2. Het verzoek
Het verzoek strekt tot voorziening in de tijdelijke voogdij over de minderjarige. Verzocht wordt de maatregel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3. De beoordeling
Op grond van artikel 15 lid 1 onder a van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II ter), is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek van de GI te beoordelen, nu de minderjarige op het moment van de indiening van het verzoek zich in Nederland bevindt en het een tijdelijke spoedmaatregel betreft.
Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda is aangewezen als zogenaamde concentratierechtbank om verzoeken betreffende de voogdij over de alleenreizende minderjarige kinderen uit Oekraïne te behandelen. Zoals blijkt uit het verzoek van de GI stemt de minderjarige in met de bevoegdheid van deze rechtbank. De rechtbank acht zich dan ook bevoegd van het onderhavige verzoek kennis te nemen.
Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Op grond van artikel 15 HKBV 1996 wordt het Nederlands recht toegepast op het verzoek.
De griffier van de rechtbank heeft de minderjarige een (vertaalde) brief gestuurd met het verzoek om binnen twee weken aan te geven of er behoefte bestaat aan een mondelinge behandeling van het verzoek. De minderjarige heeft hierop aangegeven dat hij een gesprek wil met de kinderrechter. Hij is echter niet verschenen.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de minderjarige in augustus 2025 in Nederland is aangekomen. De moeder van de minderjarige is [de moeder] . Zij is geboren op [geboortedag 2] 1983, te [geboorteplaats 2] (Oekraïne). De vader van de minderjarige is [de vader] . Hij is geboren op [geboortedag 3] 1985 in Oekraïne. De ouders verblijven in Oekraïne. De minderjarige is samen met twee vrienden naar Nederland gegaan om hier te komen werken. Hij verbleef bij een woonplek van zijn werkgever. Hij moest hier 500 euro huur per maand voor betalen. De kleine kamer, die tevens een keuken en woonkamer is, deelde hij met zijn twee vrienden. De omstandigheden waren niet goed. Ze hadden veel last van ongedierte en overlast door bouwwerkzaamheden. Het werk dat de minderjarige moest doen was soms zwaar en het was niet duidelijk hoeveel uur hij kon werken. Hij was al bij een werkgever ontslagen en bij een andere werkgever gaan werken. De minderjarige heeft aangegeven dat hij hulp heeft gevraagd aan de gemeente, maar dat de gemeente hem weg heeft gestuurd. Hij zou in Nederland het liefst naar school gaan. Dit gaat echter niet omdat hij onregelmatig werkt. Daarnaast heeft de minderjarige aangegeven dat hij blij is met de hulp van Nidos en dat hij graag een voogd wil. Er is nu namelijk niemand die hem kan helpen. De moeder heeft aangegeven dat ze ook blij is met de hulp van Nidos. Zij heeft toestemming gegeven voor voogdij van Nidos.
In aanvulling hierop is namens de GI tijdens de zitting aangevoerd dat de minderjarige momenteel in een Nidos-huis verblijft. De GI heeft dit verzoek ingediend, omdat nog moet worden gezocht naar een vervolgplek voor de minderjarige voor als hij 18 jaar is geworden.
Namens de Raad is tijdens de zitting aangevoerd dat de Raad zich afvraagt of aan de wettelijke voorwaarden voor tijdelijke voogdij is voldaan. De minderjarige heeft immers nog contact met zijn moeder. Daarbij is de minderjarige bijna 18 jaar oud. Niet is gebleken dat er voor die tijd nog belangrijke beslissingen over hem moeten worden genomen. Momenteel verblijft de minderjarige in een Nidos-huis. Het zoeken naar een vervolgplek kan ook zonder dat de GI met de tijdelijke voogdij is belast.
De rechtbank overweegt dat het verzoek is gegrond op het bepaalde in artikel 1:253r juncto 1:253q van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge deze bepalingen wordt het gezag van een ouder van rechtswege geschorst op het moment dat de ouder of de ouders die het gezag uitoefenen al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen of het bestaan of de verblijfplaats van de ouder of de ouders die het gezag uitoefenen, onbekend is. Voor zover hier van belang benoemt de rechtbank in dit geval op verzoek van de GI een voogd.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de moeder in de onmogelijkheid verkeert om het gezag over de minderjarige uit te oefenen. De moeder verblijft weliswaar nog in Oekraïne, maar uit het feit dat zij de GI toestemming heeft gegeven om de voogdij over de minderjarige uit te oefenen blijkt dat er contact is met de moeder en zij zo nodig beslissingen over de minderjarige kan nemen. Daarbij is de minderjarige bijna 18 jaar oud. Evenmin is gebleken dat er voor die tijd nog belangrijke beslissingen over hem moeten worden genomen. Het zoeken naar een vervolgplek voor de minderjarige voor als hij 18 jaar wordt, kan ook zonder dat de GI met de tijdelijke voogdij over de minderjarige is belast. De rechtbank zal het verzoek van de GI dan ook afwijzen.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026 door
mr. van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 27 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Het beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te
's-Hertogenbosch
verzonden op: