Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-136153-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 maart 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2003 in [geboorteplaats] ,
in de basisregistratie personen ingeschreven op het [adres]
,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie] ,
raadsman mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 5 december 2025 en 3 maart 2026, waarbij officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: in de periode van 1 november 2023 tot en met 15 februari 2024 door (dreiging met) geweld [aangeefster] heeft gedwongen tot afgifte van haar pinpas, pincode en in totaal
€ 7.000,- aan geldbedragen;
feit 2: in de periode van 15 tot en met 17 februari 2024 die [aangeefster] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd;
feit 3: in de periode van 2 november 2023 tot en met 18 januari 2024 die [aangeefster] meermaals heeft mishandeld door tegen haar neus en lip te slaan en tegen haar onderbeen te schoppen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van de ten laste gelegde feiten. Er is geen sprake geweest van dwang of drang, die vereist is voor een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2. Ten aanzien van feit 3 ontbreekt voor de klap tegen de neus van [aangeefster] (hierna: aangeefster) deugdelijk steunbewijs. Zelfs als aangenomen wordt dat verdachte deze klap heeft gegeven, dan heeft hij gehandeld uit noodweer. Ook voor de klap tegen de lip van aangeefster ontbreekt deugdelijk steunbewijs en voor trappen tegen haar onderbeen is helemaal geen wettig bewijs.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Inleiding
Verdachte en aangeefster hadden in het verleden een liefdesrelatie met elkaar. Op 14 september 2021 heeft verdachte aangeefster met een mes in haar been gestoken, waardoor een slagaderlijke bloeding is ontstaan. Voor deze poging tot doodslag is verdachte bij vonnis van 29 november 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en is aan hem een contactverbod met aangeefster voor de duur van vijf jaar opgelegd (ECLI:NL:RBZWB:2022:7129). Daarnaast is in dat vonnis bepaald dat verdachte aangeefster een schadevergoeding van € 8.155,67 moet betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Tijdens de detentie of in elk geval tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte is er weer contact ontstaan tussen hem en aangeefster. In eerste instantie verliep dat contact digitaal en vanaf oktober 2023 spraken zij ook fysiek met elkaar af, vaak in hotels. Ook van 15 tot en met 17 februari 2024 verbleven zij samen in een hotel in Rotterdam . Gedurende dit laatstgenoemde verblijf onderhield verdachte via Snapchat contact met zijn vriend [persoon 1] en met ene ‘ [persoon 2] ’. Snapchatberichten die door hen zijn uitgewisseld, zijn aangetroffen op de telefoon van verdachte. Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 106 (hierna: p-v 106) bevat een weergave van die berichten.
Feit 1: afpersing
Niet ter discussie staat dat verdachte geldbedragen van aangeefster heeft ontvangen en dat hij – in het bijzijn van aangeefster – met de pinpas van aangeefster geld van haar bankrekening heeft opgenomen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of aangeefster vrijwillig haar pinpas, pincode en de geldbedragen heeft afgegeven of dat zij hiertoe door verdachte (onder bedreiging) met geweld is gedwongen. De rechtbank oordeelt op basis van de bewijsmiddelen, dat geen sprake is van vrijwilligheid maar van dwang door bedreiging met geweld en motiveert dit als volgt.
Uit zowel de verklaring van aangeefster als die van verdachte volgt dat aangeefster op enig moment weer liefdesgevoelens voor verdachte kreeg. Verdachte wist dit. Hij verklaart dat hij het lastig vond dat zij met elkaar omgingen, terwijl hij via het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) nog de schadevergoeding van de veroordeling uit 2021 betaalde. Hij stelde aangeefster daarom voor om het reeds door hem betaalde bedrag aan schadevergoeding aan hem terug te betalen, anders zou hij het contact verbreken. Aangeefster voor deze keuze stellen, wetende dat zij weer liefdesgevoelens voor hem had gekregen, merkt de rechtbank aan als het uitoefenen van psychische druk.
Aangeefster verklaart ook dat verdachte op verschillende momenten en manieren dreigde om haar of haar familie iets aan te doen als zij hem niet betaalde, waarbij hij ook meermaals refereerde aan het steekincident in 2021. Uit Snapchatberichten volgt dat verdachte richting [persoon 1] en ‘ [persoon 2] ’ in niet mis te verstane bewoordingen beschrijft dat hij aangeefster dwingt om geld af te geven, dat zij die situatie zichtbaar lijdend ondergaat en dat er gewonden zouden vallen als hij een wapen bij zich had of als aangeefster niet betaalt. In de bewijsmiddelen is p-v 106 integraal opgenomen. De rechtbank stelt hier vast dat uit de tekst en de toon van de Snapchatberichten valt op te maken dat verdachte al € 5000,- had ontvangen (“5 koppe getrokke”) en nog € 3000,- wil ontvangen. Voorts zal hij aangeefster, die niet wil betalen (“dokken”), niet laten gaan zolang ze niet betaalt. Als aangeefster niet gaat betalen dan gaan er gewonden vallen.
De telefoon van verdachte was nog niet uitgelezen en p-v 106 was dus ook nog niet opgesteld, laat staan bekend bij aangeefster, toen zij haar verklaringen aflegde. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster over de bedreigingen daarom betrouwbaar. De algemene verklaring van verdachte tijdens de zitting van 3 maart 2026, dat al deze berichten slechts grootspraak en niet gemeend waren, acht de rechtbank mede in het licht van het steekincident in 2021 ongeloofwaardig. Bovendien communiceerde verdachte op soortgelijke wijze richting aangeefster, zo volgt uit Snapchatberichten die hij haar stuurde: “Je hoort al dood te zijn”, “Ik doe nog kk rustig met je” en “Kijk wat gebeurd als k je 12 niet zie”.
De lichaamshouding en gezichtsuitdrukking van aangeefster op de camerabeelden van de pintransacties op 15 februari 2024, zoals beschreven ter zitting, sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat bij aangeefster geenszins sprake was van vrijwilligheid bij het pinnen en afgeven aan verdachte van geld. Verdachte zelf verklaarde hierover tijdens de zitting van
5 december 2025 dat hij merkte dat aangeefster op die dag bij de geldautomaat wat afwezig deed en een beetje afwachtend bleef staan, dat hij toen het voortouw nam, zei “Ik doe het wel” en het geld opnam. Ook de list die aangeefster aanwendde sterkt de rechtbank in haar overtuiging. Aangeefster verzon en zei tegen verdachte dat zij bij haar thuis in [plaats] nog geld had en dat ze dat daar konden ophalen als haar vader niet thuis was. Intussen heeft zij via berichten per telefoon haar vader van de situatie op de hoogte gesteld en om hulp gevraagd. Vader heeft de politie ingeschakeld en toen verdachte met aangeefster op 17 februari 2024 in [plaats] op het station aankwam, is hij aangehouden.
Dat aangeefster in eerste instantie wel meewerkte om verdachte geld te betalen, maar hier later op terugkwam, dat zij zelf met het openbaar vervoer naar verdachte reisde en dat het seksueel contact tussen haar en verdachte wel telkens vrijwillig plaatsvond, is wellicht opmerkelijk te noemen, maar betekent niet dat zij uiteindelijk ook daadwerkelijk vrijwillig tot afgifte van haar pinpas, pincode en geldbedragen overging. Integendeel, ook voor verdachte was het overduidelijk dat aangeefster hem niet wilde betalen, zo blijkt uit de beelden van het pinnen als hiervoor al benoemd en uit de Snapchatberichten die hij naar [persoon 1] en ‘ [persoon 2] ’ stuurde. De rechtbank stelt vast dat aangeefster weer verliefd was geworden op verdachte en dat dit, in combinatie met alle in de tenlastegelegde woordelijke bedreigingen, haar in een positie heeft gebracht waarin het zo goed als onmogelijk is om weerstand tegen verdachte te bieden.
Wat betreft de hoogte van de door aangeefster afgegeven geldbedragen komt uit de gegevens van haar bankrekening naar voren dat er op 1 december 2023 een bedrag van € 1.000,- van haar bankrekening is opgenomen, op 30 december 2023 nogmaals € 1.000,- en op 15 februari 2024 vijf keer € 1.000,-. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte elk van deze bedragen, dus in totaal € 7.000,-, al had ontvangen. Uit p-v 106 volgt namelijk dat verdachte op 16 februari 2024 naar [persoon 1] stuurt: “Gister 5 getrokken dus in totaal 7, dus nu nog 3”. De verklaring van verdachte tijdens de zitting van 3 maart 2026, dat hij met dit bericht aan [persoon 1] heeft bedoeld dat er in totaal € 7.000,- was gepind, maar dat hij daarvan slechts de op 15 februari 2024 opgenomen € 5.000,- had ontvangen, schuift de rechtbank als volstrekt ongeloofwaardig terzijde
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van aangeefster op de wijze zoals onder feit
1. ten laste is gelegd.
