beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/440647 / FA RK 25-5191
datum uitspraak: 16 februari 2026
beschikking betreffende gezag en hoofdverblijfplaats
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.F.A. Cadot te Roosendaal,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 8 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F-formulier met bijlagen van 6 november 2025.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 23 januari 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad. De man is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, hierna te noemen: [minderjarige] .
De man heeft [minderjarige] erkend. In het gezagsregister is door partijen op 22 augustus 2017 aangetekend dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] . Bij beschikking van deze rechtbank van 19 juli 2022 is het gezamenlijk gezag beëindigd en is de man alleen belast met het gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 januari 2020 is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man bepaald.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 19 juli 2022 te wijzigen en te bepalen dat:
I. de vrouw wederom zal worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
II. [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben.
Kosten rechtens.
4. De beoordeling
Het juridisch kader: herstel in gezag
Op grond van artikel 1:253o van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast op verzoek van de ouders of één van hen door de rechtbank worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De beslissing op basis waarvan het gezag is beëindigd dient op grond van artikel 1:253n BW te worden genomen. In dat geval is de ouder die het verzoek doet om met het gezag weer te worden belast ontvankelijk indien er sprake is van een wijziging van omstandigheden (artikel 1:253n lid 3 BW). Het verzoek dient vervolgens aan de inhoudelijke gronden te voldoen die vermeld staan in artikel 1:251a lid 1 BW.
Het juridisch kader: hoofdverblijfplaats
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten: de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De beoordeling door de rechtbank
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat de oorspronkelijke beslissing is genomen op grond van artikel 1:253n BW. Daarnaast is er sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de vrouw medio 2022 niet meer het gezag over [minderjarige] draagt. De vrouw kampte toentertijd met een drugsverslaving, hetgeen ertoe heeft geleid dat zij niet meer in staat was voor [minderjarige] te zorgen, zelfs enige tijd niet meer betrokken was in het leven van [minderjarige] en haar gezag feitelijk niet uitoefende. In 2022 is haar gezag beëindigd en zorgde de man alleen voor [minderjarige] . Eind 2022 heeft het keerpunt in het leven van de vrouw plaatsgevonden toen zij vrijwillig is opgenomen in een afkickkliniek. Zij heeft een behandeling van een jaar gehad, mede gericht op de dieperliggende oorzaken van het drugsgebruik. Het contact met [minderjarige] en met de man is vervolgens hersteld. Sinds eind oktober 2023 overnacht [minderjarige] ook bij haar. Omstreeks januari 2025 zijn er zorgen ontstaan over het welzijn van de man. [minderjarige] werd steeds meer geacht voor zichzelf te zorgen. De leerplichtambtenaar is door de school ingeschakeld, omdat [minderjarige] vaak te laat kwam of niet op school verscheen. De vrouw heeft eind juli 2025 een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege het vermoeden dat de man frequent drugs gebruikt. Partijen hebben met elkaar gesprekken gevoerd over de zorgen.
Sinds de zomervakantie van 2025 verblijft [minderjarige] volledig bij de vrouw. De man erkent dat hij de zorg over [minderjarige] niet volwaardig kan dragen en is doende met regelen van een opname voor zichzelf. Het contact tussen de ouders verloopt in beginsel goed. De vrouw gaat met [minderjarige] op bezoek bij de man, zodat [minderjarige] contact met hem kan hebben. Veilig Thuis is nog betrokken. Er zal een veiligheidsplan worden opgesteld, waarin het contact tussen [minderjarige] en de man wordt opgenomen. Daarnaast zal de moeder met [minderjarige] een moeder-kindtraject aangaan, omdat [minderjarige] in haar leven al veel heeft meegemaakt. Veilig Thuis zal het daarna overdragen aan het dorpsteam. Novadic Kentron is nog ambulant bij de moeder betrokken.
Het is de rechtbank gebleken dat de vrouw inmiddels al geruime tijd haar leven weer op orde heeft en sinds juli 2025 de volledige zorg over [minderjarige] draagt. Met de vrouw stelt de rechtbank vast dat het eerder criterium op grond waarvan haar gezag in 2022 is beëindigd niet meer van toepassing is. Net als de Raad acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat de vrouw wordt hersteld in haar gezag over [minderjarige] en zal daarom het verzoek onder I toewijzen, zodat de vrouw weer gezamenlijk met de man het gezag over [minderjarige] kan uitoefenen.
Aangezien de vrouw sinds juli 2025 de volledige zorg over [minderjarige] draagt en de man op dit moment onvoldoende in staat is deze zorg te dragen, acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw wordt vastgesteld. De rechtbank zal daarom ook het verzoek van de vrouw onder II toewijzen.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun kind zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
5. De beslissing
De rechtbank
wijzigt de beschikking deze rechtbank van 19 juli 2022 en bepaalt dat de vrouw voortaan weer gezamenlijk met de man het gezag uitoefent over de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016;
verzoekt de griffier van de rechtbank van het onder 5.1 vermelde een aantekening te maken in het gezagsregister;
bepaalt dat de [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026 door mr. Sumner, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.