RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444186 / JE RK 26-103
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.T.E. Kranenburg uit Roosendaal,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 januari 2026;
- het verweerschrift van de moeder met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2026.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door mr. De Jongh, waarnemer voor mr. Kranenburg;
de vader;
een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 21 augustus 2026 tot 21 augustus 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] woonde samen met haar broer [persoon] bij haar moeder. De ouders zijn in 2018 gescheiden. Tussen de ouders is al langdurig sprake van een complexe echtscheiding. De voortdurende strijd tussen ouders veroorzaakt verhoogde spanning, wat leidt tot escalaties tussen [minderjarige] en de moeder. Daarnaast zijn er zorgen over [minderjarige] externaliserende gedrag in combinatie met ADHD. Door meerdere heftige conflicten is de thuissituatie bij de moeder voor [minderjarige] niet langer houdbaar. Na deze escalaties heeft [minderjarige] herhaaldelijk en duidelijk aangegeven bij haar vader te willen wonen. Hoewel de vader grotendeels in Cyprus verblijft, is hij teruggekeerd naar Nederland om, onder voorwaarden, voor [minderjarige] te zorgen. Op dit moment woont [minderjarige] bij haar vader. De GI geeft echter aan dat er sinds [minderjarige] bij haar vader woont geen zicht meer op haar is. Er komen signalen dat het niet goed met haar gaat, onder meer door opnieuw veel schoolverzuim. De vader weigert in gesprek te gaan met de GI en handelt zonder haar betrokkenheid. Hij geeft aan zelf de schoolgang te willen regelen, maar dit komt niet van de grond. [minderjarige] zit enorm klem tussen de ouders. Er zijn grote zorgen over haar welzijn en gedrag, terwijl er tegelijkertijd weinig zicht op haar situatie is. Bovendien is er geen enkele samenwerking met de vader. De GI vindt het moeilijk om het verzoek te handhaven, mede omdat zij [minderjarige] niet meer heeft kunnen spreken. Gezien het feit dat [minderjarige] eerder duidelijk heeft aangegeven bij haar vader te willen wonen, blijft de GI echter bij haar verzoek.
De moeder
Door en namens de moeder is, samengevat, aangegeven dat er niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1:265b BW. De moeder kan niet instemmen met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. De moeder vreest dat plaatsing bij de vader een aanzienlijk risico oplevert voor de emotionele, sociale en psychische ontwikkeling van [minderjarige] . Sinds [minderjarige] bij de vader woont is er geen schoolgang meer en komt er geen communicatie vanuit de vader naar school. Er is geen zicht op [minderjarige] sinds zij bij haar vader woont. Daarnaast ontbreekt samenwerking tussen de vader en de moeder, en worden afspraken niet consistent nageleefd. De vader wijzigt afspraken eenzijdig of ontkent ze, waardoor de veiligheid van [minderjarige] niet gewaarborgd is. De moeder maakt zich grote zorgen om [minderjarige] . Zij zou haar het liefst weer thuis willen hebben, maar weet niet of dat haalbaar is. [minderjarige] heeft behoefte aan rust en stabiliteit en moet de juiste ondersteuning krijgen. Er moet worden vastgesteld wat [minderjarige] nodig heeft om goed te kunnen functioneren. Als dat niet mogelijk is bij haar moeder thuis, dan moet zij op een andere passende plek wonen waar zij de rust krijgt die zij nodig heeft.
De vader
Door de vader is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vader is in goed overleg met de GI uit Cyprus teruggekomen, en [minderjarige] woont nu bij hem. De samenwerking tussen hem en de GI is echter vastgelopen. De vader geeft aan dat hij wel contact onderhoudt, maar dit zo beperkt mogelijk houdt om [minderjarige] rust te geven. Volgens de vader staat hij in contact met de school en de leerplichtambtenaar, maar wacht hij op de GI voor verdere stappen. Het betreft een bijzondere situatie; als er een andere passende oplossing voor [minderjarige] wordt gevonden, stemt de vader daarmee in, maar voorlopig kan [minderjarige] bij hem blijven wonen.
De Raad
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De situatie is complex. [minderjarige] woont momenteel op eigen verzoek bij haar vader, maar het blijkt lastig om tot samenwerking met de vader te komen. Door het gebrek aan afstemming tussen beide ouders en tussen de vader en de GI maakt de Raad zich zorgen dat [minderjarige] niet de ondersteuning krijgt die zij nodig heeft. Het gaat op dit moment niet goed met haar; het feit dat zij niet meer naar school gaat, is zorgelijk. Er is onvoldoende zicht op haar situatie en het is moeilijk te bepalen wat zij precies nodig heeft. Er speelt iets in haar dat onbekend is en nader onderzocht moet worden. Op basis van dat onderzoek moet passende hulp worden geboden. De Raad vindt het belangrijk dat wordt gekeken naar een andere plek voor [minderjarige] , waar zij de juiste ondersteuning kan ontvangen.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de stukken en hetgeen mondeling ter zitting naar voren is gebracht, overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] woonde bij haar moeder. Er zijn zorgen over [minderjarige] externaliserende gedrag in combinatie met ADHD. Daarnaast is tussen haar ouders al langdurig sprake van een complexe echtscheiding, waar [minderjarige] erg mee belast is en wordt. Door meerdere heftige conflicten tussen haar en haar moeder in de afgelopen periode was de thuissituatie bij haar moeder niet langer houdbaar. Na deze escalaties heeft [minderjarige] aangegeven bij haar vader te willen wonen.
De vader is teruggekeerd uit Cyprus om [minderjarige] op te vangen. [minderjarige] woont nu bij de vader, maar de kinderrechter acht het zorgelijk dat er sindsdien geen goed zicht meer is op haar. [minderjarige] gaat niet meer naar school en er zijn signalen dat het niet goed met haar gaat. Daarnaast bekritiseert de vader de samenwerking met de GI en weigert hij contact te leggen, terwijl dat juist noodzakelijk is om in het belang van [minderjarige] te beoordelen wat zij nodig heeft om goed te kunnen functioneren.
Gelet op voornoemde zorgen acht de kinderrechter het niet in het belang van [minderjarige] dat zij bij haar vader blijft wonen. De machtiging tot uithuisplaatsing zal dan ook worden afgewezen. Met de Raad is ook de kinderrechter van oordeel dat eerst nader onderzocht moet worden wat er bij [minderjarige] speelt en wat zij nodig heeft. Vervolgens dient gezocht te worden naar een passende plek, waar [minderjarige] rust en stabiliteit kan ervaren.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 20 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.