Feit 2: wederrechtelijke vrijheidsberoving
Zoals eerder vastgesteld verbleven verdachte en aangeefster van 15 tot en met 17 februari 2024 samen in een hotel in Rotterdam , waarna zij met de trein van Rotterdam naar [plaats] zijn afgereisd.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster zelf op 15 februari 2024 met het openbaar vervoer naar verdachte in Rotterdam reisde en dat verdachte vervolgens tijdens hun verblijf aldaar op een aantal momenten fysiek niet in de directe nabijheid van aangeefster was, zoals bij het door haar inchecken in het hotel of op het toilet in een Surinaamse eetwinkel. Ook stelt de rechtbank vast dat de deur van de hotelkamer waar zij verbleven van binnenuit te openen was zonder pasje of sleutel en dat aangeefster, in elk geval op verschillende momenten, de beschikking had over haar eigen telefoon. Deze omstandigheden betekenen naar het oordeel van de rechtbank echter niet per definitie dat aangeefster zich ook vrij voelde om te gaan en staan waar zij wilde en evenmin dat haar die mogelijkheid door verdachte ook daadwerkelijk werd geboden.
Dat aangeefster tijdens het verblijf in Rotterdam niet weg durfde, volgt uit haar eigen verklaring, maar ook uit de telefoonberichten die zij op dat moment stuurde naar haar vader en zus. Naar haar vader stuurde aangeefster op 16 februari 2024 dat het om een noodgeval ging, dat hij niet mocht reageren op haar bericht en dat niemand met haar contact mocht opnemen. Zij droeg haar vader op te regelen dat er politie bij hun huis zou staan als zij met verdachte daar zogenaamd het geld ging ophalen. Ook met haar zus durfde aangeefster via WhatsApp kennelijk niet open te communiceren. Op 17 februari 2024 stuurde zij haar: “jij moet doen alsof je mama bent”, “via whatsapp” en “niet terugreageren hierop”.
Daarnaast blijkt uit p-v 106 dat verdachte aangeefster niet liet gaan, zolang zij het resterende geld niet aan hem betaalde. Zoals hiervoor bij feit 1 al is weergegeven, laat verdachte dit meermaals en ondubbelzinnig aan [persoon 1] en ‘ [persoon 2] ’ weten. Uit deze berichten blijkt zijn intentie klip en klaar.
Uiteindelijk verzint aangeefster dus de list, dat er bij haar thuis in [plaats] geld ligt en reizen verdachte en aangeefster samen met de trein van station Rotterdam Centraal naar station [plaats] . De camerabeelden van beide stations tonen dat verdachte, al dan niet op enige afstand, met aangeefster meeliep en haar in de gaten hield. De Snapchatberichten die verdachte tijdens deze reis naar zijn vriend [persoon 1] stuurde, bevestigen bovendien dat verdachte niet van plan was om aangeefster alleen te laten. Uit p-v 106 volgt dat hij onder meer stuurde: “Ik ben met haar. (…) Want als ik solo stuur kom ze nooit meer terug (…).” en “Ja bro, ik ga mee broer voordat die beleid via de tuin vlucht. En jij blijft spits uitkijkt.”
Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van een situatie waarbij aangeefster door het gedrag en de uitlatingen van verdachte niet in staat was om zich in het hotel alsmede tijdens de reis naar [plaats] vrij te bewegen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd op de wijze zoals onder 4.4 wordt omschreven.
Feit 3: mishandeling
Aangeefster verklaart over het incident met haar neus dat zij in november 2023 samen met verdachte in een [hotel] in Rotterdam verbleef, dat zij wilde gaan slapen, dat verdachte haar bleef aantikken, dat zij verdachte terug tikte tegen zijn nek en dat verdachte haar vervolgens tegen haar neus sloeg. De setting waarin dit volgens aangeefster plaatsvond, wordt deels bevestigd door de verklaring die verdachte zelf tijdens de zitting van
5 december 2025 heeft afgelegd. Hij verklaart dat hij samen met aangeefster de nacht van
2 op 3 november 2023 doorbracht in een hotel en dat ‘het elkaar klieren’ mogelijk is gebeurd, maar dat hij zich dit niet goed kan herinneren. Daarnaast wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door andere bewijsmiddelen. Aangeefster stuurt in een chatgesprek met haar vriendin ‘ [persoon 3] ’, waarin het gaat over haar omgang met verdachte, op 4 november 2023 om 00.17 uur de tekst: “hij heeft me geslagen ook”. Daarnaast verklaart een andere vriendin van aangeefster, genaamd [persoon 4] , dat verdachte aangeefster in november 2023 heeft geslagen toen zij aan het spelen was met hem, dat hij geïrriteerd raakte en haar toen een klap gaf.
