RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-192463-25, 02-326860-25, 02-223326-25 (TUL)
vonnis van de meervoudige kamer van 20 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1948 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. R.T.A.G Keller, advocaat te Tilburg .
1. Onderzoek van de zaak
De zaken met parketnummers 02-192463-25 en 02-326860-25 zijn op 12 januari 2026 door de politierechter gevoegd en naar deze kamer verwezen. De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. A. Verhoeven, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op de zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 02-223326-25 behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
parketnummer 02-192463-25: in de periode van 7 december 2024 tot en met 25 juni 2025 [aangeefster] heeft belaagd.
parketnummer 02-326860-25: in de periode van 1 november 2025 tot en met 17 november 2025 in strijd met een gedragsaanwijzing heeft gehandeld.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de belaging bewezen op grond van de aangifte van [aangeefster] , de meldingen die zij bij de politie heeft gedaan, de foto’s en video’s waarop verdachte te zien is, de verklaring van verdachte en het proces-verbaal over het stopgesprek met verdachte. Ook het overtreden van de gedragsaanwijzing is bewezen. De door verdachte getekende gedragsaanwijzing zit in het dossier en er is een aangifte van [aangeefster] . De brief die verdachte bij [aangeefster] in de brievenbus heeft gedaan, is aangetroffen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van de belaging. Ten eerste kan uit de in het dossier opgenomen foto’s en video’s niet worden vastgesteld op welke datum iets is voorgevallen. Ten tweede is geen sprake van stelselmatigheid. Voor de bewezenverklaring van het overtreden van de gedragsaanwijzing refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 7 december 2024 tot en met 25 juni 2025 [aangeefster] heeft belaagd . Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Uit het dossier volgt dat [aangeefster] op 5 januari 2025 melding heeft gedaan bij de politie, omdat zij al zes maanden dagelijks wordt lastiggevallen door verdachte. Verdachte kijkt iedere dag uit zijn raam naar [aangeefster] en achtervolgt haar als zij buiten is. Bij het achtervolgen wordt [aangeefster] door verdachte aangesproken en worden er beledigende en discriminerende opmerkingen tegen haar gemaakt. [aangeefster] heeft al meerdere keren aangegeven dat zij hier niet van gediend is.
Op 5 januari 2025 heeft de politie een stopgesprek met verdachte gevoerd. Echter, uit de aangifte van [aangeefster] , de verklaring van de buurman van verdachte en het proces-verbaal over de meldingen van [aangeefster] bij de politie, blijkt dat verdachte niet met zijn gedrag is gestopt. Verdachte heeft vanaf 5 januari 2025 tot en met 25 juni 2025 nog steeds dagelijks veelvuldig uit het raam gekeken naar [aangeefster] en haar veelvuldig achtervolgd. Bij het achtervolgen heeft verdachte haar ook aangesproken en uitgescholden. Het uit het raam kijken, achtervolgen en aanspreken/uitschelden heeft verdachte op de zitting ook erkend.
Gelet op de lange periode, de frequentie (dagelijks) en de indringendheid heeft verdachte wederrechtelijk en stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] . De belaging in de periode van 5 januari 2025 tot en met 25 juni 2025 kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven. Voor de periode vóór het stopgesprek op 5 januari 2025 is onvoldoende bewijs. Daarom zal de rechtbank verdachte van die periode vrijspreken.
Parketnummer 02-326860-25
Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in strijd met een gedragsaanwijzing heeft gehandeld.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Parketnummer 02-192463-25
in de periode van 5 januari 2025 tot en met 25 juni 2025 te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door- veelvuldig uit zijn, verdachtes, raam te kijken naar die [aangeefster] en- veelvuldig die [aangeefster] te achtervolgen en- veelvuldig die [aangeefster] aan te spreken en/of uit te schelden, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Parketnummer 02-326860-25
in de periode van 1 november 2025 tot en met 17 november 2025, te [plaats] , opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 25 juni 2025, gegeven door de officier van justitie te Zeeland-West-Brabant, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, geen contact mocht opnemen met [aangeefster] en zich niet op mocht houden op/aan/in de woning en het erf van [adres 1] , door die [aangeefster] telkens aan te spreken en contact op te nemen met die [aangeefster] en een brief en pakket af te leveren bij de woning van die [aangeefster] en zich op te houden bij die woning en op het erf van [adres 1] .
