Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-142456-25
Vonnis (vul parketnummer in)van de meervoudige kamer van 18 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie]
raadsman mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 06 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Het onderzoek is gesloten op 4 maart 2026.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en vervolgens overeenkomstig artikel 313 Sv. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: in de periode van 24 januari 2025 tot en met 9 mei 2025 samen met anderen cocaïne heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad;
feit 2: in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 9 mei 2025 samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd gericht op het uitvoeren, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het vervaardigen van cocaïne;
feit 3: op 18 februari 2025 samen met anderen cocaïne heeft ingevoerd.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte in de gehele ten laste gelegde periode hoeveelheden cocaïne heeft vervoerd, verwerkt, verstrekt, verkocht en afgeleverd.
Ook kan naar de mening van de officier van justitie worden bewezen dat verdachte voorbereidingshandelingen heeft getroffen om cocaïne in te voeren en te vervoeren, zoals onder feit 2 is ten laste gelegd.
Voorts wordt feit 3, de invoer van cocaïne, wettig en overtuigend bewezen geacht.
De officier van justitie stelt dat er bij alle feiten sprake is van medeplegen, ook is gedeeltelijk sprake van eendaadse samenloop.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van de drie ten laste gelegde feiten kan komen, mede omdat verdachte hierover bij de politie en ter zitting uitgebreide bekennende verklaringen heeft afgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op basis van de opgenomen bewijsmiddelen, in het bijzonder gelet op de bekennende verklaringen van verdachte, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend worden bewezen. Tevens is zij met de officier van justitie van oordeel dat er telkens sprake is van medeplegen. Er is sprake van eendaadse samenloop tussen de feiten 1, 2 en 3 voor zover de voorbereidingshandelingen (feit 2) zien op de in de feiten 1 en 3 bewezenverklaarde hoeveelheden cocaïne die zijn vervoerd, verkocht en ingevoerd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1:
op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 9 mei 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
en
op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 9 mei 2025 te [woonplaats], alleen,
telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2:
in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 9 mei 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, en
het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne, een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- voorwerpen en een vervoermiddel voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en
zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
- een voertuig,
- telefoons,
- sealbags,
- een vacumeerapparaat;
- vliegtickets naar en van Colombia;
feit 3:
op 18 februari 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 jaar met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel niet hoger is dan de duur van de voorlopige hechtenis. Het voorwaardelijk deel kan zeer groot zijn, om als waarschuwing en stok achter de deur te dienen. Daarnaast kan volgens de raadsman eventueel een (forse) taakstraf worden opgelegd. Hij heeft gevraagd rekening te houden met de psychische problematiek van verdachte, zijn proceshouding, zijn rol en het motief dat hij heeft gehad om de strafbare feiten te plegen.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen gedurende ruim negen maanden bezig gehouden met de distributie van grote hoeveelheden cocaïne en de voorbereidingen hiervoor. Hij leverde herhaaldelijk blokken cocaïne af op verschillende plaatsen in Nederland. Zo ook op 22 april 2025 en 9 mei 2025 bij een loods in Erp , waar de in totaal 56 blokken vervolgens door vrachtwagenchauffeurs in een verborgen ruimte achter de kingpin-koppeling van een koeltrailer werden verstopt voor de export naar Zweden. Van 3 februari 2025 tot 15 februari 2025 was verdachte in Colombia om onder meer blokken cocaïne te tellen en te testen. Kort na zijn terugkeer uit Colombia, op 18 februari 2025, haalde verdachte in Zaventem (België) 15 tot 20 blokken cocaïne op, die hij naar Nederland overbracht. Het vervoer van de blokken door verdachte gebeurde in een auto die hij speciaal met dat doel had aangeschaft en waarin op professionele wijze een geheime ruimte was ingebouwd. Verdachte zorgde er ook voor dat de blokken die werden getransporteerd van te voren werden gevacumeerd. Hij had daarvoor een vacumeermachine en sealbags in zijn woning.
Verder heeft verdachte gebruikershoeveelheden cocaïne verkocht.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een leidinggevende rol van verdachte, maar wel dat hij een onmisbare uitvoerende rol heeft vervuld bij de drugstransporten, ook internationaal. Kennelijk werd hij door degenen die hem aanstuurden zodanig vertrouwd dat hem werd toevertrouwd om in Colombia de cocaïne te keuren. Verdachte heeft met zijn handelingen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. De handel in harddrugs gaat vaak gepaard met andere vormen van (ondermijnende) criminaliteit, zoals geweld, corruptie en witwaspraktijken. Alles lijkt voor de criminele organisaties geoorloofd om de gigantische financiële belangen in de drugshandel te beschermen.
