ECLI:NL:RBZWB:2026:1759

ECLI:NL:RBZWB:2026:1759

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 02-341985-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Medeplegen brandstichting winkelcentrum. Gemeen gevaar voor goederen. Vol opzet. Verdachten destijds 13 en 14 jaar. (Deels voorwaardelijke) jeugddetentie en werkstraf.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-341985-24

vonnis van de meervoudige kamer van 13 maart 2026

in de strafzaak tegen de minderjarige

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres]

raadsman mr. M.C.J. Heinen, advocaat te Roosendaal

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 27 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.A.M. Dekker, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander op 13 oktober 2024 brand heeft gesticht bij [winkelcentrum] in [plaats] waardoor gemeen gevaar voor goederen was te duchten.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander op 13 oktober 2024 brand heeft gesticht bij het [winkelcentrum] in [plaats] . Verdachte en de medeverdachte zijn naar de doodlopende [straat] , achter het [winkelcentrum] , gegaan en hebben daar brand gesticht. Volgens de officier van justitie hadden verdachten geen opzet op het laten afbranden van het winkelcentrum. Door echter brand te stichten op de desbetreffende locatie hebben verdachten wel bewust de kans aanvaard dat de brand zou overslaan op het winkelcentrum, zoals ook is gebeurd. De officier van justitie acht het medeplegen bewezen, aangezien verdachten samen op de locatie aankomen, samen handelen, met elkaar spreken en samen weggaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Dat er brand heeft gewoed staat niet ter discussie. Ook staat niet ter discussie dat verdachte aanwezig was op de plek waar later de brand heeft gewoed. Er is geen brandonderzoek uitgevoerd door de forensische opsporing waardoor niet duidelijk is op welke wijze het vuur daadwerkelijk om zich heen is gaan grijpen dat de brand in [winkelcentrum] het gevolg is geweest. De oorzaak van de brand is nimmer achterhaald. Verdachte bekent dat hij rond 5.00 uur een fikkie heeft gestookt. Rond 6.00 uur is een felle brand ontstaan. Wat daartussen is gebeurd blijft onduidelijk. Niet kan worden bewezen dat het gemeen gevaar voor goederen voorzienbaar was. Nu geen technisch onderzoek is gedaan kan een technische oorzaak zoals bijvoorbeeld kortsluiting niet worden uitgesloten. De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht terwijl daarmee gemeen gevaar voor goederen is ontstaan.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 13 oktober 2024 samen met de medeverdachte bij [winkelcentrum] te [plaats] , in de doodlopende [straat] , uit een container papier en karton heeft gepakt en heeft aangestoken. Niet één keer, maar twee keer. De eerste keer is het ‘fikkie’ uitgegaan nadat verdachte en [medeverdachte] al waren vertrokken. De tweede keer dat zij op dezelfde plek fikkie zijn gaan stoken, hebben zij opnieuw papier en karton uit de container gehaald en aangestoken. Het papier en karton hebben toen vlam gevat en verdachte en de medeverdachte hebben nog gezien dat het papier en karton flink brandden. Beide verklaren dat zij geprobeerd hebben het vuur uit te schoppen/trappen, maar dat dit niet lukte. Zij zijn vervolgens vertrokken terwijl het karton en het papier nog in brand stonden, zonder alarm te slaan. Rond 6:15 uur in de ochtend van 13 oktober, kwam er een melding van een (grote) brand in de [winkelcentrum] . De locatie in het winkelcentrum waar de brand woedde komt overeen met de locatie waar de verdachten papier en karton hebben aangestoken.

Opzet brandstichting

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring het opzet van verdachte slechts gericht hoeft te zijn op de brandstichting en niet ook op het teweegbrengen van de gevolgen daarvan. Van belang is of het gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.

De rechtbank oordeelt op basis van de bewijsmiddelen dat verdachte vol opzet op de brandstichting heeft gehad. Verdachte heeft bij de politie en ook ter zitting verklaard dat hij samen met de medeverdachte een fikkie wilde stoken. Zij hebben bewust papier en karton uit de container gehaald, in de nabijheid van de container en het winkelcentrum op de grond gelegd en aangestoken.

Gemeen gevaar voor goederen

Dat verdachte niet de bedoeling had op het laten ontstaan van brand in het winkelcentrum, is niet relevant voor de bewezenverklaring van opzettelijk brandstichten. Het moet gaan om objectief gevaar ten tijde van de brandstichting zelf en niet hoe verdachte het gevaar (subjectief) heeft ingeschat. De rechtbank is van oordeel dat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest dat het aansteken van het papier en karton op die locatie gemeen gevaar voor goederen, te weten de winkels in het [winkelcentrum] , opleverde. De brand is veroorzaakt in een doodlopende straat, direct grenzend aan het winkelcentrum. De exacte locatie kan weliswaar niet worden afgeleid uit het onderzoek, maar het gebied waar de brand is begonnen kan wel worden vastgesteld met de zich in het dossier bevindende foto’s, waarbij de politie beschrijft dat de brand is ontstaan aan het einde van de doodlopende straat, linksachter in de hoek. Dit komt ook volledig overeen met de verklaring van de verdachten over de locatie waar zij het karton en papier hadden aangestoken. Ook staat het voor de rechtbank vast dat de brand zodanig hoog is geweest dat deze is overgeslagen naar het dak. Uit de beschrijving van de camerabeelden van het moment van de brand blijkt immers dat het oranje licht, vermoedelijk de brand, boven het dak uitkwam. Ook hierover verklaren de verdachten, dat de vlammen (te) hoog werden. Een verbalisant ter plaatse beschrijft ook dat links in de hoek van de straat grote vlammen uit het dak kwamen. Het is naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat een dergelijke brand op die plek kan leiden tot een verdergaande brand. De rechtbank vindt het totaal onaannemelijk dat op deze plek, precies op deze locatie, op andere wijze brand is ontstaan. Het dossier geeft geen enkel aanknopingspunt om te denken dat de brand op een andere manier is ontstaan. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Medeplegen

Nu verdachte en medeverdachte samen op de fiets zijn aangekomen op de locatie van de brandstichting, zij die nacht samen het plan hadden om meerdere fikkies te stoken, samen met dat doel papier en karton uit de container hebben gehaald en na de brandstichting samen zijn vertrokken, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld wie van de verdachten het vuur heeft aangestoken, doet niet af aan de gezamenlijke uitvoering. Beide verdachten hebben een bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan de brandstichting. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van brandstichting bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 13 oktober 2024 te [plaats]

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met papier/karton, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten

- een vloer en kledingstukken en goederen toebehorende aan kledingwinkel [winkel 1] en/of [benadeelde 1] en

- een vloer en kozijnen en deuren en kledingstukken en goederen toebehorende aan kledingwinkel [winkel 2] en/of [benadeelde 2] en

- een vloer en plinten en een kassablok en kledingstukken althans goederen toebehorende aan kledingwinkel [winkel 3] en/of [benadeelde 3] en

- kledingstukken althans goederen toebehorende aan [winkel 4] en/of [benadeelde 4] en

- een plafond en een dak en kledingstukken en accessoires althans goederen toebehorende aan [winkel 5] en/of [benadeelde 5] en

- goederen toebehorende aan [winkel 6] en/of [benadeelde 6] en

- goederen toebehorende aan ' [winkel 7] en/of [benadeelde 7]

te duchten was;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 67 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf op te leggen van 80 uur.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging bij het bepalen van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte first offender is en hij al 37 dagen in voorarrest heeft verbleven. Tevens verzoekt de verdediging rekening te houden met het rapport van de Raad waaruit blijkt dat het algemeen recidiverisico laag is en verzoekt het strafadvies van de Raad, jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en een deels voorwaardelijke werkstraf met bijzondere voorwaarden, te volgen. Verdachte is bereid zich aan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad te houden.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting. Verdachte en medeverdachte hadden het plan een fikkie te stoken. Nadat zij bij het winkelcentrum (voor de tweede keer) papier en karton uit de container hebben gehaald en hebben aangestoken is er een flinke brand ontstaan. Terwijl het karton en papier nog in brand stonden, zijn de verdachten vertrokken zonder de hulpdiensten te bellen. Uiteindelijk is de brand overgeslagen op het winkelcentrum en is daar een grote brand ontstaan. Het is niet de bedoeling geweest van verdachte dat de brand zou overslaan naar het winkelcentrum, maar dat is wel het nare gevolg geweest. Dat de kans bestond dat het winkelcentrum vlam zou vatten door het in brand steken van papier en karton in de directe nabijheid van het winkelcentrum, was te bedenken voor iedereen.

