RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11563803 \ MB VERZ 25-314
CJIB-nummer : [CJIB-nummer]
uitspraakdatum : 3 maart 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 maart 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. R. Baltus (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op parkeerplaats vergunninghouders (bord E9) zonder vergunning voor dat voertuig op de Godevaert Montensstraat te Breda op 30 december 2023 om 16:01 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt dat op de pleeglocatie niet duidelijk staat aangegeven dat er een vergunning nodig is om te parkeren. Verder is betaald bij de parkeerautomaat, ervan uitgaande dat de het de juiste zone betrof waarin is geparkeerd. Als het duidelijk was aangegeven, dan had betrokkene daar niet geparkeerd. De gemeente Breda is in gebreke vanwege het niet goed aangeven van de vergunningszone. Ook is de motivering van de officier van justitie nooit ontvangen.
De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting een aanvullend proces-verbaal overhandigd, waaruit volgt dat het verweer van betrokkene klopt en er geen bebording aanwezig was vanuit de genoemde rijrichting. Gelet daarop wordt verzocht het beroep gegrond te verklaren.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
Daarbij is van belang dat uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de bebording ontbrak. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 119, dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: