ECLI:NL:RBZWB:2026:1760

ECLI:NL:RBZWB:2026:1760

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 11757384 \ CV EXPL 25-2184
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Geen toerekenbare tekortkoming aan de zijde van eiser, zodat eiser op grond van de algemene bepalingen alle achterstallige en toekomstige termijnen ineens dient te betalen. Geen beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer: 11757384 \ CV EXPL 25-2184

Vonnis van 4 maart 2026

in de zaak van

PROXIMEDIA NEDERLAND B.V., H.O.D.N. BeUp EN MKB CLICKSERVICE,

te Utrecht,

eisende partij,

hierna te noemen: Proximedia,

gemachtigde: PUURNouta,

tegen

[gedaagde] , H.O.D.N. [handelsnaam],

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 juni 2025 met producties;- de conclusie van antwoord met producties;- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- het bericht van 16 januari 2026 met aanvullende producties van Proximedia;- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Op 16 mei 2023 is tussen partijen – na een telefonisch aanbod daartoe door Proximedia – een overeenkomst tot stand gekomen voor het maken van landingspagina’s, call tracking en SEA, met een looptijd van 24 maanden. Hiervoor factureert Proximedia maandelijks € 277,09 aan [gedaagde] .

Op 7 februari 2024 zijn partijen een tweede overeenkomst aangegaan. Hiervoor is [gedaagde] iedere maand € 192,39 extra aan Proximedia verschuldigd.

[gedaagde] heeft tot 1 september 2024 een betalingsachterstand laten ontstaan van € 1.877,92.

Met ingang van 19 september 2024 heeft Proximedia haar werkzaamheden voor [gedaagde] opgeschort.

3. Het geschil

Proximedia vordert – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 5.760,22 (bestaande uit de hoofdsom van € 4.655,92, de buitengerechtelijke incassokosten van € 698,38 en de wettelijke handelsrente tot 20 mei 2025 van € 405,92), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Proximedia legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] zijn betalingsverplichting voortvloeiend uit de overeenkomsten van 16 mei 2023 en 7 februari 2024 dient na te komen. Daarnaast zijn op grond van diezelfde overeenkomsten alle toekomstige maandelijkse termijnen op 17 oktober 2024 ineens en volledig opeisbaar geworden. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is gegrond op de overeengekomen (en van de wet afwijkende) regeling.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering en concludeert tot afwijzing daarvan. Hij voert daartoe aan dat de overeenkomst van 16 mei 2023 door misbruik van omstandigheden, misleiding en/of bedrog tot stand is gekomen. Ook was hij ontevreden over de dienstverlening van Proximedia. Om die reden heeft hij de overeenkomst bij aangetekende brief van 17 juli 2024 ontbonden. Verder is de vordering tot betaling van alle toekomstige maandelijkse termijnen ineens in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De door Proximedia geleverde inspanning is namelijk beperkt en van daadwerkelijke schade is nauwelijks sprake.

4. De beoordeling

Totstandkoming van de overeenkomst

[gedaagde] heeft geen rechtsgevolg verbonden aan zijn stelling dat de overeenkomst van 16 mei 2023 door misbruik van omstandigheden, misleiding en/of bedrog tot stand is gekomen; ook niet nadat de kantonrechter hem daar op de mondelinge behandeling nadrukkelijk naar heeft gevraagd. De kantonrechter gaat daarom aan die stelling voorbij.

Ontbinding

Tussen partijen staat niet ter discussie dat in artikel 8.3 van de overeenkomsten is bepaald dat in geval van contractbreuk door [gedaagde] , anders dan op grond van een toerekenbare tekortkoming van Proximedia, alle toekomstige vorderingen uit hoofde van die overeenkomsten onmiddellijk en ineens opeisbaar worden. Zowel de achterstallige als de toekomstige termijnen zijn dus toewijsbaar, tenzij [gedaagde] de overeenkomsten op 17 juli 2024 terecht ontbonden heeft. Daarover wordt het volgende overwogen.

Proximedia heeft betwist dat zij de ontbindingsverklaring van [gedaagde] van 17 juli 2024 ontvangen heeft. Of dat inderdaad zo is, kan in het midden blijven. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Proximedia, waardoor die verklaring niet daadwerkelijk tot ontbinding van de overeenkomst(en) heeft geleid. De kantonrechter zal dit oordeel hieronder toelichten.

In zijn verweer somt [gedaagde] verschillende tekortkomingen van Proximedia op. Eén daarvan betreft de domeinnaam en foto’s voor de website. Proximedia heeft [gedaagde] er bij e-mail van 31 mei 2023 al op gewezen dat hij zijn logo en afbeeldingen en de verhuistoken voor de domeinnaam binnen vijf dagen moest opsturen. Deed hij dat niet, dan zou Proximedia auteursrechtvrije afbeeldingen voor zijn website selecteren. Bij e-mail van 20 juni 2023 heeft Proximedia aan [gedaagde] laten weten dat de landingspagina’s gereed zijn en dat hij, als hij eigen beeldmateriaal wilde gebruiken, dat beeldmateriaal kon doorsturen. Ook heeft zij hem daarin nogmaals gevraagd om de verhuistoken van zijn domeinnaam op te sturen. Dit heeft [gedaagde] echter niet gedaan. Dat Proximedia vervolgens stockfoto’s op [gedaagde] ’s website heeft geplaatst en deze website aan een nieuwe domeinnaam heeft gekoppeld, kan haar daarom niet worden tegengeworpen.