Over het incident met haar lip verklaart aangeefster, dat verdachte haar op 18 januari 2024 op een station in Rotterdam met de hand waarin hij haar telefoon vast had een bloedlip heeft geslagen. Ook deze verklaring van aangeefster staat niet op zichzelf. Aangeefster heeft foto’s overgelegd, waarop zij is te zien met een ingescheurde en opgezwolle onderlip. Deze foto’s zijn op 18 januari 2024 gemaakt of verzonden via Snapchat. Daarnaast verklaart [persoon 4] dat aangeefster haar in januari 2024 belde nadat zij door verdachte was geslagen, dat aangeefster naar haar toe kwam en dat zij vervolgens zag dat de lip van aangeefster helemaal gebarsten was.
Gelet op de verklaring van aangeefster en de voornoemde ondersteunende bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft mishandeld door haar in de nacht van 2 op 3 november 2023 tegen haar neus en op 18 januari 2024 tegen haar lip te slaan. Anders dan de verdediging stelt, is op geen enkele wijze gebleken dat verdachte in de nacht van 2 op 3 november 2023 heeft gehandeld uit noodweer.
De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van het door verdachte tegen het onderbeen van aangeefster schoppen. De enkele verklaring hierover van aangeefster en de door haar overgelegde foto waarop een blauwe plek op een onderbeen is te zien, is onvoldoende om te concluderen dat verdachte verantwoordelijk is voor dit letsel. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die de verklaring van aangeefster op dit punt ondersteunen. Verdachte wordt van dit onderdeel vrijgesproken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 1 november 2023 tot en met 15 februari 2024 te Rotterdam meermaals met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangeefster] heeft gedwongen tot de afgifte van haar pinpas en pincode en meerdere geldbedragen (te weten in totaal € 7000,-) die aan [aangeefster] toebehoorden, door voornoemde [aangeefster] toe te voegen:
- “ Ik weet dat je het geld hebt, of er gaat iets met jou gebeuren of met jouw familie” en
- “ Je weet wat er met jou kan gebeuren, dit keer bel ik geen ambulance en steek ik je niet één keer maar 10 keer neer. Als jij het niet doet gaat je vader er wel voor boeten” en
- “ Ik kan ervoor zorgen dat jij door Bijlmer negers wordt verkracht, je verdient het om verkracht te worden door zoveel mogelijk mannen” en
- “ Ik ga je vaker dan één keer neersteken en ik ga je achterlaten” en
- “ Als je dat nou niet doet ga ik dit keer geen ambulance bellen”
althans woorden van die aard en strekking en
- middels Snapchatberichten met daarin de tekst “Je hoort al dood te zijn” en “Ik doe nog kk rustig met je” en “Kijk wat er gebeurd als k je 12 niet zie”;
2
op 15 februari 2024 tot en met 17 februari 2024 te Rotterdam en [plaats] opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door
- haar in een hotelkamer te houden en
- wanneer voornoemde [aangeefster] en hij, verdachte, het hotel verlieten met voornoemde [aangeefster] mee te lopen en
- op het moment dat voornoemde [aangeefster] aangaf dat zij frisse lucht wilde gaan halen haar toe te voegen “Wat gaan we doen?” en “Je moet weer terug gaan zitten, je hebt al frisse lucht gehad”, althans woorden van die aard en strekking;
3
in de periode van 2 november 2023 tot en met 18 januari 2024 te Rotterdam [aangeefster] meermaals heeft mishandeld door
- haar tegen de neus te slaan en
- haar (met een telefoon) tegen de lip te slaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
De strafbaarheid van de feiten
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is zes weken ter observatie opgenomen in het Pieter Baan Centrum (PBC). Hij heeft daar geweigerd mee te werken aan onderzoek. In de pro Justitia rapportage van 1 september 2025 schrijven de onderzoekers van het PBC dat zij eventuele psychopathologie bij verdachte onvoldoende hebben kunnen onderzoeken en dat in het geheel onduidelijk is gebleven wat er zich in zijn belevingswereld voor, tijdens en na de tenlastegelegde feiten heeft afgespeeld. Zij onthouden zich daarom van uitspraken over de mate van toerekening van de ten laste gelegde feiten aan verdachte.
