beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/440187 / FA RK 25-4936
datum uitspraak: 16 februari 2026
beschikking betreffende gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.P.J. Brouwers te Tilburg,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 24 september 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de oproep van de man in de Staatscourant van 13 oktober 2025.
Het verzoek is mondeling behandeld op 23 januari 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad.
De [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. Zij heeft op 16 januari 2025 een gesprek met de rechter gehad.
2. De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 23 december 2019 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 4 mei 2020 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
Uit het huwelijk van partijen is het navolgende minderjarige kind geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, hierna te noemen: [minderjarige] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de vrouw.
De vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft (vermoedelijk) de Turkse nationaliteit.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw voortaan alleen is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
4. De beoordeling
De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen aangezien [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing.
Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Op grond van artikel 15 HKBV 1996 wordt het Nederlands recht toegepast op het verzoek.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 1 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
Alvorens het verzoek van de vrouw inhoudelijk te kunnen behandelen, dient allereerst te worden vastgesteld wie op het moment van indiening van het verzoek met het gezag over [minderjarige] is belast. Voor de vraag wie van rechtswege is belast met het ouderlijk gezag moet gekeken worden naar artikel 3 HKBV 1961, omdat Turkije ten tijde van de geboorte van [minderjarige] nog niet toegetreden was tot het HKBV 1996. Op grond van dat artikel erkent Nederland een gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet waarvan de minderjarige onderdaan is. [minderjarige] heeft (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 1:251 BW is het gezag van rechtswege toegekomen aan de ouders gezamenlijk, omdat [minderjarige] binnen het huwelijk van de ouders is geboren. De toetreding van Turkije tot het HKBV 1996 heeft daarin geen wijziging in de situatie gebracht.
In de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank in Turkije van 4 januari 2023 is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw wordt, maar is geen beslissing genomen over het gezag over [minderjarige] .
De rechtbank overweegt over het verzoek van de vrouw als volgt. Gebleken is van feiten en omstandigheden die in het belang [minderjarige] nopen tot afwijking van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders ook na de echtscheiding gezamenlijk het gezag uitoefenen.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat de vrouw tijdens de zwangerschap naar Nederland is vertrokken. Zij is kort na de geboorte van [minderjarige] nog in Turkije bij de man geweest, maar is vervolgens weer naar Nederland teruggegaan. De vrouw heeft daartoe gesteld dat zij werd mishandeld door de man. Ten tijde van de echtscheiding konden partijen nog wel communiceren met elkaar over [minderjarige] . De vrouw kon de man toen ook nog wel bereiken. De berichten van de man werden echter steeds vervelender. De man heeft haar nare en bedreigende berichten naar de vrouw gestuurd, ook via social media. Daarna is het contact verbroken. Het is de vrouw onbekend waar de man nu woont. Hij heeft aangegeven verhuisd te zijn naar Duitsland, maar hij staat daar niet ingeschreven. Het consulaat en de ambassade in Turkije willen geen woonverklaring van de man verstrekken. De man is niet bereikbaar voor de vrouw. Dit heeft in de afgelopen jaren voor problemen gezorgd, bijvoorbeeld bij het naar het buitenland op vakantie gaan met [minderjarige] . De ouders zijn niet in staat gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De man heeft daarnaast al jaren geen betrokkenheid in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] kent haar vader niet. De man vraagt ook niet naar [minderjarige] . Hij geeft geen invulling aan zijn ouderschap en kan daardoor geen beslissingen nemen over wat er in haar belang is. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat de man half oktober 2025 plotseling met zijn nieuwe partner aan de deur is verschenen. [minderjarige] heeft heel kort haar vader gezien, maar is uit zichzelf weggegaan. De vrouw heeft daarna weer vervelende berichten van de man ontvangen. In één van de berichten heeft hij benoemd dat hij wacht op de uitspraak van de Nederlandse rechter. Ook haar familie heeft berichten van de man ontvangen inhoudende dat de vrouw oneervol is en hij [minderjarige] zal komen halen. De man vervalt dus weer in niet constructieve communicatie. De vrouw vreest wel dat de man [minderjarige] ineens meeneemt. De vrouw heeft daarom de benodigde maatregelen getroffen om [minderjarige] meer in het zicht te houden.
[minderjarige] heeft in haar gesprek met de rechter verteld dat het goed met haar gaat. Zij vindt dat haar vader geen beslissingen over haar kan maken, want hij kent haar niet. Zij heeft hem nog nooit gezien. Haar moeder neemt al heel haar leven de beslissingen over haar en dat zou zij alleen moeten mogen.
Het ouderlijk gezag houdt (op grond van artikel 1:247 lid 1 BW) een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging van een kind, zoals onder andere de bevoegdheid belangrijke beslissing in het leven van een kind te nemen. Om invulling te kunnen geven aan het gezag moet een ouder bereikbaar zijn, belangstelling hebben voor het kind en bekend zijn met diens ontwikkeling. Zoals de Raad tijdens de zitting heeft aangegeven vereist het gezag dat je als ouder bereikbaar en beschikbaar bent en dat je initiatief toont in betrokkenheid bij je kind. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de man al vrijwel het hele leven van [minderjarige] geen rol in haar leven speelt. Hij is niet op de hoogte van haar ontwikkeling en toont geen betrokkenheid bij haar. De rechtbank heeft met de Raad geconstateerd dat de man zich ook niet heeft gesteld in de procedure en niet aanwezig was op de zitting, terwijl de man richting de vrouw er blijk van heeft gegeven dat hij wel op de hoogte was van deze procedure. Daarnaast is de man niet bereikbaar voor de vrouw en als er contact tussen partijen is, is dat vanuit de man allesbehalve constructief. Dit belemmert de vrouw in de uitoefening van haar gezag over [minderjarige] .
De rechtbank acht, net als de Raad, wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. Het verzoek van de vrouw om haar alleen met het gezag te belasten wordt daarom toegewezen.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
[minderjarige] heeft in haar gesprek met de rechter aangegeven graag de beslissing via een brief te vernemen. Aan [minderjarige] is daarom een brief gestuurd met de volgende inhoud:
Beste [minderjarige] ,
In januari heb jij een gesprek gehad met mij. Het ging over wie van jouw ouders beslissingen over jou mag nemen. Jij hebt mij verteld dat jij jouw vader niet kent. Hij kent jou helaas ook niet. Ik vind daarom dat hij geen beslissingen over jou kan nemen en dat hij niet het gezag over jou mag hebben.
Ik heb dus besloten dat alleen jouw moeder het gezag over jou zal hebben in de toekomst. Dit betekent dat alleen zij de beslissingen over jou mag nemen.
Ik wens jou – en [naam] – het allerbeste toe.
Vriendelijke groeten,
Sumner
De kinderrechter
5. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat het gezag over de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
verzoekt de griffier van de rechtbank hiertoe een aantekening te maken in het gezagsregister;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026 door mr. Sumner, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.