[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om algemene bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen onder andere of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
Het college heeft de aanvraag van verzoeker met het besluit van 20 januari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en als gemachtigden van het college mr. I. Francke en [persoon] .
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. In artikel 13 van de PW is bepaald dat iemand die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland geen recht heeft op bijstand.
4. Verzoeker heeft verzocht om een bijstandsuitkering vanaf zijn 18e verjaardag (op [datum] 2025). Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker meer dan 28 dagen per kalenderjaar in het buitenland verblijft. Het staat vast dat verzoeker in verband met zijn (school)opleiding tot 1 juli 2026 vier dagen per week in [plaats 2] verblijft, in een internaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker pas na zeven weken meer dan 28 dagen in het buitenland heeft verbleven. Hij heeft daarom de eerste zeven weken recht op een volledige bijstandsuitkering. Van andere uitsluitingsgronden is de voorzieningenrechter niet gebleken.
Na die zeven weken heeft verzoeker in beginsel recht op een bijstandsuitkering voor de drie dagen per week die hij in Nederland verblijft. Het recht op bijstand stopt als hij naar [plaats 2] gaat en herleeft als hij weer in Nederland verblijft. Dit betekent dat verzoeker na het verstrijken van de zeven weken recht heeft op 3/7e deel van de bijstandsnorm. Voor de vakantieweken (drie weken in de periode in geding) bestaat wel recht op een volledige bijstandsuitkering.
Voor de hoogte van de bijstand dient te worden aangesloten bij de jongerennorm voor een 18-jarige van € 345,99 per maand.
Zoals ter zitting besproken en berekend leidt dit voor de periode van 1 januari 2026 tot 1 juli 2026 tot een gemiddelde van € 224,32 aan bijstandsuitkering per maand. De voorzieningenrechter zal, uit praktisch oogpunt, daarom bepalen dat het college dit bedrag bij wijze van voorschot met ingang van 1 januari 2026 aan verzoeker moet verstrekken.
Verzoeker heeft ter zitting aangevoerd dat dit bedrag niet voldoende is. Een uitzondering op het uitsluiten van het recht op bijstand vanwege te lang verblijf in het buitenland kan gevonden worden in de zeer dringende redenen van artikel 16 van de PW. Het uitgangspunt in de rechtspraak is dat er dan sprake moet zijn van een acute noodsituatie. De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat dit het geval is.
Conclusie en gevolgen
5. De afwijzing van de aanvraag kan naar verwachting in bezwaar geen standhouden. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe in die zin dat het college aan verzoeker bij wijze van voorschot met ingang van 1 januari 2026 bijstand moet verstrekken van € 224,32 per maand. Deze voorlopige voorziening geldt tot 1 juli 2026 of (als dat eerder is) tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast komen de reiskosten van € 31,32 voor vergoeding in aanmerking.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026 door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: