdachte en [medeverdachte] al waren vertrokken. De tweede keer dat zij op dezelfde plek fikkie zijn gaan stoken, hebben zij opnieuw papier en karton uit de container gehaald en aangestoken. Het papier en karton hebben toen vlam gevat en verdachte en de medeverdachte hebben nog gezien dat het papier en karton flink brandden. Beide verklaren dat zij geprobeerd hebben het vuur uit te schoppen/trappen, maar dat dit niet lukte. Zij zijn vervolgens vertrokken terwijl het karton en het papier nog in brand stonden, zonder alarm te slaan. Rond 6:15 uur in de ochtend van 13 oktober, kwam er een melding van een (grote) brand in de [winkelcentrum] . De locatie in het winkelcentrum waar de brand woedde komt overeen met de locatie waar de verdachten papier en karton hebben aangestoken.
Opzet brandstichting
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring het opzet van verdachte slechts gericht hoeft te zijn op de brandstichting en niet ook op het teweegbrengen van de gevolgen daarvan. Van belang is of het gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.
De rechtbank oordeelt op basis van de bewijsmiddelen dat verdachte vol opzet op de brandstichting heeft gehad. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij samen met de medeverdachte een fikkie wilde stoken. Zij hebben bewust papier en karton uit de container gehaald, in de nabijheid van de container en het winkelcentrum op de grond gelegd en aangestoken.
Gemeen gevaar voor goederen
Dat verdachte niet de bedoeling had op het laten ontstaan van brand in het winkelcentrum, is niet relevant voor de bewezenverklaring van opzettelijk brandstichten. Het moet gaan om objectief gevaar ten tijde van de brandstichting zelf en niet hoe verdachte het gevaar (subjectief) heeft ingeschat. De rechtbank is van oordeel dat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest dat het aansteken van het papier en karton op die locatie gemeen gevaar voor goederen, te weten de winkels in het [winkelcentrum] , opleverde. De brand is veroorzaakt in een doodlopende straat, direct grenzend aan het winkelcentrum. De exacte locatie kan weliswaar niet worden afgeleid uit het onderzoek, maar het gebied waar de brand is begonnen kan wel worden vastgesteld met de zich in het dossier bevindende foto’s, waarbij de politie beschrijft dat de brand is ontstaan aan het einde van de doodlopende straat, linksachter in de hoek. Dit komt ook volledig overeen met de verklaring van de verdachten over de locatie waar zij het karton en papier hadden aangestoken. Ook staat het voor de rechtbank vast dat de brand zodanig hoog is geweest dat deze is overgeslagen naar het dak. Uit de beschrijving van de camerabeelden van het moment van de brand blijkt immers dat het oranje licht, vermoedelijk de brand, boven het dak uitkwam. Ook hierover verklaren de verdachten, dat de vlammen (te) hoog werden. Een verbalisant ter plaatse beschrijft ook dat links in de hoek van de straat grote vlammen uit het dak kwamen. Het is naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat een dergelijke brand op die plek kan leiden tot een verdergaande brand. De rechtbank vindt het totaal onaannemelijk dat op deze plek, precies op deze locatie, op andere wijze brand is ontstaan. Het dossier geeft geen enkel aanknopingspunt om te denken dat de brand op een andere manier is ontstaan.
Medeplegen
Nu verdachte en medeverdachte samen op de fiets zijn aangekomen op de locatie van de brandstichting, zij die nacht samen het plan hadden om meerdere fikkies te stoken, samen met dat doel papier en karton uit de container hebben gehaald en na de brandstichting samen zijn vertrokken, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld wie van de verdachten het vuur heeft aangestoken, doet niet af aan de gezamenlijke uitvoering. Beide verdachten hebben een bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan de brandstichting. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van brandstichting bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 13 oktober 2024 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met papier/karton, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
- een vloer en kledingstukken en goederen toebehorende aan [winkel 1] en/of [benadeelde 1] en
- een vloer en kozijnen en deuren en kledingstukken en goederen toebehorende aan [winkel 2] en/of [benadeelde 2] en
- een vloer en plinten en een kassablok en kledingstukken althans goederen toebehorende aan [winkel 3] en/of [benadeelde 3] en
- kledingstukken althans goederen toebehorende aan [winkel 4] en/of [benadeelde 4] en
- een plafond en een dak en kledingstukken en accessoires althans goederen toebehorende aan [winkel 5] en/of [benadeelde 5] en
- goederen toebehorende aan [winkel 6] en/of [benadeelde 6] en
- goederen toebehorende aan [winkel 7] en/of [benadeelde 7]
te duchten was;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Strafbaarheid van het feit:
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Strafbaarheid van verdachte:
De raadsman heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit psychische overmacht. Verdachte stond onder grote druk van [medeverdachte] en is van mening dat hem uit vrees voor zijn eigen leven geen andere keuze restte dan [medeverdachte] te gehoorzamen door bij de tweede gelegenheid mee te gaan naar de betreffende plek en mee te helpen het papier neer te leggen dat [medeverdachte] in brand wilde steken en uiteindelijk ook in brand heeft gestoken. Daarbij speelt enerzijds de zwakke persoonlijkheid van verdachte mee en aan de andere kant de bedreiging vanuit [medeverdachte] met het (vlinder)mes. De bevestiging dat de grote invloed/druk vanuit [medeverdachte] ten tijde van het gebeuren reëel was, kan blijken uit het feit dat [medeverdachte] en vier van zijn vrienden omstreeks 20 oktober 2025 verdachte uit een supermarkt mee naar buiten hebben genomen en hem daar onder druk hebben gezet en hem hebben geïntimideerd. Enkele dagen daarna heeft verdachte bedreigingen ontvangen via Snapchat. Het is op zijn minst erg aannemelijk dat de wilsvrijheid van verdachte bij zijn handelen zodanig beperkt was dat hij voor zijn handelingen straffeloos moet blijven. De raadsman verzoekt daarom verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolg.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.
De door verdachte geschetste gang van zaken met betrekking tot de bedreiging is onvoldoende aannemelijk geworden. Uit het dossier blijkt niets wat de verklaring van verdachte over de bedreiging ondersteunt. Door [medeverdachte] wordt ook ontkend dat hij verdachte zou hebben bedreigd. In het dossier ontbreken aanknopingspunten voor de veronderstelling dat verdachte onder dwang gehandeld zou hebben. Zo ziet het er op de camerabeelden van het moment van de (derde) brandstichting nog altijd gezellig uit tussen verdachte en de medeverdachte, aldus de politie. De gestelde bedreiging laat zich ook moeilijk rijmen met de omstandigheid dat verdachte en [medeverdachte] goede vrienden waren, dat verdachte de desbetreffende nacht met [medeverdachte] heeft rondgehangen en de bedreiging zonder enige aanleiding zou hebben plaatsgevonden nadat verdachte eerder die nacht al vrijwillig heeft meegewerkt aan een eerste brandstichting op exact dezelfde locatie en een tweede brandstichting op [locatie] in [plaats] . Daar komt bij dat de mogelijke beïnvloeding van verdachte door [medeverdachte] ook ter sprake is gekomen bij de psycholoog en is meegenomen in de advisering over de toerekeningsvatbaarheid. Zij zijn daarbij niet tot de conclusie gekomen dat er sprake was van grote druk. Ook daarin vindt de rechtbank dus geen aanknopingspunten voor de gestelde psychische overmacht. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte met name afstand wil nemen van de brand die de enorme schade tot gevolg heeft gehad en daarvoor, passend bij de conclusies van de psycholoog over de persoonlijkheid van verdachte, de schuld buiten zichzelf wil leggen. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op psychische overmacht. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 17 dagen met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie de leerstraf [hulpverlening 1] regulier met ouders op te leggen en een geheel voorwaardelijke werkstraf van 80 uur, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank verdachte niet vrijspreekt of niet ontslaat van alle rechtsvervolging, verzoekt de verdediging bij het bepalen van de straf rekening te houden met de 18 dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Vervolgens is verdachte twee maanden geplaatst geweest bij [accommodatie 1] , vanuit waar een MST-traject heeft plaatsgevonden en verdachte zich heeft moeten houden aan huisarrest tot 1 juli 2025. Verdachte heeft zich goed gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en de jeugdreclassering is tevreden over de inzet en houding van verdachte ten aanzien van de begeleiding. Tevens was verdachte ten tijde van het feit slechts dertien jaar oud en first offender. Volgens de GZ-psycholoog is verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar. De verdediging verzoekt het advies van de Raad - geen voorwaardelijke of onvoorwaardelijke jeugddetentie en ook geen onvoorwaardelijke werkstraf naast de leerstraf [hulpverlening 1] - te volgen. Ten slotte merkt de verdediging nog op dat op het moment van de uitspraak de redelijke termijn minimaal is overschreden.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting. Verdachte en medeverdachte hadden het plan een fikkie te stoken. Nadat zij (voor de tweede keer) papier en karton uit de container hebben gehaald en hebben aangestoken is er een flinke brand ontstaan. Terwijl het karton en papier nog in brand stonden, zijn de verdachten vertrokken zonder de hulpdiensten te bellen. Uiteindelijk is de brand overgeslagen op het winkelcentrum en is daar een grote brand ontstaan. Het is niet de bedoeling geweest van verdachte dat de brand zou overslaan naar het winkelcentrum, maar dat is wel het nare gevolg geweest. Dat de kans bestond dat het winkelcentrum vlam zou vatten door het in brand steken van papier en karton in de directe nabijheid van het winkelcentrum, was te bedenken voor iedereen.
De eigenaren van de winkels die zijn getroffen moeten enorm zijn geschrokken toen zij door de politie werden benaderd over het voorval. De meeste winkeliers zijn diezelfde dag nog naar het winkelcentrum gegaan en zagen daar de gevolgen van de brand voor hun winkels. Naast de forse materiële schade heeft de brand een grote impact gehad op de direct betrokken winkeliers, zoals ook uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring is gebleken. Daarnaast heeft de brand een grote impact gehad op andere betrokkenen zoals andere winkeliers uit het winkelcentrum. Zij zijn weliswaar niet direct getroffen door de brand, maar wel geconfronteerd zijn met de grote schade in het winkelcentrum. Ook voor de maatschappij geeft dit soort feiten veel onrust en gevoelens van onveiligheid. Een brand is oncontroleerbaar en de gevolgen ervan zijn daarom ook onvoorspelbaar. Brandstichting is dan ook een zeer ernstig en gevaarlijk feit. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij hieraan met zijn handelen heeft bijgedragen en dat hij onvoldoende stil heeft gestaan bij de impact en de gevolgen hiervan voor anderen.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft gezien dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
De rechtbank heeft acht geslagen op het advies van psycholoog drs. [psycholoog] van 19 februari 2025. Bij verdachte is sprake van een aandachtsdeficiënte-/ hyperactiviteits stoornis met een gecombineerd beeld. Ten tijde van het delict had verdachte te maken met een gedragsstoornis en een jonge onrijpe identiteitsontwikkeling bij ouder-kind relatieproblematiek. Hiermee samenhangend laat verdachte informatieverwerkings-problemen en een zwakke impulsregulatie zien en achterstanden op het gebied van zijn sociaal-emotionele, relationele en gewetensontwikkeling. Het is zeer aannemelijk dat de ADHD in combinatie met de gebrekkige ontwikkeling met achterstanden in zijn persoonlijkheidsontwikkeling, informatieverwerkingsproblemen en de sociale kwetsbaarheid hebben doorgewerkt in het tenlastegelegde. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde in een verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico gericht op een soortgelijk geweldsdelict wordt voor de korte termijn ingeschat als laag en voor de langere termijn als matig. Een leerstraf die erop gericht om verdachte weerbaar en bewust te maken tegen sociale invloeden en spanning zoekende momenten, wordt als passend gezien. Hierbij wordt gedacht aan de leerstraf [hulpverlening 1].
De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog over en acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de rapportages van de Raad en de mondelinge toelichting daarop ter zitting. De Raad voert aan dat verdachte na zijn aanhouding in jeugddetentie heeft verbleven, waarna hij twee maanden op een gesloten groep heeft verbleven bij [accommodatie 1] in het kader van een [hulpverlening 2] traject. Na terugkeer naar huis heeft verdachte zich actief ingezet voor MST en heeft hij zich goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden. De Raad ziet bij verdachte een duidelijke positieve verandering ten opzichte van het moment van zijn aanhouding. Hij houdt zich thuis aan de regels, heeft een goed contact met zijn moeder, staat open voor hulpverlening en gaat naar school. De Raad maakt zich wel nog zorgen over het zelfbepalende gedrag van verdachte. Ook blijkt uit gesprekken met de hulpverlener van [hulpverlening 3] dat verdachte moeite heeft met reflecteren op zijn eigen aandeel in conflictsituaties. Hij legt de oorzaak van problemen vaak buiten zichzelf. De Raad kan zich vinden in het advies van de psycholoog om de leerstraf [hulpverlening 1] regulier met ouders op te leggen. Binnen deze leerstraf wordt verdachte weerbaarder gemaakt tegen sociale invloeden en risicovolle situaties en wordt gewerkt aan bewustwording van zijn gedrag. De Raad adviseert om naast de leerstraf geen onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Een aanvullende werkstraf naast de leerstraf acht de Raad pedagogisch niet van meerwaarde. Wel adviseert de Raad een voorwaardelijke werkstraf op te leggen om voortzetting van de begeleiding door de jeugdreclassering mogelijk te maken evenals eventuele behandeling indien de jeugdreclassering dit nodig acht.
Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat zij sinds de aanhouding van verdachte betrokken zijn. Op dat moment verbleef verdachte in [accommodatie 2] en ging het thuis ontzettend slecht. Met instemming van de moeder is besloten over te gaan tot een gesloten plaatsing bij [accommodatie 1] vanuit waar met MST is toegewerkt naar een thuisplaatsing. In die periode heeft verdachte veel positieve stappen gezet. Toen verdachte weer terug thuis bij moeder woonde, werd een ander beeld gezien. Verdachte kwam nauwelijks nog buiten en gaf ook aan hier geen behoefte aan te hebben. Verdachte hield zich aan de schorsingsvoorwaarden. Naar aanleiding van het advies van de psycholoog heeft de jeugdreclassering ingezet op het vergroten van de capaciteiten van verdachte en is hij op zoek gegaan naar een instantie die verdachte hierbij kan helpen. Vanwege de complexiteit van de casus werd verdachte echter overal afgewezen. Uiteindelijk is [hulpverlening 3] gestart en daar werd gezien dat verdachte zijn emoties moeilijk kan uiten. De jeugdreclassering zet er op in om verdachte hiervoor te behandelen. [hulpverlening 3] is inmiddels afgesloten.
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid EVRM, is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt bij jeugdigen heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met twee weken is overschreden. Dit is een dermate beperkte overschrijding dat de rechtbank volstaat met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
De straf
De rechtbank neemt bij de strafoplegging als uitgangspunt de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor minderjarigen voor een brandstichting. In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de impact van het feit voor de getroffen winkeliers en de ontstane onrust in de maatschappij. Ook vindt de rechtbank het kwalijk dat verdachte heeft geprobeerd de schuld volledig af te schuiven op de medeverdachte, maar de rechtbank beziet dit als onderdeel van zijn persoonlijkheid en zijn problematiek, zoals die hiervoor zijn beschreven. Wel houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met de zeer jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het feit. Ook constateert de rechtbank dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit leidt ertoe dat er geen (verdere) strafverzwaring voor recidive aan de orde is. Ook houdt de rechtbank rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Ten slotte weegt de rechtbank mee dat is gebleken dat verdachte een positieve ontwikkeling doormaakt en meewerkt aan het toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering.
Gelet op voornoemde omstandigheden, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de leerstraf [hulpverlening 1] regulier met ouders, een (onvoorwaardelijke) werkstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen jeugddetentie en daarnaast een jeugddetentie voor de duur van 47 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaar, passend en geboden is.