Omdat het dossier geen concrete aanwijzingen bevat voor eventuele verminderde toerekeningsvatbaarheid en ook anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met betrekking tot aangeefster en een locatieverbod rondom de woning van aangeefster. Ook vordert de officier van justitie de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: GVM).
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert geen strafmaatverweer.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling meermalen gepleegd. Al deze strafbare feiten zijn gericht tegen aangeefster, zijn voormalige vriendin, die hij eerder al eens met een mes heeft gestoken en voor welke poging tot doodslag hij tot drie jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Verdachte heeft klaarblijkelijk niet geleerd van deze eerdere veroordeling, aangezien hij al kort na zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling en in strijd met het opgelegde contactverbod wederom strafbaar heeft gehandeld jegens aangeefster. Dit handelen laat zien dat verdachte maling heeft aan regels of gezag en getuigt bovenal van een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en de eigendommen van anderen, in dit geval aangeefster. Extra kwalijk en van ongekende brutaliteit acht de rechtbank het motief van verdachte voor de afpersing en de wederrechtelijke vrijheidsberoving: het terugkrijgen van het schadebedrag dat hij aangeefster vanwege het steekincident in 2021 moest betalen. Een geldbedrag dat in zijn optiek ‘van hem was’ en waarover hij bovendien een paar duizend euro ‘rente’ meende te moeten of kunnen rekenen. Uit de wijze waarop verdachte daarbij heeft gespeeld met de liefdesgevoelens van aangeefster, bedreigingen jegens haar heeft geuit en over haar spreekt met [persoon 1] en ‘ [persoon 2] ’, blijkt dat hij zich uiterst kil, berekenend en gewetenloos heeft gedragen. De rechtbank acht deze houding heel zorgelijk en vreest, als verdachte hierin niet verandert, voor de toekomst. Duidelijk is dat uitsluitend zijn eigen belang en financiële gewin vooropstonden.
Pas voor het eerst tijdens de zitting van 5 december 2025, meer dan 21 maanden na zijn aanhouding, heeft verdachte over de ten laste gelegde feiten een verklaring afgelegd. Hij neemt vervolgens daarin geen verantwoordelijkheid voor zijn strafbare handelen, toont geen empathie richting aangeefster en geeft er in het geheel geen blijk van dat hij inziet dat dergelijk gedrag absoluut ontoelaatbaar is en ernstig leed veroorzaakt.
De persoon van de verdachte
Op het strafblad van verdachte staat de eerder genoemde poging tot doodslag, met aangeefster als slachtoffer. Er is voor wat betreft geweldsmisdrijven dus sprake van recidive, waar in strafverzwarende zin rekening mee wordt gehouden.
Ook slaat de rechtbank acht op de eerder genoemde pro Justitia rapportage van het PBC en op het reclasseringsadvies van 1 december 2025. Uit dit reclasseringsadvies volgt dat het niet mogelijk is om een resocialiseringsplan met passende (behandel)interventies op te stellen, omdat het voor de reclassering onduidelijk is gebleven welke problematiek behandeld dient worden om het risico op (gewelds)recidive duurzaam terug te brengen. Door de beperkte medewerking van verdachte ontbreekt het aan een gedegen delictanalyse, waardoor inzicht in het delinquente gedrag, de aanwezigheid van eventuele onderliggende motieven en de criminogene en de risicofactoren beperkt blijft. Daarnaast is de diagnostiek onduidelijk gebleven, heeft de reclassering geen compleet en helder beeld van het psychosociaal functioneren van verdachte en is het onduidelijk of een forensisch behandel- en begeleidingstraject geïndiceerd is. Wel ziet de reclassering een opeenstapeling van problemen en een gebrek aan beschermende factoren. Verdachte lijkt zich bewust te zijn van wat goed en van wat fout is, maar maakt desondanks antisociale en criminele keuzes. Hij handelt vanuit eigen belang, houdt geen rekening met de consequenties van zijn handelen, heeft een afwijzende houding ten aanzien van regels en wetten en kan zich niet conformeren aan sociale en wettelijke normen. De ernst van de ten laste gelegde feiten, de zorgelijke signalen, het ontbreken van essentiële informatie en de justitiële voorgeschiedenis van verdachte, baren de reclassering ernstig zorgen. Naar verwachting zal een intensief, langdurend behandel- en begeleidingstraject nodig zijn voor het duurzaam terugbrengen van het recidiverisico. Primair om het ziekte-inzicht en de behandelresponsiviteit te vergroten en secundair om binnen een veilige en stabiele context te kunnen toetsen of verdachte profiteert van de ingezette interventies, om vervolgens zijn resocialisatie verder gestalte te kunnen geven. De bescherming van de maatschappij staat centraal en de reclassering acht het niet verantwoord dat verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij. De reclassering adviseert daarom om verdachte bij een veroordeling een GVM op te leggen.
Het toe te passen sanctierecht
Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was verdachte twintig jaar oud. Bij deze leeftijd geldt als uitgangspunt dat het volwassenenstrafrecht van toepassing is. Het PBC en de reclassering hebben zich vanwege het gebrek aan informatie onthouden van een advies over het toe te passen sanctierecht. Nu het dossier geen indicaties bevat voor toepassing van het jeugdstrafrecht, past de rechtbank in het geval van verdachte – conform het uitgangspunt –het volwassenenstrafrecht toe.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank legt verdachte daarom een gevangenisstraf op voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de periode die hij in voorarrest heeft gezeten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De op te leggen maatregelen
Evenals de reclassering is de rechtbank ernstig bezorgd over de terugkeer van verdachte in de samenleving zonder adequate behandeling en begeleiding. Vanwege de hierboven beschreven houding van verdachte en doordat er door zijn weigerachtige opstelling geen diagnostiek is uitgevoerd, is het immers nog volstrekt onduidelijk hoe voorkomen kan worden dat hij in de toekomst weer de fout in gaat.
Ter beperking van het recidiverisico acht de rechtbank het van belang dat verdachte na afloop van zijn detentieperiode onder langdurig toezicht komt te staan, zodat dreigende recidive snel kan worden gesignaleerd en hem alsnog de essentiële behandeling en begeleiding kan worden geboden om een stabiel en delictvrij leven te kunnen leiden. Oplegging van de GVM is daarvoor in dit geval een noodzakelijk en geschikt middel. Ook aan de overige wettelijke vereisten voor oplegging van de GVM is voldaan. Verdachte wordt namelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
Naast de GVM legt de rechtbank op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid. De maatregel houdt in een verbod om contact op te nemen, te zoeken of te hebben met aangeefster en een verbod om zich in de stad [plaats] , de huidige woonplaats van aangeefster, te begeven, met uitzondering van doorgaand treinverkeer (zonder uit- of overstappen) door deze stad. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel voor de maximale duur van vijf jaar noodzakelijk en proportioneel, gelet op de hiervoor beschreven zorgen over de terugkeer van verdachte in de samenleving, in het bijzonder met betrekking tot aangeefster. Voor elke keer dat verdachte zich niet aan deze maatregel houdt, wordt hem twee weken vervangende hechtenis opgelegd, met een maximum van zes maanden.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 10.050,-, bestaande uit € 2.050,- aan materiële schade als gevolg van feit 1 en € 8.000,- aan immateriële schade als gevolg van de feiten 1, 2 en 3. De benadeelde partij verzoekt de rechtbank om dit bedrag aan schadevergoeding toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank geheel toewijsbaar. Verdachte heeft met het bewezenverklaarde feit 1 (afpersing) in totaal een bedrag van € 7.000,- verkregen dat aan de benadeelde partij toebehoorde. Van dit bedrag heeft de benadeelde partij reeds € 4.950,- terug ontvangen, nadat dit bedrag bij verdachte in beslag is genomen tijdens zijn aanhouding. Het resterende bedrag van € 2.050,- komt voor vergoeding in aanmerking, nu dit schade betreft die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit 1.
De rechtbank zal het toe te wijzen materiële schadebedrag van € 2.050,- vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2024 tot aan de dag der voldoening. Anders dan door de benadeelde partij is gevorderd, wordt uit praktische overwegingen gekozen voor één aanvangsdatum van de wettelijke rente, namelijk de datum waarop in het kader van de afpersing voor het laatst geldbedragen zijn opgenomen.
De benadeelde partij komt daarnaast in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade. De aard en de ernst van de normschendingen waarmee zij is geconfronteerd, brengen mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor haar zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in eer of goede naam, als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Er is immers gedurende langere tijd sprake geweest van druk en bedreigingen vanuit verdachte en daarnaast is er een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij gemaakt. Dit in combinatie met het steekincident uit 2021 maakt het aannemelijk dat de bewezenverklaarde feiten een behoorlijke impact hebben op de benadeelde partij. Deze impact wordt onderschreven door de slachtofferverklaring die tijdens de zitting op 5 december 2025 is voorgedragen. Gelet op alle omstandigheden, de zogeheten Rotterdamse Schaal en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade billijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank zal het toe te wijzen immateriële schadebedrag van € 6.000,- vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2024 tot aan de dag der voldoening.
De rechtbank wijst het overige gedeelte van de vordering van immateriële schade af.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 38v, 38w, 38z, 57, 282, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: afpersing, meermalen gepleegd;
feit 2: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;
feit 3: mishandeling, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedag 2] 2005;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van vijf jaren zich niet zal ophouden in de stad [plaats] , met uitzondering van doorgaand treinverkeer door deze stad;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
Benadeelde partij (ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 8.050,-, waarvan € 2.050,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
15 februari 2024 tot aan de dag der voldoening, en € 6.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangeefster] , € 8.050,- te betalen, waarvan € 2.050, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2024 tot aan de dag der voldoening, en € 6.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 65 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter, en mr. M.E.I. Beudeker en mr. D.H. Hamburger, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
Hij in de periode van 1 november 2023 tot en met 15 februari 2024 te Rotterdam
althans in Nederland
meermaals althans eenmaal
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[aangeefster] heeft gedwongen tot de afgifte van haar pinpas en/of pincode en/of een
of meerdere geldbedragen (te weten in totaal €7000,-) in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan die [aangeefster] en/of een derde toebehoorde(n), door
voornoemde [aangeefster] toe te voegen:
- “ Ik weet dat je het geld hebt, of er gaat iets met jou gebeuren of met jouw familie”
en/of
- “ Je weet wat er met jou kan gebeuren, dit keer bel ik geen ambulance en steek ik je
niet één keer maar 10 keer neer. Als jij het niet doet gaat je vader er wel voor boeten”
en/of
- “ Ik kan ervoor zorgen dat jij door Bijlmer negers wordt verkracht, je verdient het
om verkracht te worden door zoveel mogelijk mannen” en/of
- “ Ik ga je vaker dan één keer neersteken en ik ga je achterlaten” en/of
- “ Als je dat nou niet doet ga ik dit keer geen ambulance bellen”
althans telkens woorden van die aard en/of strekking en/of
- ( middels snapchat) berichten met daarin de tekst “Je hoort al dood te zijn’ en/of
‘Ik doe nog kk rustig met je’ en/of ‘Kijk wat er gebeurd als k je 12 niet zie”;
( art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
Hij op of omstreeks 15 februari 2024 tot en met 17 februari 2024 te Rotterdam en/of
[plaats] althans in Nederland
opzettelijk [aangeefster] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd
gehouden, door
- haar in een hotelkamer te houden en/of de deur van die hotelkamer op slot te
doen/te houden en/of
- wanneer voornoemde [aangeefster] en hij, verdachte, het hotel verlieten voortdurend met
voornoemde [aangeefster] mee en/of naast haar te lopen en/of haar te volgen en/of
- de telefoon van voornoemde [aangeefster] van haar af te pakken en/of onder zich te
houden en/of
- op het moment dat voornoemde [aangeefster] aangaf dat zij frisse lucht wilde gaan halen
haar toe te voegen ‘Wat gaan we doen?’ en/of ‘Je moet weer terug gaan zitten, je
hebt al frisse lucht gehad’ althans woorden van die aard en/of strekking;
( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3
Hij in de periode van 2 november 2023 tot en met 18 januari 2024
te Rotterdam en/of [plaats] althans in Nederland
[aangeefster] meermaals althans eenmaal heeft mishandeld door
- haar tegen de neus althans het gezicht te slaan en/of
- haar (met een telefoon) tegen de lip althans het gezicht te slaan en/of
- haar tegen het onderbeen althans het lichaam te schoppen en/of te trappen;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )