RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 11010368 \ MB VERZ 24-343
CJIB-nummer: [CJIB-nummer]
uitspraakdatum: 26 februari 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 maart 2026. Namens de officier van justitie is niemand verschenen. Daags voor de zitting heeft het CVOM te kennen gegeven dat er door omstandigheden geen zittingsvertegenwoordiger aanwezig zal zijn. Wel heeft het CVOM de persoonlijke aantekeningen van de zittingsvertegenwoordiger toegezonden met de bemerking dat dat geen volwaardig alternatief voor een schriftelijk standpunt is. Er is uitdrukkelijk geen verzoek tot aanhouding gedaan. Deze zaak is dan ook niet aangehouden, maar behandeld. De kantonrechter heeft geen kennisgenomen van de persoonlijke aantekeningen. De wet geeft de mogelijkheid om op een openbare zitting een standpunt duidelijk te maken. Het toezenden van persoonlijke aantekeningen valt daarbuiten. Namens gemachtigde is verschenen [naam] . Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Bevrijdingsweg te Kaatsheuvel op 23 december 2022 om 14:18 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht, er ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden en dat de pleeglocatie onvoldoende individualiseerbaar is. Betrokkene voert aan dat in onderhavig geval geen sprake is geweest van geluid dat sterker is dan het geluid dat het rijden met een naar de eisen van de tijd normaal ingerichte auto onvermijdelijk veroorzaakt. De norm van ‘onnodig geluid’ kan verschillend worden uitgelegd. Echter is het wel vereist dat er een goed onderbouwd proces-verbaal ligt, mede gelet op de hoogte van de sanctie. Dit ontbreekt. De verweten gedraging kan daarom niet vast komen te staan. Daarnaast blijkt uit het zaakoverzicht dat de verbalisant heeft gezien dat betrokkene met een normale snelheid doorreed. Dit suggereert dat betrokkene enige tijd heeft stilgestaan voor een stoplicht, wat bovendien door betrokkene wordt betoogd. Onder deze omstandigheden is het onvoldoende om te stellen dat staande houden niet mogelijk was. Tot slot bevinden zich op de Heuvelring verkeerslichten ter hoogte van de kruising met de Spoorlaan en ter hoogte van de kruising met de Korte Heuvel. Op basis van de aanduiding van de locatie in de inleidende beschikking kan daarom onvoldoende verweer worden gevoerd tegen de opgelegde sanctie. Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat gebleven wordt bij het standpunt en verzocht wordt de beslissing te vernietigen. Verder wordt opgemerkt dat sprake is van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn, waardoor verzocht wordt om af te wijken van het uitgangspunt van het gerechtshof en de boete met meer dan 25% te matigen. Ter onderbouwing wordt verwezen naar de overhandigde uitspraak van rechtbank Oost-Brabant. Subsidiair wordt verzocht om de boete met 25% te matigen.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de gemachtigde voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Verder is de pleeglocatie op basis van het dossier voldoende duidelijk, waardoor betrokkene niet in zijn verdedigingsbelangen wordt geschaad. Daarbij was er naar het oordeel van de kantonrechter geen reële mogelijkheid tot staandehouding.
De boete is dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- = € 934,00.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 187,50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 62,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: