RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummers: 02-151057-24; 02-155745-24: 02-324166-24 + 02-092426-23 (vordering tul); 03-372487-24: 09-328879-24; 01-255940-24; 01-120903-25 (alle parketnummers ter zitting gevoegd)
vonnis van de meervoudige kamer van 19 maart 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag ] 2007 te [geboorteplaats] (Syrië),
wonende te [woonadres] ,
thans verblijvende bij [verblijfadres] .
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 5 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
02-151057-24: op 2 mei 2024 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1] ;
02-155745-24: op 25 januari 2024 [benadeelde 2] heeft beledigd door haar in het gezicht te spugen;
02-324166-24:
1. op 19 juni 2024 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 3] ;2. op 19 juni 2024 een ruit van de auto van [benadeelde 4] heeft vernield;
03-372487-24: op 26 augustus 2024 een fatbike van [benadeelde 5] heeft gestolen;
09-328879-24: op 7 juli 2024 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 6] ;
01-255940-24: op 11 augustus 2024 softdrugs (hasj) bij zich heeft gehad;
01-120903-25: op 15 maart 2025 [benadeelde 7] heeft mishandeld met een tak.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle feiten op de dagvaardingen wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het feit onder parketnummer 02-151057-24 verzoekt de officier van justitie verdachte partieel vrij te spreken van het maken van stekende bewegingen met een mes. In de zaak met parketnummer 02-324166-24 vraagt de officier van justitie bij feit 1 partiële vrijspraak van het slaan met een koevoet.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring in de zaken met parketnummers 01-120903-25, 03-372487-24, 09-328879-24 en 01-255940-24 aan het oordeel van de rechtbank.
In de zaak met parketnummer 02-151057-24 verzoekt de verdediging verdachte partieel vrij te spreken van het maken van stekende bewegingen nu er geen letsel is geconstateerd bij het slachtoffer dat past bij steekbewegingen.
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen in de zaak met parketnummer 02-155745-24 nu niet is vast te stellen dat het speeksel van verdachte op het gezicht of het lichaam van de conductrice terecht is gekomen.
De verdediging verzoekt in de zaak met parketnummer 02-324166-24 verdachte ten aanzien van feit 1 partieel vrij te spreken van het slaan met de koevoet nu dit op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld. De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken van de onder feit 2 tenlastegelegde vernieling. Er ligt weliswaar een verklaring van de medeverdachte die verdachte aanwijst als degene die de ruit zou hebben ingeslagen, maar deze lijkt met name zichzelf vrij te willen pleiten. Verder is er geen objectief bewijs dat verdachte in verband brengt met deze vernieling.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-151057-24:
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring
afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een
opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van
Strafrecht (Sr) en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 maart 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] d.d. 2 mei 2024, pagina's 10-12
van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2024109713.
Op basis van de camerabeelden kan de rechtbank echter niet vaststellen dat bij de bewegingen die door de politie in het proces-verbaal van bevindingen worden benoemd als stekende bewegingen, een mes in de hand aanwezig was. Ook kan de rechtbank op basis van de camerabeelden niet vaststellen dat [benadeelde 1] tegen zijn hoofd is geschopt en dat er meerdere kopstoten zijn uitgedeeld. De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging.
02-155745-24:
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 25 januari 2024 [benadeelde 2] heeft bespuugd. De rechtbank heeft, mede op basis van de beelden waarop te zien is dat verdachte spuugt richting [benadeelde 2] , toen werkzaam als conductrice, geen enkele aanleiding om te twijfelen aan haar verklaring. Op de van het incident gemaakte bodycam-opname geeft zij ook meermalen aan dat verdachte haar in het gezicht heeft gespuugd. Zij heeft dit als zeer beledigend en vies ervaren en daarvan ook klacht gedaan. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
02-324166-24:
Feit 1: De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte samen met anderen op 19 juni 2024 openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 3] . Verdachte erkent ook dat hij geweld heeft gebruikt. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte [benadeelde 3] een karatetrap geeft, waarna hij door drie jongens, waaronder verdachte, wordt geslagen en geschopt, onder meer met een helm. Ook als [benadeelde 3] op de grond terechtkomt gaan de geweldshandelingen door. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen. Op basis van het dossier is naar het oordeel van de rechtbank niet vast te stellen dat bij de geweldshandelingen een koevoet is gebruikt en dat betekent dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel zal worden vrijgesproken.
Feit 2 Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat het verdachte is geweest die met een helm de ruit van de Fiat Punto heeft vernield. Zo geven [getuige] en [medeverdachte] beiden aan dat het verdachte is geweest die de ruit van de auto heeft ingeslagen met een helm. De rechtbank acht daarom de ten laste gelegde vernieling wettig en overtuigend bewezen.
03-372487-24:
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring
afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een
opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sr en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 maart 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 5] d.d. 27 augustus 2024, pagina's 5-7 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2300-2024139465.
De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of er in dit geval sprake is geweest van een diefstal of van verduistering. De rechtbank stelt voorop dat van verduistering sprake is als de verdachte het goed anders dan door misdrijf onder zich heeft en dit goed zich wederrechtelijk toe-eigent. Van diefstal is sprake als de verdachte een goed met het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening wegneemt. Dat oogmerk dient hij (reeds) ten tijde van het wegnemen te hebben. Voor de beoordeling van de betekenis die aan de handelingen van de verdachten moeten worden gegeven – met het oog op de strafrechtelijke waardering van die handelingen – zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang.
Verdachte heeft een afspraak gemaakt met de verkoper van de fatbike. Bij deze ontmoeting heeft verdachte een bankpas als onderpand aan de verkoper gegeven. Dit betrof een bankpas die niet op naam stond van verdachte maar was uitgegeven op naam van [persoon 1] . Verdachte heeft vervolgens een proefrit gemaakt op de fatbike maar heeft deze vervolgens meegenomen naar huis. Gelet op de omstandigheden, namelijk het overhandigen van een valse bankpas als onderpand, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op voorhand al het plan had opgevat om een proefrit met de fatbike te maken met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, waarbij hij die fatbike nooit rechtmatig onder zich heeft gehad. De rechtbank acht daarom de ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen.
09-328879-24:
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring
afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een
opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sr en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 maart 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 6] d.d. 11 juli 2024, pagina's 5-7 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL1500-2024223206;
01-255940-24:
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring
afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een
opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sr en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 maart 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pagina's 5-6
van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2100-2024173638;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , pagina's 21-22 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2100-2024173638.
01-120903-25:
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat aangever [benadeelde 7] worden belaagd door een groep jongens. Een van hen heeft een tak in zijn hand en slaat de aangever daarmee in zijn gezicht waardoor [benadeelde 7] letsel heeft. [benadeelde 7] kent de jongen die met de tak heeft geslagen als [persoon 2] . Hij heeft ook een foto van hem en zijn telefoonnummer aan de politie doorgegeven. De politie herkent verdachte op die foto als zijnde verdachte en ook het telefoonnummer dat [benadeelde 7] heeft doorgegeven komt in de politiesystemen voor als een telefoonnummer dat aan verdachte toebehoort. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die de aangever met een tak in zijn gezicht heeft geslagen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
02-151057-24:
op 2 mei 2024 te Tilburg openlijk, te weten op de Heuvel, in vereniging geweld heeft
gepleegd tegen een persoon te weten [benadeelde 1] door die voornoemde [benadeelde 1] een
kopstoot te geven en meermalen tegen het hoofd en de rug te slaan en te stompen en
meermalen tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen;
02-155745-24:
op 25 januari 2024 te Etten-Leur, opzettelijk [benadeelde 2] , in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [benadeelde 2] in het gezicht te spugen;
02-324166-24:
Feit 1: op 19 juni 2024 te Etten-Leur openlijk, te weten op de [straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde 3] , door meermalen,
- tegen het lichaam van die [benadeelde 3] te slaan (onder meer met behulp van een scooterhelm),- terwijl die [benadeelde 3] op de grond ligt tegen het lichaam van die [benadeelde 3] te slaan en schoppen;
Feit 2: op 19 juni 2024 te Etten-Leur opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een auto (Fiat Punto, [kenteken]), die geheel aan een ander toebehoorde, heeft vernield;
03-372487-24:
op 26 augustus 2024 in de gemeente Sittard-Geleen een Fatbike, die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
09-328879-24:
op 7 juli 2024 in Nederland, openlijk, te weten in een treinstel van de Nederlandse Spoorwegen, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen- een persoon, te weten [benadeelde 6] , door die [benadeelde 6] een of meer keer keren te slaan en te schoppen en een kopstoot te geven;
01-255940-24:
op 11 augustus 2024 te Eindhoven aanwezig heeft gehad ongeveer 23,89 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
01-120903-25:
op 15 maart 2025 te Eindhoven [benadeelde 7] heeft mishandeld door die [benadeelde 7] eenmaal met kracht met een tak tegen het gezicht te slaan.
De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd
Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte door deze taalkundige verbetering van de
tenlastelegging niet geschaad in de verdediging.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal
daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 180 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast vordert de officier van justitie een jeugddetentie van 118 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft verbleven (18 dagen) en met een proeftijd van 2 jaar. Aan deze voorwaardelijke straf verzoekt de officier van justitie de voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Voor het voorhanden hebben van de softdrugs, een overtreding, verzoekt de officier van justitie een werkstraf op te leggen voor de duur van 20 uur.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank bij het opleggen van de straf rekening te houden met de toepassing van artikel 63 Sr. Verdachte is druk bezig met het verkrijgen van een woning en wil zijn studie weer oppakken. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zal die ontwikkeling doorkruisen. De verdediging verzoekt de rechtbank aan verdachte op te leggen een werkstraf van 20 uur voor het bezit van softdrugs en een werkstraf van 160 uur voor de andere feiten.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de
ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan.
De rechtbank houdt verder rekening met de persoon en met de omstandigheden van
verdachte.
Verdachte heeft zich in 2024 en in het eerste kwartaal van 2025 schuldig gemaakt aan een reeks van agressieve, gewelddadige feiten, in groepsverband gepleegd, en daarnaast aan belediging van een conductrice van de NS, vernieling van een auto, diefstal van een fatbike en een overtreding van de Opiumwet. Bij de geweldsfeiten was het verdachte die voorop ging in uitdagend, intimiderend of aanvallend gedrag, terwijl vanuit de slachtoffers geen of nauwelijks aanleiding werd gegeven tot dit zeer gewelddadige gedrag. Hierbij heeft verdachte samen met anderen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en niet alleen bij hen gevoelens van onveiligheid veroorzaakt, maar ook bij alle mensen die aanwezig waren op de publieke plaatsen waar dit geweld plaatsvond. Alle aangevers zijn flink te grazen genomen. Daarnaast heeft verdachte een conductrice van de NS in haar gezicht gespuugd. De rechtbank rekent verdachte dit respectloze, onsmakelijke en beledigende gedrag als reactie op een correct en uitermate geduldig optreden van deze functionaris zwaar aan.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij sinds voornoemde feiten voor andere strafbare feiten is veroordeeld, waaronder soortgelijke feiten. In deze zaak is dan ook artikel 63 Sr van toepassing
De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van de Raad van 13 februari 2026 en de toelichting daarop ter zitting. Er zijn zorgen op verschillende leefgebieden. De Raad geeft aan dat een voorwaardelijke straf nog altijd meerwaarde zou kunnen hebben nu er in de afgelopen periode, afgezet tegen 2024, een (voorzichtig) positieve ontwikkeling te zien is. Zo zijn er in 2025 minder politiecontacten geweest en heeft verdachte op dit moment goed contact met zijn jeugdreclasseerder. De Raad ziet dit als de laatste kans voor verdachte om hulp te accepteren via de modaliteit van het jeugdstrafrecht.
De Raad adviseert verdachte een (deels) voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, met een deels voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar. Bij deze proeftijd zijn de navolgende bijzondere voorwaarden noodzakelijk, te weten dat verdachte:
-zich inzet voor een zinvolle dagbesteding/werk;
-wordt verplicht mee te werken aan hulpverlening vanuit [hulpverlening] of een soortgelijke behandeling en aan hulpverlening die de Jeugdreclassering noodzakelijk acht ter voorkoming van recidive.
De rechtbank slaat bij het bepalen van de strafmaat verder acht op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Zouden de onderhavige zaken eerder bij de rechtbank zijn aangebracht dan was een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats geweest. Echter, nu het hier om oudere feiten gaat, zal de rechtbank geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de bewezenverklaarde misdrijven een taakstraf, in de vorm van een werkstraf van 180 uur passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank verdachte opleggen een jeugddetentie van 118 dagen met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft verbleven, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan deze proeftijd koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Deze forse stok achter de deur is nodig om ervoor te zorgen dat verdachte niet opnieuw met politie en justitie in aanraking zal komen.
Voor het in bezit hebben van (soft)drugs zal de rechtbank verdachte een werkstraf van 20 uren opleggen.
7. De benadeelde partij
02-155745-24:
De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 500,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Gelet op de bedragen die in de jurisprudentie doorgaans worden toegewezen voor soortgelijke feiten acht de rechtbank het door de benadeelde partij gevorderde bedrag toewijsbaar tot een bedrag van € 250,- aan immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 25 januari 2024.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het
toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het
feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de
gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
02-324166-24:
De rechtbank zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging nu de voorwaardelijke straf die is opgelegd onder parketnummer
02-092426-23 reeds ten uitvoer is gelegd bij het vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank in de zaak met parketnummer 16-248525-24.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 266, 300, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-151057-24: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
02-155745-24: eenvoudige belediging;
02-324166-24:
Feit 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;
03-372487-24: diefstal;
09-328879-24: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
01-255940-24: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
01-120903-25: mishandeling.
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
02-151057-24, 02-155745-24, 02-324166-24, 03-372487-24, 09-328879-24 en
01-120903-25:
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 90 dagen;
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 118 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
* zich inzet voor een zinvolle dagbesteding/werk;
* wordt verplicht mee te werken aan hulpverlening vanuit [hulpverlening] of een soortgelijke behandeling en aan hulpverlening die de Jeugdreclassering noodzakelijk acht ter voorkoming van recidive;
- stelt vast dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
*dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van
Strafrecht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
01-255940-24:
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 20 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende
jeugddetentie zal worden toegepast van 10 dagen;
de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf
02-324166-24:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde werkstraf bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 23 juni 2023 met parketnummer 02-092426-23.
Benadeelde partij
02-155745-24:
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 250,-,
aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 januari 2024 tot aan de dag der voldoening:
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten
behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en
bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden
aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 2] , € 250,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
25 januari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kunnen worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting
aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. van Triest, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. D.H. Hamburger en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 maart 2025.
Mr. D.H. Hamburger en mr. L.W. Boogert zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.