De rechtbank merkt daarbij op dat zij de dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht heeft berekend op 17 dagen. De verdediging heeft het voorarrest berekend op 18 dagen. Dit verschil is verklaarbaar uit de voor de rechtbank onbekende datum waarop verdachte naar de gesloten plaatsing is overgebracht. De rechtbank overweegt dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling van de rechtbank is dat de op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte door het verrichten van de leerstraf en de werkstraf de directe gevolgen ondervindt van zijn strafbare gedragingen, maar ook zijn vaardigheden vergroot. De voorwaardelijke jeugddetentie dient om de ernst van het feit te benadrukken, verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen en om daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden die de Raad heeft geadviseerd.
7. De benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde 4] namens [winkel 4] vordert een schadevergoeding van € 125.586,05, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ook wordt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de benadeelde partij ontvankelijk in de vordering. Het grootste deel van de vordering acht zij toewijsbaar. De gemaakte kosten zijn onderbouwd met een factuur. Het omzetverlies en de loonkosten vindt zij te summier dan wel onvoldoende onderbouwd en zij verzoekt de benadeelde partij ten aanzien van die posten niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie vordert niet om de vordering hoofdelijk op te leggen, maar de vordering te halveren. Dit doet zij gelet op de verschillende posities van de (ouders van de) verdachten en de verschillende mogelijkheden voor het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel. Zij vordert de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 51.640,85 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
Gezien de gevraagde vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging, verzoekt de verdediging de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Ook overigens verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich brengt. De vordering is onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd en onduidelijk.
Het standpunt van mevrouw [persoon] , de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte
De wettelijk vertegenwoordiger voert aan dat zij het wel zou willen betalen, maar dat zij een alleenstaande moeder is en geen kinderalimentatie ontvangt. Zij kan het dan ook niet betalen.
Het oordeel van de rechtbank
Omdat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde strafbare feit de leeftijd van 14 jaren nog niet had bereikt is op grond van artikel 6:169 van het Burgerlijk Wetboek de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte aansprakelijk voor de schade die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare feit.
Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, heeft de rechtbank nog veel vragen over de hoogte van het schadebedrag en in hoeverre (een deel van de kosten) door de verzekeraar zijn vergoed. De rechtbank is niet in de gelegenheid geweest om deze vragen aan de benadeelde partij te stellen, aangezien de benadeelde partij niet is verschenen bij de zitting. De behandeling van de zaak kan hiervoor worden aangehouden, maar de rechtbank is van oordeel dat dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, te weten [hulpverlening 1] regulier met ouders van 25 uren;
- beveelt dat, indien verdachte de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 13 dagen;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 30 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 15 dagen;
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 47 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie, waarbij het uitdrukkelijk de intentie is dat er geen onvoorwaardelijke jeugddetentie resteert;
- bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
* indien de jeugdreclassering dit nodig acht na het afronden van de leerstraf, meewerkt aan behandeling gericht op zijn emoties achter zijn gedrag, het reguleren van emoties, agressie en impulsen.
- draagt de Stichting Jeugdbescherming Brabant locatie Etten-Leur als gecertificeerde instelling op om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en aan het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Benadeelde partij
[benadeelde 4] namens [winkel 4]
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Tempel, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. T.M. Brouwer en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 maart 2026.
Mr. H. Skalonjic is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
10. Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 13 oktober 2024 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met papier/karton, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
- een vloer en/of een of meerdere kledingstukken en/of goederen toebehorende aan [winkel 1] en/of [benadeelde 1] en/of
- een vloer en/of kozijnen en/of deuren en/of een of meerdere kledingstukken en/of goederen toebehorende aan [winkel 2] en/of [benadeelde 2] en/of
- een vloer en/of plinten en/of een kassablok en/of een of meerdere kledingstukken althans goederen toebehorende aan [winkel 3] en/of [benadeelde 3] en/of
- een of meerdere kledingstukken althans goederen toebehorende aan [winkel 4] en/of [benadeelde 4] en/of
- een plafond en/of een dak en/of een of meerdere kledingstukken en/of accessoires althans goederen toebehorende aan [winkel 5] en/of [benadeelde 5] en/of
- een of meerdere goederen toebehorende aan [winkel 6] en/of [benadeelde 6] en/of
- een of meerdere goederen toebehorende aan [winkel 7] en/of [benadeelde 7]
te duchten was;
(Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)