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 180 uren en een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan de proeftijd dienen als bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld een contactverbod met [aangeefster] en haar kinderen en een locatieverbod voor [adres 1] en [adres 2] . Daarnaast is verzocht om het contact- en locatieverbod op te leggen als maatregel in de zin van artikel 38v Sr voor duur van twee jaar, met vervangende hechtenis van zeven dagen voor iedere keer dat verdachte de maatregel niet naleeft. Ten slotte is verzocht om de bijzondere voorwaarden en de maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij een veroordeling rekening te houden met de hoge leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat hij inmiddels heeft begrepen dat aangeefster niet gediend is van contact met hem. Een voorwaardelijke taakstraf is toereikend. Voor het opleggen van een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarde refereert de verdediging aan het oordeel van de rechtbank. Deze voorwaarden hoeven in elk geval niet dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard, omdat verdachte niet opnieuw in zijn oude gewoontes zal vervallen.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich gedurende de periode 5 januari 2025 tot en met 25 juni 2025 schuldig gemaakt aan het stalken van zijn buurvrouw [aangeefster] . Dit deed hij door dagelijks veelvuldig naar haar te kijken vanuit het raam van zijn woning en haar buiten te achtervolgen. Bij het achtervolgen sprak verdachte [aangeefster] aan en maakte beledigende en discriminerende opmerkingen tegen haar. Op 25 juni 2025 is een gedragsaanwijzing aan verdachte opgelegd. Deze hield in dat hij geen contact mocht hebben met [aangeefster] en niet bij haar woning mocht komen. De gedragsaanwijzing is op 19 september 2025 verlengd. Toch heeft verdachte in de periode 1 november 2025 tot en met 17 november 2025 contact met [aangeefster] opgenomen door haar aan te spreken en een brief in haar brievenbus te doen. Verdachte heeft met zijn handelen de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] aangetast. Stalking is een ernstig feit. Slachtoffers ondervinden door stalking vaak gevoelens van angst en onveiligheid. Dat [aangeefster] zich ook zo heeft gevoeld blijkt uit haar aangifte, de meldingen die zij bij de politie heeft gedaan en haar verklaring op zitting.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij al eerder is veroordeeld voor het overtreden van de gedragsaanwijzing. Aan hem is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd met daaraan als bijzondere voorwaarde gekoppeld een contactverbod met [aangeefster] . Hier heeft verdachte zich kennelijk niets van aangetrokken.
Uit het reclasseringsadvies van 19 december 2025 blijkt dat de reclassering van mening is dat er sprake is van een beginnend, maar zorgelijk delictpatroon. De uitspraken van verdachte en zijn gedragingen zijn opmerkelijk en ongepast. Hierin ziet verdachte zijn aandeel blijkbaar niet en ook ziet hij niet wat de invloed daarvan is op [aangeefster] . De reclassering schat het risico op recidive in als hoog en er zijn interventies nodig om dit risico te beperken. Verdachte is echter niet gemotiveerd voor bemoeienis vanuit de reclassering of vanuit een andere hulpverlenende instantie. Toch heeft de reclassering geadviseerd om aan verdachte op te leggen: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod met [aangeefster] en dagbesteding. Daarnaast dient het contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr te worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat een lagere straf passend is dan de eis van de officier van justitie. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de hoge leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat in vergelijking met andere belagingszaken in dit geval sprake is van een minder vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Hieraan zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarden verbinden, omdat verdachte hier niet gemotiveerd voor is. Ter voorkoming van belastend gedrag van verdachte richting [aangeefster] vindt de rechtbank van belang dat verdachte op geen enkele wijze contact met haar zoekt of heeft en zich niet ophoudt aan en rondom haar woning. De rechtbank zal daarom aan verdachte een contact- en locatieverbod opleggen op grond van artikel 38v Sr. Aangezien verdachte en aangeefster dicht bij elkaar en in dezelfde straat wonen, ziet het locatieverbod enkel op de woning met eventueel erf van [aangeefster] . De rechtbank legt deze maatregel op voor de duur van twee jaar en bepaalt dat de duur van de vervangende hechtenis zeven dagen bedraagt voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden. De rechtbank beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen tegen [aangeefster] .
7. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 02-223326-25)
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van een gevangenisstraf van zeven dagen ten uitvoer zal worden gelegd, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 28 augustus 2025.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal de verdachte in de gelegenheid stellen een werkstraf van dertig uren te verrichten in plaats van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 57, 184a en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-192463-25: belaging;
parketnummer 02-326860-25: opzettelijk handelen in strijd met een
gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van
het Wetboek van Strafvordering;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Contactverbod
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op
[geboortedag 2] 1999;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 maanden.
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen/zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;
Locatieverbod
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 2 jaren zich niet zal ophouden in het navolgende gebied: op/aan/in de woning en/of het erf van [adres 1] ;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 maanden.
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen/zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 28 augustus 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-223326-25 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 7 dagen;
- gelast dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf wordt vervangen door een taakstraf van 30 uren.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. A.M. de Koning, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 maart 2026.
Mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. A.M. de Koning zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
Parketnummer 02-192463-25
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 december 2024 tot en met 25 juni 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door- veelvuldig uit zijn, verdachtes, woning en/of raam (indringend) te kijken naar die [aangeefster] en/of haar kinderen en/of- veelvuldig voor de woning van die [aangeefster] te gaan staan en/of naar binnen te kijken en/of- veelvuldig die [aangeefster] en/of haar kinderen te achtervolgen en/of- veelvuldig die [aangeefster] en/of haar kinderen aan te spreken en/of uit te schelden, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;(art. 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht)
Parketnummer 02-326860-25
hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2025 tot en met 17 november 2025, te [plaats] , opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 25 juni 2025, gegeven door de officier van justitie te Zeeland-West-Brabant, kort weegegeven inhoudende dat hij, verdachte, geen contact mocht opnemen met [aangeefster] en zich niet op mocht houden op/aan/in de woning en/of het erf van [adres 1] , door die [aangeefster] telkens aan te spreken en/of contact op te nemen met die [aangeefster] en/of zich op te houden op/aan/in de woning en/of het erf van [adres 1] , door die [aangeefster] telkens aan te spreken en/of contact op te nemen met die [aangeefster] en/of een brief en/of pakket af te leveren bij de woning van die [aangeefster] en/of zich op te houden bij die woning en/of op het erf van [adres 1] ;(art. 184a lid 1 Wetboek van Strafrecht).