Een andere klacht betreft de inhoud van de landingspagina’s die Proximedia voor [gedaagde] heeft gemaakt. Volgens [gedaagde] zou die inhoud pas na zijn vakantie in juni 2023 worden besproken, hetgeen door Proximedia wordt betwist. De e-mail van [gedaagde] van 31 mei 2023 (in reactie op de e-mail van Proximedia van die dag, zie hiervoor onder 4.4) wijst er niet op dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Daarin schrijft [gedaagde] namelijk het volgende:

“Dit alles binnen 5 dagen aanleveren gaat niet lukken, vertrek zo met vakantie en ben 19 juni terug. Probeer deze week zoveel als mogelijk aan te leveren”

Naar aanleiding van het verzoek van [gedaagde] van 18 oktober 2023 om hem te helpen met het aanpassen van de website heeft Proximedia zelfs nieuwe landingspagina’s voor hem gemaakt. Op haar e-mail van 17 januari 2024, waarin Proximedia vraagt of alles naar wens is of dat hij verder nog wijzigingen wenst, heeft [gedaagde] niet, althans niet aantoonbaar, gereageerd.

Veel van de afspraken zijn volgens [gedaagde] telefonisch gemaakt en niet schriftelijk, zodat hij daar geen nadere onderbouwing van kan geven. Dit geldt ook voor de (door Proximedia betwiste) afspraak dat Proximedia na 17 januari 2024 iedere veertien dagen telefonisch contact met hem zou opnemen, wat niet is gebeurd. Gelet op de verdeling van de stelplicht en de bewijslast komt dit voor rekening en risico van [gedaagde] zelf.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Proximedia haar verbintenissen voortvloeiend uit de overeenkomsten van 16 mei 2023 en 7 februari 2024 is nagekomen. [gedaagde] had dus niet het recht om deze overeenkomsten op 17 juli 2024 te ontbinden.

Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] heeft nagelaten Proximedia in gebreke te stellen, waardoor zij niet in verzuim is komen te verkeren. Ook dit staat aan ontbinding van de overeenkomsten door [gedaagde] in de weg.

Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid

[gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat betaling van alle toekomstige termijnen ineens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het uitgangspunt is dat partijen zich moeten houden aan de afspraken die zij samen hebben gemaakt. Daarom kan artikel 8.3 van de overeenkomsten (zie hiervoor onder 4.2) slechts in uitzonderlijke gevallen buiten toepassing worden gelaten. Het feit dat er gedurende zestien maanden geen tegenprestatie tegenover de betaling staat, is daarvoor in deze zaak niet voldoende. Dat Proximedia haar werkzaamheden vanaf 19 september 2024 heeft opgeschort, is namelijk het gevolg van de onterechte opschorting van de maandelijkse termijnen door [gedaagde] . Tot aan dat moment is Proximedia haar verbintenissen uit de overeenkomst(en) vanaf 31 mei 2023 nagekomen. Het beroep van [gedaagde] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt dus niet.

Op grond van het voorgaande zal de hoofdsom van € 4.655,92 (bestaande uit de achterstallige termijnen van € 1.877,92 en de toekomstige termijnen van € 2.778,00) worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

Proximedia vordert daarnaast de tussen partijen overeengekomen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het standpunt dat de daadwerkelijke kosten gelijk zijn aan die vergoeding heeft Proximedia te laat, namelijk pas op de mondelinge behandeling en niet in de dagvaarding, ingenomen. Dat standpunt wordt dus gepasseerd. De kantonrechter oordeelt dat de overeengekomen vergoeding onredelijk is, omdat deze hoger is dan het tarief dat is bepaald in het Besluit voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst daarom slechts het wettelijke tarief van € 590,59 toe.

Wettelijke handelsrente

Over de hoofdsom wordt wettelijke handelsrente gevorderd zoals bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW. De kantonrechter oordeelt dat de overeenkomsten tussen partijen kwalificeren als handelsovereenkomsten in de zin van dat artikel. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de maandelijkse termijnen steeds binnen acht dagen na de respectievelijke factuurdata betaald moesten worden. De wettelijke handelsrente over de achterstallige maandelijkse termijnen is dus verschuldigd vanaf de dag na de vervaldatum van de respectievelijke facturen. Niet kan worden vastgesteld dat Proximedia de overeenkomsten met [gedaagde] als gevolg van zijn wanbetaling ontbonden heeft. De vergoeding van alle toekomstige termijnen ineens wordt daarom niet aangemerkt als een schadevergoeding, maar als een verbintenis voortvloeiend uit die overeenkomsten. Daarover kan dus eveneens de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW worden gevorderd. Proximedia heeft de toekomstige termijnen pas opgeëist toen zij haar vordering ten aanzien van de betalingsachterstand op 17 oktober 2024 uit handen heeft gegeven aan haar gemachtigde. De kantonrechter wijst de wettelijke handelsrente over de toekomstige termijnen daarom toe vanaf die datum.

Proceskosten

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Proximedia heeft een hoger bedrag aan verschotten gevorderd dan de daarvoor geldende forfaitaire tarieven. Dat hogere bedrag is niet toewijsbaar en zal worden gematigd. De proceskosten van Proximedia worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

123,73

- griffierecht

543,00

- salaris gemachtigde

720,00

(2 punten × € 360,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.530,73

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Proximedia te betalen:

een bedrag van € 1.877,92 aan achterstallige termijnen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW daarover vanaf de dag na de respectievelijke vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling;

een bedrag van € 2.778,00 aan toekomstige termijnen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW daarover vanaf 17 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.530,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand