RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11560600 \ MB VERZ 25-307
CJIB-nummer: [CJIB-nummer]
uitspraakdatum: 3 maart 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 maart 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. R. Baltus (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden, geconstateerd middels de RDW-registercontrole op 21 maart 2023 om 17:04 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt dat geen gebruik wordt gemaakt van het voertuig omdat het al twee jaar kapot is en stilstaat in de schuur. Verder beheerd de ex-partner de verzekering, waardoor niet alle verplichtingen zijn meegekregen. De verzekering is in januari en februari 2023 betaald, waarna de ex-partner wilde dat de verzekering zou worden overgezet. Helaas zijn er toen wat mails over en weer te laat of niet gestuurd. Ook heeft er meerdere malen contact plaatsgevonden met de verzekering om het over te zetten met als conclusie dat de ex-partner dit moest doen. Inmiddels is alles overgezet en is het voertuig geschorst. Verder is de boete niet in verhouding tot de gedraging.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat zijn ex-partner maandelijks € 4,18 betaalde en hij later van haar ineens een derde aanmaning kreeg. Het voertuig zelf stond anderhalf jaar in de schuur en er is nooit mee gereden. Inmiddels is het voertuig vernietigd.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht om het punt van de machtiging te passeren en de zaak inhoudelijk te behandelen, aangezien de machtiging bij het beroep bij de kantonrechter in orde is. Inhoudelijk heeft de zittingsvertegenwoordiger verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren. Uit het systeem blijkt dat het voertuig op 17 juni 2024 is vernietigd. Dit was eerder niet bekend en gekeken zal moeten worden naar hoe snel actie is ondernomen. Vervolgens moet worden gekeken of het aannemelijk is dat niet met het voertuig kon worden gereden. Te zien is dat het voertuig was geschorst, waarna er enige tijd geen schorsing was en het voertuig uiteindelijk is vernietigd. Daarom is voldoende aannemelijk dat niet met het voertuig is gereden. Verzocht wordt om de boete met de helft te matigen en vanwege de overschrijding van de redelijke termijn de boete met 25% te matigen.
Overwegingen
Machtiging
De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat gemachtigde heeft nagelaten een geldige machtiging binnen de geboden termijn aan te leveren.
De kantonrechter is van oordeel dat de officier van justitie het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Toch ziet de kantonrechter aanleiding om het beroep tegen de boete inhoudelijk te behandelen. Daarbij is van belang dat bij het beroep bij de kantonrechter een juiste machtiging is aangeleverd.
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de gegevens van de RDW - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Het is verplicht om als kentekenhouder het voertuig tijdig te verzekeren, dan wel te schorsen. Het nalaten hiervan komt in beginsel voor eigen rekening en risico.
De boete is dus terecht opgelegd.
Matiging
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat aannemelijk is gemaakt dat niet met het voertuig kon worden gereden. De boete zal worden gematigd tot nihil.
Het beroep tegen de inleidende beschikking is gelet hierop gedeeltelijk gegrond en die beschikking zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing;
‒ verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in de zin dat de boete wordt gematigd tot nihil;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 234, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: