ECLI:NL:RBZWB:2026:1768

ECLI:NL:RBZWB:2026:1768

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 02-063050-25 en 02-184479-25 (ttz. gev)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verdachte heeft in de periode van 6 februari tot en met 9 februari 2025 zijn ex-vriendin belaagd, bedreigd en beledigd. Daarnaast heeft verdachte geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen bij de nieuwe vriend van aangeefster. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 309 dagen met aftrek. De rechtbank gelast daarnaast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege. Ten slotte wordt aan verdachte de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opgelegd als bedoeld in artikel 38z Sr.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-063050-25 en 02-184479-25 (ttz. gev)

Parketnummer TUL: 02-040124-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 maart 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,

raadsvrouw mr. S. van Eekelen, advocaat te [plaats].

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. A. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

Parketnummer 02-063050-25 Feit 1: [slachtoffer 1] heeft belaagd;Feit 2: [slachtoffer 1] heeft bedreigd;Feit 3: [slachtoffer 1] heeft beledigd.

Parketnummer 02-184479-25 Feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;Feit 2: de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist of kon vermoeden dat [slachtoffer 2] letsel en/of schade had door dat ongeval​​.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs en zij bepleit integrale vrijspraak. Voor feit 1 onder parketnummer 02-063050-25

heeft de verdediging nog aangevoerd dat verdachte niet het oogmerk heeft gehad om [slachtoffer 1] te dwingen tot iets, haar iets te doen dulden van hem of haar vrees aan te jagen. Bovendien is geen sprake van stelselmatigheid. Ter zake van feit 1 en 2 onder parketnummer 02-194479-25 is aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte de bestuurder van de auto is geweest.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Parketnummer 02-063050-25

Feit 1

Vaststelling van de feiten

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte en aangeefster hebben in het verleden een affectieve relatie hebben gehad. Zij hebben een al langer lopend conflict en op 2 september 2024 is verdachte veroordeeld door de rechtbank voor stalking en mishandeling van aangeefster. Aan verdachte is daarbij onder andere een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in de vorm van een contactverbod met aangeefster. Aangeefster heeft een AWARE-aansluiting.

Op 16 februari 2025 heeft aangeefster aangifte tegen verdachte gedaan van stalking, bedreiging en belediging.

Uit opgevraagde telefoongegevens blijkt dat aangeefster in de periode van 6 februari tot en met 9 februari 2025 zeventien keer anoniem is gebeld. Tijdens één van deze gesprekken op 6 februari 2025 hoorde aangeefster dat verdachte zei: "kankerhoer” en “ik ga je doodmaken". Op 9 februari 2025 hoorde aangeefster nadat zij anoniem was gebeld weer dat verdachte zei : “kankerhoer”. In het dossier zit een geluidsopname van dit laatste gesprek, waarop de stem van verdachte is herkend door de verbalisant die verdachte ambtshalve kent uit noodhulptelefoongesprekken en wijkzorg. Uit de opgevraagde telefoongegevens blijkt daarnaast dat de genoemde zeventien anonieme telefoontjes afkomstig zijn van het telefoonnummer van verdachte. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en belediging van aangeefster.

De vraag die moet worden beantwoord, is of deze bewezen feitelijke gedragingen (het meermaals bellen, beledigen en bedreigen van aangeefster) kunnen worden gekwalificeerd als belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Bij de beantwoording van deze vraag is beslissend of sprake is van gedragingen waardoor wederrechtelijk en stelselmatig en opzettelijk inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander, met het in de delictsomschrijving nader omschreven oogmerk.

Stelselmatig

Bij beoordeling van de stelselmatigheid zijn de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen relevant. Daarnaast dienen de omstandigheden waaronder de gedragingen hebben plaatsgevonden, evenals de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, mede in aanmerking te worden genomen.

Ook de omstandigheid dat de verdachte zich vóór de in de tenlastelegging vermelde

periode heeft schuldig gemaakt aan belaging van het slachtoffer, kan een rol spelen

bij de stelselmatigheid van het gedrag. Het (belagings)verleden mag dus worden betrokken

in een eventuele nieuwe strafzaak. Minimale grenzen voor de duur en de frequentie zijn niet te geven. Zoals hiervoor reeds is overwogen is verdachte eerder veroordeeld voor belaging van aangeefster. Ondanks een contactverbod had en een proeftijd bleef hij aangeefster lastigvallen door binnen enkele dagen meermalen vanaf een anoniem nummer te bellen en haar daarbij te beledigen en te bedreigen. Verdachte is in maart 2025 opnieuw aangehouden voor stalking van aangeefster. Hij kreeg in april 2025 opnieuw de kans om te laten zien dat het voor hem nu echt duidelijk was dat hij haar met rust moest laten en werd onder voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis. Niet lang daarna werd verdachte opnieuw aangehouden voor de feiten die hem worden verweten onder parketnummer 02/184479-25, waaronder de poging van toebrengen zwaar lichamelijk letsel van de nieuwe partner van aangeefster.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezen feitelijke gedragingen, afgezet tegen bovengenoemde omstandigheden een dusdanige invloed hebben gehad op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster, dat het handelen van verdachte als stelselmatig wordt aangemerkt.

Oogmerk

Het oogmerk om aangeefster vrees aan te jagen volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de hierboven bewezen geachte gedragingen.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de aan verdachte ten last gelegde belaging.

Parketnummer 02-184479-25 Feit 1

Vaststelling van de feiten

Op 21 mei 2025 werd aangever, de vriend van [slachtoffer 1] , aangereden door een Ford Ka op naam van verdachte. Aangever fietste op dat moment langs een drukke openbare weg en kwam door de aanrijding ten val. De bestuurder van de auto die hem had aangereden ging er vandoor.

Aangever heeft door de aanrijding wonden aan zijn hoofd en hand opgelopen. Verder had hij blauwe plekken en schaafwonden op zijn lichaam. De wond op het hoofd was boven het oog en deze wond is gelijmd. Ook zijn er gekneusde ribben geconstateerd.

Was verdachte de bestuurder van de Ford Ka?

Verdachte heeft ontkend dat hij de bestuurder van de auto was toen aangever werd aangereden. Op zitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn auto wel eens uitleent en dat hij niet meer weet of en aan wie hij dat op de desbetreffende dag heeft gedaan. De rechtbank constateert dat dit het enige is wat verdachte hierover heeft verklaard. De verklaring is derhalve niet concreet noch verifieerbaar.

Daar staat tegenover dat de auto op naam stond van verdachte en dat hij een langlopend conflict met [slachtoffer 1] had, zijnde de ex-vriendin van verdachte en de vriendin van aangever. Daarbij komt dat de persoon die op de beelden is te zien verdachte kan zijn. De rechtbank is van oordeel dat op basis van voornoemde voldoende is vast komen te staan dat verdachte degene is geweest die de auto heeft bestuurd en dus aangever heeft aangereden.

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte opzet had op het toebrengen van het letsel bij aangever. Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte daadwerkelijk het doel had aangever letsel toe te brengen, waardoor geen sprake is van vol opzet.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte zich willens en weten heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan een zodanige kans is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijk kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaalde gevolg dat het – behoudens contra indicaties - niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt dat uit de camerabeelden volgt dat verdachte als bestuurder van een auto enige tijd achter aangever bleef rijden, terwijl deze rechts fietste en er ruimte was om hem in te halen. Vervolgens is te zien dat verdachte zijn auto naar rechts stuurde, daarbij op het fietspad kwam en aangever aanreed waardoor deze ten val kwam, terwijl er geen enkele verkeersrelevantie was voor een dergelijke manoeuvre. Door met zijn auto tegen een kwetsbare verkeersdeelnemer, een fietser, te rijden kan -ook als je met lage snelheid rijdt- dit zwaar lichamelijk letsel opleveren. Niet ondenkbaar is dat iemand met zijn hoofd tegen het wegdek of stoeprand klapt of onder een auto terecht komt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte deze aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 02-063050-25

Feit 1 in de periode van 6 tot en met 9 februari 2025 te [plaats], wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door voornoemde [slachtoffer 1]- meermaals te bellen en daarbij te zeggen ‘ik ga je doodmaken’ en ‘kankerhoer’ met het oogmerk die [slachtoffer 1] vrees aan te jagen;

Feit 2 op 6 februari 2025 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door- haar (telefonisch) toe te voegen "ik ga je doodmaken";

Feit 3

op 9 februari 2025 te [plaats] opzettelijk [slachtoffer 1] , mondeling (telefonisch)heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen: "kankerhoer";

Parketnummer 02-184479-25 Feit 1 op 21 mei 2025 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een auto tegen de fiets, waarop voornoemde [slachtoffer 2] fietste, is aan gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats] op het [plein], op 21 mei 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander (te weten [slachtoffer 2] ) letsel en/of schade was toegebracht;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages opgesteld door [psychiater]

van 14 november 2025 en door [psycholoog] van

23 september 2025. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het psychiatrisch rapport, waardoor het voor de psychiater niet mogelijk is gebleken de vragen te beantwoorden.

Aanwezigheid stoornis

De psycholoog concludeert dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking en afhankelijkheid van middelen. Hiernaast zijn er sterke aanwijzingen voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline en persoonlijkheidstrekken. Ook zijn er aanwijzingen voor ADHD. De genoemde verstandelijke beperking en de persoonlijkheidsproblematiek waren al langere tijd aanwezig en bestonden ten tijde van de ten laste gelegde poging zware mishandeling. De rechtbank neemt deze conclusie over.

Toerekenbaarheid verdachte

De psycholoog benoemt dat sprake is van een langdurig patroon van gewelddadig en obsessief gedrag tegenover aangeefster. Het emotioneel niet kunnen verdragen/accepteren dat aangeefster een relatie met verdachte heeft verbroken en jaloezie bij verdachte over de nieuwe relatie van aangeefster lijken drijfveren voor de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Vanuit de verstandelijke beperking en de persoonlijkheidsproblematiek kan verdachte beperkt in staat worden geacht om andere gedragskeuzes te maken en daarnaar te handelen. Derhalve wordt geadviseerd om verdachte dit feit in verminderde mate toe te rekenen. De rol van mogelijke ADHD en middelengebruik in zijn gedragskeuzes kan niet uitgesloten worden.

De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog over.

Gelet op de toelichting door de psycholoog in zijn rapport oordeelt de rechtbank dat de hiervoor staande conclusies ook van toepassing zijn op de overige ten laste gelegde feiten en zal daarom alle feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel terbeschikkingstel-ling (hierna: tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege, gelet op het hoge recidiverisico en de noodzakelijk geachte behandeling voor verdachte. Een tbs-maatregel met voorwaarden is niet haalbaar, omdat verdachte aan belangrijke voorwaarden niet wil meewerken. Een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege is daardoor de enige overblijvende optie, waarbij het verminderen van het recidiverisico ter beveiliging van de maatschappij voorop staat. Daarnaast wordt gevorderd om een gevangenisstraf op te leggen van 309 dagen met aftrek van het voorarrest en een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: gvm).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij een bewezenverklaring een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. Verdachte zal meewerken aan de voorwaarden indien het niet in een tbs-kader is.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft in de periode van 6 februari tot en met 9 februari 2025 zijn ex-vriendin belaagd, bedreigd en beledigd. Zij werd in deze periode meermaals anoniem gebeld door verdachte. Verdachte schold haar uit en dreigde haar dood te maken. Hoewel de periode voor stalking een relatief korte periode betreft met een beperkt aantal telefoontjes moet dit in het licht van eerdere gebeurtenissen en de eerdere veroordeling voor stalking en mishandeling van [slachtoffer 1] worden gezien. Verdachte heeft door zijn handelen opnieuw inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en heeft haar ook veel angst aangejaagd. Dit bleek uit de slachtofferverklaring die namens [slachtoffer 1] op zitting is voorgedragen. Hieruit komt naar voren dat zij al meer dan twee jaar in angst leeft. Elke dag kijkt ze achterom en voelt ze dreiging. Door dit alles moest [slachtoffer 1] in therapie en is ze ziek geworden, waardoor zij niet meer kon werken. Ze is er klaar mee om een noodknop te moeten dragen en wil dat dit stopt. Ze is moe gestreden.

Daarnaast heeft verdachte geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen bij de nieuwe vriend van [slachtoffer 1] door hem aan te rijden, waarna hij zich uit de voeten heeft gemaakt. Het bewust veroorzaken van een aanrijding is een ernstig feit. Verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hem pijn en letsel toegebracht. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat de aanrijding op een drukke weg heeft plaatsgevonden met andere weggebruikers en omstanders die geconfronteerd werden met een dergelijke verkeerssituatie.

De persoon van verdachte

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank heeft acht geslagen op de onder punt 5 genoemde rapportages van de

[psychiater] en de [psycholoog] . Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapportage van 12 februari 2026 dat is opgesteld in het kader van een tbs met voorwaarden. Op zitting is namens de benadeelde partij gevraagd een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v, tweede lid, sub a en sub b Sr, voor een periode van vijf jaren, op te leggen.

Door de psycholoog is geconcludeerd dat gezien het hoge risico op toekomstig gewelddadig gedrag, waarbij rekening moet worden gehouden met maatschappelijk gevaar, een langdurig intensief behandeltraject nodig wordt geacht dat zich richt op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van verdachte. Om het recidivegevaar te beperken zal deze behandeling in een klinische behandelsetting en van een hoog beveiligingsniveau (minimaal niveau 3) moeten zijn. Het is namelijk te verwachten dat verdachte na vrijlating snel weer zal beginnen met middelengebruik, wat zijn impulsiviteit versterkt. Hiermee wordt het recidiverisico op (huiselijk) geweld verder verhoogd. Doordat hij de consequenties van zijn gedrag niet kan overzien en hij grenzen niet accepteert, is de verwachting dat hij zich tijdens een behandeling (sterk) zal verzetten bij begrenzingen of als hij (met name door een vrouw) wordt aangesproken op zijn gedrag. Te verwachten is dat hij zich hierbij agressief zal opstellen, waardoor een lager beveiligingsniveau niet afdoende zal zijn.

De behandeling zou gerealiseerd kunnen worden in het kader van een tbs met voorwaarden. Verdachte lijkt behandeld te willen worden voor het kunnen beheersen van zijn emoties en woede, maar hij heeft een (heel) stevig kader nodig als stok achter de deur, omdat hij weliswaar goede intenties heeft, maar in de praktijk niet in staat is om zijn emoties, impulsen en agressie te beheersen. Daarnaast is het van belang dat er bescherming wordt geboden tegen het gewelddadige gedrag van verdachte. De psycholoog verwacht dat het beoogde effect bereikt kan worden binnen het kader van een tbs met voorwaarden, eventueel in combinatie met een gvm. Door de psycholoog is geadviseerd om nader onderzoek te laten verrichten rekening houdend met de mogelijkheid dat verdachte zijn medewerking opnieuw besluit in te trekken.

Uit de rapportage van de reclassering komt naar voren dat bij verdachte nauwelijks sprake lijkt te zijn van ziekte-inzicht en probleembesef, wat samen gaat met het gebrek aan concrete behandeldoelen of een behandelwens. Verdachte acht hulpverlening niet noodzakelijk. Hoewel hij open zegt te staan voor ambulante begeleiding en reclasseringsbemoeienis, wenst hij dit niet in het kader van een tbs met voorwaarden te doen. Verdachte benoemt expliciet niet mee te willen werken aan een klinische behandeling, middelenverbod en het wonen in een begeleide woonvorm. Hoewel het vermoeden heerst dat zijn cognitief functioneren van invloed is op zijn houding, lijkt er geen ruimte te zijn om inhoudelijk in te gaan op een tbs met voorwaarden. Door de reclassering wordt negatief geadviseerd over een tbs met voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Bij een veroordeling tot tbs of een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt geadviseerd een gvm op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs of een gevangenisstraf.

Straf en/of maatregel

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is wat een passende afdoening is in deze zaak. Voor de beantwoording van deze vraag is door de psycholoog en de reclassering de mogelijkheid tot het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden nauwkeurig afgewogen. Op de zitting, maar ook bij de reclassering, heeft verdachte herhaald dat hij niet zal meewerken aan voorwaarden die worden opgelegd in het kader van een tbs met voorwaarden. Omdat verdachte niet zal meewerken aan deze voorwaarden en deze onderdelen voor een succesvolle behandeling wél essentieel zijn, is de rechtbank met de reclassering van oordeel dat een behandeling binnen een tbs met voorwaarden niet haalbaar is.

De rechtbank stelt vast dat, gezien de noodzakelijkheid van een behandeling om recidive te verlagen, er dan twee mogelijkheden resteren: de behandeling opleggen in het kader van bijzondere voorwaarden of middels een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.

Verdachte heeft uitdrukkelijk, ook op zitting, laten weten dat hij niet zal meewerken aan een klinische behandeling, middelenverbod en het wonen in een begeleide woonvorm. Gelet op deze houding is een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden geen passende optie, zodat de rechtbank hiertoe niet zal overgaan.

Met betrekking tot het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging overweegt de rechtbank dat wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan de oplegging van tbs. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. De bewezenverklaarde belaging, bedreiging en poging zware mishandeling behoren tot de misdrijven omschreven in artikel 37a, eerste lid 1, aanhef en onder 2, Sr. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel, omdat sprake is van een hoog recidiverisico. Dit risico wordt ingegeven door de stoornis van verdachte. Er is sprake van problematiek op meerdere leefgebieden en nauwelijks ziekte-inzicht. Eerdere interventies door justitieel ingrijpen hebben onvoldoende impact gehad noch gedragsverandering weten te bewerkstelligen of het risico op recidive weten terug te dringen.

Daarnaast is verdachte eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten en liep hij als gevolg hiervan in een proeftijd.

Nu een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden en de tbs-maatregel met voorwaarden niet haalbaar worden geacht, is naar het oordeel van de rechtbank oplegging van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege de enige mogelijkheid die overblijft om de stoornis van verdachte te behandelen en daarmee het hoge recidiverisico te verminderen en de maatschappij te beveiligen. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat verdachte naast de belaging nu ook fysiek agressief is geweest door de nieuwe partner van [slachtoffer 1] aan te rijden. Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat het recidiverisico niet met een minder ingrijpende maatregel kan worden ondervangen en acht zij de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging dan ook proportioneel.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte naast de tbs met verpleging van overheidswege ook een straf moet worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en met het feit dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte wordt toegerekend. Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 309 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Maatregel gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking

Naast de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege zal de rechtbank ook een gvm als bedoeld in artikel 38z Sr aan verdachte opleggen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. Er is sprake van beperkt probleembesef. Daarnaast hebben eerder ingezette interventies onvoldoende bijgedragen aan het bewerkstelligen van gedragsverandering en het terugdringen van het risico op recidive. Bovendien wenst verdachte geen medewerking te verlenen aan behandeling. Met deze maatregel wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte na afloop van de tbs-maatregel onder toezicht te stellen om dreigende recidive snel te kunnen signaleren en daarop tijdig te kunnen acteren.

7. De vordering van de benadeelde partij

Parketnummer 02-184479-25, feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.750,- voor geleden immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Op grond van artikel 6:106, eerste lid, BW heeft de benadeelde partij recht op een vergoeding van de immateriële schade, aangezien hij als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals eerder is overwogen

De rechtbank stelt de omvang van de immateriële schade met betrekking tot het lichamelijke letsel naar billijkheid vast op een bedrag van € 1.000.-. De rechtbank zal de vordering voor dat deel toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering tot immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, omdat de noodzakelijke onderbouwing van de psychische gevolgen ontbreekt en het een onevenredige belasting van het strafproces vormt om de benadeelde partij dit alsnog te laten onderbouwen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 21 mei 2025.

De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

2 september 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 45, 57, 266, 285, 285b en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 02-184479-25

feit 1: poging zware mishandeling;

feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet

1994;

Parketnummer 02-063050-25

feit 1: belaging;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: eenvoudige belediging;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 309 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;

Benadeelde partij

T.a.v. feit 1 (02-184479-25)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.000, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2] , € 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 2 september 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-040124-24 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 60 dagen gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter en mrs. J.C.A.M. Los en P.E. van Althuis, rechters in tegenwoordigheid van K. van Rijs, griffier en is uitgesproken ter de openbare zitting op 13 maart 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Parketnummer 02-063050-25

1hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 6 januari 2025 tot en met 11 februari 2025 te [plaats], althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door voornoemde [slachtoffer 1]- fysiek op te zoeken en/of zich in de nabijheid van voornoemde [slachtoffer 1] te bevinden en/of haar toe te voegen ‘kom praten’ en/of gebaren te maken en/of- meermaals te bellen en/of daarbij te zeggen ‘ik ga je doodmaken’ en ‘kankerhoer’ althans woorden van gelijke aard en/of strekkingmet het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2 hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 6 januari 2025 tot en met 6 februari 2025 te [plaats] althans in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door- een snijdende beweging langs zijn hals te maken en/of- haar (telefonisch) toe te voegen "ik ga je doodmaken" althans woorden van gelijke aard en/of strekking;( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 6 februari 2025 tot en met 9 februari 2025 te [plaats] althans in Nederland opzettelijk [slachtoffer 1] , mondeling (telefonisch)heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen: "kankerhoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Parketnummer 02-184479-25 1 hij op of omstreeks 21 mei 2025 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een auto tegen de fiets, waarop voornoemde [slachtoffer 2] fietste, is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2 hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats] op/aan [plein], op of omstreeks 21 mei 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 2] ) letsel en/of schade was toegebracht;(art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?