De eigenaren van de winkels die zijn getroffen moeten enorm zijn geschrokken toen zij door de politie werden benaderd over het voorval. De meeste winkeliers zijn diezelfde dag nog naar het winkelcentrum gegaan en zagen daar de gevolgen van de brand voor hun winkels. Naast de forse materiële schade heeft de brand een grote impact gehad op de direct betrokken winkeliers, maar ook op andere betrokkenen zoals andere winkeliers uit het winkelcentrum. Zij zijn weliswaar niet direct getroffen door de brand, maar werden wel geconfronteerd zijn met de grote schade in het winkelcentrum. Ook voor de maatschappij geeft dit soort feiten veel onrust en gevoelens van onveiligheid. Een brand is oncontroleerbaar en de gevolgen ervan zijn daarom ook onvoorspelbaar. Brandstichting is dan ook een zeer ernstig en gevaarlijk feit. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij hieraan met zijn handelen heeft bijgedragen en dat hij onvoldoende stil heeft gestaan bij de impact en de gevolgen hiervan voor anderen.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft gezien dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op de rapportages van de Raad en de mondelinge toelichting daarop ter zitting. De Raad concludeert dat er zorgen zijn op veel domeinen, namelijk: gezin, school, vrije tijd, relaties, alcohol- en drugs, geestelijke gezondheid en vaardigheden. De zorgen op deze domeinen kunnen de kans op herhaling van delictgedrag vergroten. Gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis is MST ingezet en deze hulpverlening heeft geleid tot een verbetering in de thuissituatie. Echter heeft de inzet van MST er niet toe geleid dat de zorgen rondom het gedrag van verdachte geheel zijn weggenomen. Het lukt verdachte onvoldoende om zich aan regels en afspraken te houden en de juiste keuzes te maken in zijn sociale contacten. Verdachte heeft meermaals zijn schorsingsvoorwaarden overtreden en dit heeft geleid tot een opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Wat betreft de beschermende factoren komt naar voren dat verdachte voornemens is om niet opnieuw in de problemen te komen. De hulpverlening ziet dat verdachte bereidwillig is en de juiste intenties heeft en hij staat open voor de begeleiding vanuit de jeugdreclassering en de hulpverlening vanuit We Walk. De moeder van verdachte is betrokken en heeft een goede samenwerking met school, de jeugdreclasseerder en We Walk waardoor er snel en goed geschakeld kan worden.

De Raad adviseert verdachte een jeugddetentie op te leggen, gelijk aan het voorarrest en een deels voorwaardelijke werkstraf.

De Raad adviseert daarbij, naast de algemene voorwaarde dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten mag plegen, de bijzondere voorwaarden op te leggen dat verdachte zich strikt houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, meewerkt aan de hulpverlening die door de jeugdreclassering nodig wordt geacht, zoals bijvoorbeeld [hulpverlening] , meewerkt aan de afname van een psychodiagnostisch onderzoek en behandeling die vanuit dit onderzoek wordt geadviseerd, het rooster van zijn school volgt, zich houdt aan de lestijden en zoekt naar een passende stageplek, zich inzet voor het zoeken van een positieve vrijetijdsbesteding en hier vervolgens aan deelneemt en inzicht geeft in zijn vriendengroep/sociale contacten. Daarbij wordt geadviseerd aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant locatie Etten-Leur de opdracht te geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat een voortzetting van de begeleiding en ondersteuning van verdachte nog nodig is, met name gericht op dagbesteding en school. Gedurende het schorsingstoezicht is MST ingezet en hier hebben de moeder en verdachte aan meegewerkt. Desondanks is het toch nog mis gegaan en is er sprake geweest van een opheffing van de schorsing. De jeugdreclassering ziet dat verdachte eerst doet en dan pas gaat nadenken. Er wordt echter ook gezien dat het de laatste beter gaat met verdachte en hij echt zijn best doet. [hulpverlening] is inmiddels ook gestart en verloopt goed.

Redelijke termijn

In artikel 6, eerste lid EVRM, is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt bij jeugdigen heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met ruim twee weken is overschreden. Dit is een dermate beperkte overschrijding dat de rechtbank volstaat met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

De straf

De rechtbank neemt bij de strafoplegging als uitgangspunt de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor minderjarigen voor een brandstichting. In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de impact van het feit voor de getroffen winkeliers, de ontstane onrust in de maatschappij en het verloop van de schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft oog voor het feit dat verdachte ten tijde van het feit minderjarig was en dat hij niet eerder is veroordeeld een strafbaar feit. Dit leidt ertoe dat er geen verdere strafverzwaring voor recidive aan de orde is. Ten slotte weegt de rechtbank mee dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte een positieve ontwikkeling doormaakt en sinds de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis meewerkt aan het toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering en zich hiervoor inzet. Gelet op voornoemde omstandigheden, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de straf zoals door de officier van justitie gevorderd recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte.

De rechtbank zal verdachte een jeugddetentie opleggen voor de duur van 67 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaar, en daarnaast een werkstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen jeugddetentie. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte door het verrichten van een werkstraf de directe gevolgen ondervindt van zijn strafbare gedragingen. Het voorwaardelijke deel van de op te leggen jeugddetentie dient om de ernst van het feit te benadrukken, verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen en om daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden die de Raad heeft geadviseerd.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 4] namens [winkel 4] vordert een schadevergoeding van € 125.586,05, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ook wordt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de benadeelde partij ontvankelijk in de vordering. Het grootste deel van de vordering acht zij toewijsbaar. De gemaakte kosten zijn onderbouwd met een factuur. Het omzetverlies en de loonkosten vindt zij te summier dan wel onvoldoende onderbouwd en zij verzoekt de benadeelde partij ten aanzien van die posten niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie vordert niet om de vordering hoofdelijk op te leggen, maar de vordering te halveren. Dit doet zij gelet op de verschillende posities van de (ouders van de) verdachten en de verschillende mogelijkheden voor het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel. Zij vordert de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 51.640,85 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Tevens vordert zij oplegging van de schademaatregel zonder hier gijzeling aan te verbinden.

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak dient de benadeelde partij volgens de verdediging niet-ontvankelijk te worden verklaard. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, stelt de verdediging dat de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Uit de vordering blijkt dat de verzekering tweemaal een bedrag heeft uitgekeerd. Waarvoor dit bedrag is uitgekeerd is niet bekend. Het levert een onevenredige belasting van het strafproces op om dit uit te zoeken. Indien de rechtbank tot een toekenning van de vordering komt, dan stelt de verdediging dat de vordering gematigd dient te worden. De verdediging verzoekt eveneens bij een (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering deze niet hoofdelijk op te leggen, maar bij helfte de verdelen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, heeft de rechtbank nog veel vragen over de hoogte van het schadebedrag en in hoeverre (een deel van de kosten) door de verzekeraar zijn vergoed. De rechtbank is niet in de gelegenheid geweest om deze vragen aan de benadeelde partij te stellen, aangezien de benadeelde partij niet is verschenen bij de zitting. De behandeling van de zaak kan hiervoor worden aangehouden, maar de rechtbank is van oordeel dat dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 40 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 67 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

- bepaalt dat voorwaardelijk deel van de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* meewerkt aan de hulpverlening die door de jeugdreclassering nodig wordt geacht, zoals bijvoorbeeld [hulpverlening] , zolang de jeugdreclassering dit nodig acht.

* meewerkt aan afname van psychodiagnostisch onderzoek en behandeling die vanuit dit onderzoek wordt geadviseerd.

* het rooster van zijn school volgt, zich houdt aan de lestijden en zoekt naar een passende stageplek.

* zich inzet voor het zoeken van een positieve vrijetijdsbesteding en het vervolgens hieraan deelneemt.

* inzicht geeft in zijn vriendengroep/sociale contacten.

- draagt de Stichting Jeugdbescherming Brabant locatie Etten-Leur als gecertificeerde instelling op om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en aan het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

Benadeelde partij

[benadeelde 4] namens [winkel 4]

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Brouwer, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. S. Tempel en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 maart 2026.

Mr. H. Skalonjic is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

10. Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 13 oktober 2024 te [plaats]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met papier/karton, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten

- een vloer en/of een of meerdere kledingstukken en/of goederen toebehorende aan kledingwinkel [winkel 1] en/of [benadeelde 1] en/of

- een vloer en/of kozijnen en/of deuren en/of een of meerdere kledingstukken en/of goederen toebehorende aan kledingwinkel [winkel 2] en/of [benadeelde 2] en/of

- een vloer en/of plinten en/of een kassablok en/of een of meerdere kledingstukken althans goederen toebehorende aan kledingwinkel [winkel 3] en/of [benadeelde 3] en/of

- een of meerdere kledingstukken althans goederen toebehorende aan [winkel 4] en/of [benadeelde 4] en/of

- een plafond en/of een dak en/of een of meerdere kledingstukken en/of accessoires althans goederen toebehorende aan [winkel 5] en/of [benadeelde 5] en/of

- een of meerdere goederen toebehorende aan [winkel 6] en/of [benadeelde 6] en/of

- een of meerdere goederen toebehorende aan ' [winkel 7] en/of [benadeelde 7]

te duchten was;

(Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?