Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-228915-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
wonende te [adres] ,
raadsvrouw mr. L.V. Romme, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 03 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. H.E. de Haze en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair vrijspraak omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de goederen voorhanden heeft gehad. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat verdachte feitelijke zeggenschap over de goederen had.
Subsidiair moet verdachte worden vrijgesproken omdat hij niet wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de goederen die hij uit de auto aan het uitladen was van een misdrijf afkomstig waren.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 28 augustus 2025 schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.
Op 28 augustus 2025 was verdachte bezig een wit laken met daarin veel verpakkingen met rookwaren uit een auto te halen en naar een woning van een vriend te brengen. Hij deed dit samen met die vriend. De vriend heeft bekend die rookwaren eerder die dag te hebben gestolen. Deze rookwaren waren dus van een misdrijf afkomstig.
De vraag is of verdachte de rookwaren voorhanden had en of hij wist dat de rookwaren waren gestolen of dat hij dat redelijkerwijze kon weten. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] blijkt dat, op het moment dat de politie verdachte en zijn vriend aantroffen, zij voorovergebogen stonden bij het opengescheurde laken en dat zij beiden handelingen boven dit laken verrichtten. De verdachte heeft daarmee de rookwaren voorhanden gehad. Dit in combinatie met het feit dat [verbalisant] beschrijft dat er tientallen sloffen sigaretten in de brandgang lagen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte heeft gezien dat er veel rookwaren in dat witte laken zaten. Naar het oordeel van de rechtbank wist verdachte ook dat deze rookwaren van diefstal afkomstig waren. Dit leidt de rechtbank af uit het feit dat de rookwaren in een laken waren verpakt, dat het geen gebruikershoeveelheid betrof en dat hij zijn vriend kent en weet dat die geen sigaretten in een winkel verkoopt.
Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 28 augustus 2025 rookwaren voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze van een misdrijf afkomstig waren.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 28 augustus 2025 te Oosterhout rookwaren voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 16 weken, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om bij de strafbepaling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zal ervoor zorgen dat verdachte alleen maar meer in de problemen komt. Verdachte heeft namelijk al problemen op verschillende leefgebieden en het gaat ook niet goed met zijn lichamelijke en psychische gesteldheid. Gelet hierop wordt ook verzocht om aan verdachte geen taakstraf op te leggen. Verdachte is fysiek niet in staat om een taakstraf te verrichten.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van duizenden pakjes sigaretten. Deze sigaretten waren kort daarvoor met gebruik van grof geweld gestolen bij Primera. Verdachte heeft met zijn handelen bewust bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor goederen die zijn verkregen via diefstal. Zonder helers zijn er immers geen stelers. De rechtbank rekent het verdachte bovendien aan dat hij geen enkel respect heeft getoond voor de eigendommen van anderen. Verdachte houdt zich ook op de zitting van de domme en neemt geen enkele verantwoordelijkheid. Hij toont zich vooral verongelijkt en boos op alles en iedereen, zonder na te denken over zijn eigen rol.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder voor vermogensfeiten is veroordeeld. Er is sprake van meermalen recidive en hij liep ineen proeftijd. Verdachte was dus bekend met vermogensdelicten en was een gewaarschuwd mens, maar dit heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Vooral dit zal de rechtbank in het nadeel van verdachte meewegen.
Over verdachte is een rapport door de reclassering opgesteld. Uit dit rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een delictpatroon dat zich kenmerkt door vermogensdelicten. Ook is er een verleden van alcohol- en drugsgebruik. Het risico op recidive neemt toe wanneer er sprake is van middelengebruik. Verdachte is bekend met het plegen van strafbare feiten om in zijn middelengebruik te voorzien. Daarnaast handelt verdachte impulsief, is er sprake van een laag zelfbeeld en beschikt hij niet over voldoende copingvaardigheden. Ook is er sprake van een deels negatief sociaal netwerk. De afgelopen jaren is er uitgebreid ingezet op hulpverleningstrajecten, zowel in een vrijwillig als gedwongen kader. Naast het hebben van een kamer en bewindvoering, zijn er geen beschermende factoren. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld/hoog. Bij een veroordeling wordt een deels voorwaardelijke straf geadviseerd met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en begeleiding en het meewerken aan middelencontrole.
Alles afwegende acht de rechtbank het van belang dat verdachte wordt behandeld zodat hij zich niet opnieuw schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten. Gelet hierop zal zij een deels voorwaardelijke straf opleggen. Nu door de raadsvrouw – gelet op de lichamelijke gesteldheid van verdachte – expliciet is verzocht om aan verdachte geen taakstraf op te leggen en door de reclassering recentelijk twee taakstraffen als niet uitvoerbaar retour zijn gestuurd, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan een gevangenisstraf op te leggen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van tien weken, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel zal zij de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
opzetheling;
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 weken, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
1.dat zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en
zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij GGZ Novadic-Kentron op [locatie]
;
2. dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de forensische verslavingszorg van GGZ WNB of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische
opname voor detoxificatie/stabilisatie/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3. dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door Humanitas of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding. De begeleiding is gericht op het ondersteunen bij het regelen van praktische zaken;
4. dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:
5. dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
6. dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. M.E.I. Beudeker en mr. H. Faouzi rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 17 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Oosterhout, rookwaren, althans een goed heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;