Het gebruik van cocaïne gaat bovendien vaak gepaard met gezondheidsklachten, waarbij verslaving op de loer ligt. Verslaafden belanden veelvuldig in een vicieuze cirkel van lichamelijke, psychische en sociale problemen waar zij niet uit kunnen komen. Het komt daarnaast veel voor dat verslaafden vermogensdelicten plegen om hun drugsgebruik te bekostigen en ander crimineel gedrag vertonen waardoor zij ook anderen schade en overlast toebrengen.
Door zich in te laten met genoemde misdadige praktijken heeft verdachte onvoldoende stil gestaan bij de negatieve effecten voor anderen en voor de maatschappij. De rechtbank weegt mee dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven en de tenlastegelegde strafbare feiten heeft bekend. Zij heeft echter niet de indruk gekregen dat hij de ernst van de door hem gepleegde feiten voldoende inziet. Te meer, nu is gebleken dat hij ook in detentie via via nog contact heeft onderhouden met de mensen met wie hij samenwerkte in het criminele milieu.
De persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 25 september 2025, waarin wordt vermeld dat er bij verdachte risicofactoren bestaan op het gebied van financiën, sociaal netwerk en mogelijk psychosociaal functioneren en houding. Als positieve aspecten worden onder meer genoemd dat verdachte een goede band heeft met zijn kinderen, onder bewind staat en is behandeld door een psycholoog.
De rechtbank houdt voorts rekening met de (overige) persoonlijke omstandigheden van verdachte die tijdens de zitting door de verdediging naar voren zijn gebracht.
Uit zijn justitiële documentatie blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld ter zake van drugsdelicten.
De strafoplegging
Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie is. Zij heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De mate van professionaliteit en georganiseerdheid bij de bewezenverklaarde feiten merkt de rechtbank aan als strafverhogende omstandigheid. Daarentegen heeft zijn open proceshouding een strafmatigend effect. Voorts houdt de rechtbank rekening met de eendaadse samenloop tussen de feiten.
Omdat verdachte zich langduriger, frequenter en intensiever heeft ingelaten met de drugshandel dan de medeverdachten -de vrachtwagenchauffeurs-, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een hogere straf dient te worden opgelegd dan aan de medeverdachten.
Mede gelet op de straffen in zaken van verdachten met een gelijksoortig aandeel in drugssmokkel en dealersactiviteiten, komt de rechtbank op een lagere straf uit dan door de officier van justitie is gevorderd.
Verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 60 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Het beslag
De verbeurdverklaring
De volgende in beslag genomen voorwerpen worden verbeurd verklaard:
de vacumeermachine, de personenauto, de telefoon en de sealbags.
De voorwerpen zijn onder verdachte in beslag genomen en zijn gebruikt bij het begaan van de bewezenverklaarde feiten.
De teruggave
Het in beslag genomen horloge en de dozen van een tweetal horloges worden niet teruggegeven, omdat dit (illegale) nagemaakte merkartikelen betreft. De voorwerpen worden volgens de officier van justitie om die reden vernietigd. Er wordt wel een last gegeven tot teruggave van de waarde van deze voorwerpen.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 55, en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de eendaadse samenloop van
feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
en
feit 2:
medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
en
feit 3:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:
* de vacumeermachine, goednummer 2860819;
* de personenauto Honda Jazz, [kenteken] , goednummer 855213;
* de mobiele telefoon OPPO, goednummer 855179;
* de sealbags, goednummer 855182;
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen groene nep “Rolex” en dozen van Rolex met een certificaat, goednummers 855176, 855177 en 855178.
Deze voorwerpen staan niet in verband met enig ten laste gelegd strafbaar feit. Evenmin kunnen de voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke delicten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan (art. 36d Sr).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.M. Collombon, voorzitter, mr. G.M.J. Kok en
mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A.C.M. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 maart 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 januari
2025 tot en met 9 mei 2025 te Erp en/of [woonplaats] en/of Vlissingen, en/of
elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of
verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
één of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een
hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans
(telkens) één of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een stof als bedoeld
in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens
het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1
Wetboek van Strafrecht )
2
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1
augustus 2024 tot en met 9 mei 2025 te Erp en/of [woonplaats] en/of
Vlissingen, en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om
een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland
brengen, en/of
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,
afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of
- het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, in elk geval een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of
zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat
zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten een of meer
- voertuig(en),
- oplegger(s)/aanhangwagen(s),
- navigatiesyste(e)m(en),
- telefoon(s),
- GPS-tracker(s),
- sealbag(s),
- vacumeerappara(a)t(en),
- geldbedrag(en) en/of creditcard(s)/betaalpas(sen),
- vliegticket(s) naar en van Colombia;
3
hij op of omstreeks 18 februari 2025 te [woonplaats] en/of Erp , gemeente Meierijstad, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4 van de Opiumwet, één of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1
Wetboek van Strafrecht )