ECLI:NL:RBZWB:2026:1994

ECLI:NL:RBZWB:2026:1994

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 25/4662
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Tussenuitspraak. Beëindiging en intrekking bijstand op goede gronden. Bij terugvordering onvoldoende rekening gehouden met de psychische gevolgen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis).

Samenvatting

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/4662

(gemachtigde: mr. [eiser] ),

en

1. Deze tussenuitspraak gaat over de intrekking, beëindiging en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiseres door Orionis. Zij is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat Orionis de uitkering op goede gronden heeft beëindigd en ingetrokken. Maar aan het besluit tot terugvordering kleeft een motiveringsgebrek. Orionis krijgt via een zogeheten bestuurlijke lus de gelegenheid dit gebrek te herstellen.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 15 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is Orionis gebleven bij het besluit tot intrekking, beëindiging en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiseres.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld, tegelijk met een ander beroep van eiseres met zaaknummer 25/4663. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en namens Orionis mr. N.M. Feijtel, [persoon 1] en [persoon 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres ontving sinds 2010 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Zij huurde een woning aan de [adres] .

Omdat bij een periodiek heronderzoek naar voren kwam dat eiseres in 2024 naar Spanje en Portugal was geweest, terwijl zij dit niet had gemeld bij Orionis, heeft Orionis nader onderzoek verricht. In dat kader is de uitkering van eiseres een aantal malen opgeschort omdat zij niet direct de gevraagde informatie had verstrekt over haar verblijf in het buitenland en niet de gevraagde bankafschriften had overgelegd. Eiseres is twee maal uitgenodigd voor een gesprek om uitleg te geven over haar situatie en de nog ontbrekende bankafschriften over 2025 in te leveren, maar is niet verschenen.

Op basis van dit onderzoek is een rapport opgesteld, waarin onder meer het volgende is vermeld (kort samengevat en voor zover van belang):

het waterverbruik was 2023 en 2024 laag, maar niet extreem laag;

eiseres heeft nimmer melding gedaan van reizen naar het buitenland;

uit de bankafschriften blijkt dat vanaf 11 mei 2022 pintransacties vrijwel alleen plaatsvinden buiten Walcheren;

daaronder zijn betalingen voor een kapper, restaurants, een huisarts en een opticien, alle in [plaats 2] ;

in 2024 zijn enkel pintransacties gedaan buiten Walcheren (meestal in [plaats 3] ) en een aantal keer in Spanje, Portugal, Polen en België;

er zijn door de heer [persoon 3] in de periode 2022-2024 stortingen gedaan op de rekening van eiseres van € 5.150,- totaal;

bij een buurtonderzoek hebben drie buurtbewoners verklaard dat zij eiseres de laatste tijd nauwelijks hebben gezien, maar haar dochter wel.

Dit heeft geleid tot een besluit van 17 april 2025 (primair besluit) waarin Orionis heeft besloten tot:

beëindiging van de uitkering van eiseres per 1 april 2025;

intrekking van de uitkering over de periode van 11 mei 2022 tot en met 31 maart 2025;

terugvordering van de te veel betaalde uitkering over die periode van € 50.988,72.

Dit omdat eiseres geen juiste inlichtingen heeft verstrekt over haar hoofdverblijf (dat is niet de [adres] ), over haar verblijf in het buitenland en over ontvangen geldbedragen. Daardoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.

Bij besluit van 15 augustus 2025 (bestreden besluit) heeft Orionis het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard. Er zijn gegronde twijfels over het hoofdverblijf van eiseres en zij is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het centrum van haar persoonlijk leven in [plaats 1] lag. Zij verbleef veelvuldig buiten Walcheren en in het buitenland. Conform het advies van de bezwaarschriftencommissie wordt de uitkering beëindigd per 7 april 2025 en ingetrokken over de periode van 11 mei 2022 tot en met 6 april 2025.

Standpunt eiseres

4. Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat zij wel degelijk haar woonplaats in [plaats 1] heeft. In haar woning bevinden zich haar persoonlijke bezittingen en haar financiële administratie; zij heeft daar haar huisarts en apotheek en heeft een normaal energie- en waterverbruik. Bij haar aanvraag in 2009 is haar verteld dat zij een vriend mag hebben, zolang zij beiden eigen huisvesting hebben. Orionis keert de bewijslast om, maar eiseres hoeft haar hoofdverblijf niet aannemelijk te maken, Orionis moet aannemelijk maken dat zij haar hoofdverblijf niet in [plaats 1] had.

Ten aanzien van de terugvordering wijst eiseres op de grote emotionele impact die dit op haar heeft, zij is hierdoor psychisch gedecompenseerd en is in september 2025 door de psychiater doorverwezen voor klinische behandeling. De gemachtigde van eiseres bepleit een ruimere toepassing van dringende redenen, onder verwijzing naar een conclusie van raadsheer advocaat-generaal De Bock.

Toetsingskader

5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Intrekking en beëindiging

6. Deze zaak draait in de kern om het hoofdverblijf van eiseres in de periode van 11 mei 2022 tot en met 6 april 2025. Orionis is bij de verstrekking van de uitkering uitgegaan van hoofdverblijf in [plaats 1] . Orionis stelt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Aangezien sprake was van een lopende uitkering ligt de bewijslast hierbij in eerste instantie bij Orionis.

Vast staat dat eiseres niet aan Orionis heeft gemeld dat zij een aantal malen naar het buitenland is geweest, noch dat zij forse stortingen heeft ontvangen van de heer [persoon 3] . Zij heeft ook niet aan Orionis gemeld dat zij veelvuldig verbleef bij de heer [persoon 3] in eerst [plaats 2] en later [plaats 3] en dat hij aan haar een auto ter beschikking had gesteld. Omdat dit alles van belang kan zijn voor het recht op bijstand is naar het oordeel van de rechtbank sprake van schending van de inlichtingenplicht.

Eiseres heeft in dit verband nog aangevoerd dat bij haar aanvraag in 2009 is verteld dat zij een vriend mag hebben, zolang zij beiden eigen huisvesting hebben. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat dit destijds zo aan haar is verteld. Orionis heeft er ter zitting ook op gewezen dat in de loop der jaren meerdere malen informatie over dit onderwerp is verstrekt in de nieuwsbrieven. Bovendien staat vast dat de eiseres niet alleen over haar hoofdverblijf, maar ook over haar verblijf in het buitenland en over wat zij kreeg van de heer [persoon 3] onvoldoende informatie heeft verstrekt aan Orionis. Deze grond slaagt dus niet.

Uit de bankafschriften blijkt dat eiseres vanaf 11 mei 2022 vrijwel geen pinbetalingen meer heeft gedaan in [plaats 1] , maar voornamelijk in achtereenvolgens [plaats 2] en [plaats 3] . Daar komt bij dat zij in oktober 2024 aan haar huisarts heeft verzocht om een verwijzing naar een internist in [plaats 3] omdat zij daar veel is. De rechtbank is evenals Orionis van oordeel dat dit ernstige twijfel oproept of eiseres in die periode nog wel haar hoofdverblijf had in haar woning in [plaats 1] . Gelet op de schending van de inlichtingenplicht betekent dit dat het vervolgens op de weg van eiseres lag om zodanige informatie te verstrekken dat Orionis het recht op uitkering wel kan vaststellen.

Daar is eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De stelling dat haar persoonlijke bezittingen en financiële administratie zich in de woning in Middelburg bevinden is daarvoor onvoldoende. Daarbij speelt ook een rol dat eiseres niet is verschenen op de geplande gesprekken, zodat geen huisbezoek heeft kunnen plaatsvinden. Orionis heeft ook zelf onderzoek verricht om meer duidelijkheid te verkrijgen, maar de observaties en het buurtonderzoek gaven die duidelijkheid niet.

Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat Orionis de uitkering op goede gronden heeft beëindigd en ingetrokken.

Terugvordering

7. Eiseres stelt dat sprake is van dringende redenen om af te zien van terugvordering. Daarbij gaat het met name om haar psychische situatie die volgens haar door de besluiten van Orionis sterk is verslechterd.

In een aantal uitspraken van 10 december 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat er een ruimere invulling moet worden geven aan het begrip ‘dringende redenen’ om geheel of gedeeltelijk van terugvordering te kunnen afzien. Een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken moet zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening moet worden gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De bestuursrechter moet deze afweging toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met name aan het evenredigheidsbeginsel.

Orionis stelt zich op het standpunt dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Daarbij heeft Orionis van belang geacht dat er geen onbetwistbaar causaal verband bestaat tussen de terugvordering en de zelfmoordpoging van eiseres. Verder ziet Orionis in de financiële situatie van eiseres ook geen reden om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering, nu eiseres wordt beschermd door de beslagvrije voet. Ter zitting is nog gewezen op het kwijtscheldingsbeleid.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Orionis in de financiële situatie van eiseres geen aanleiding hoeven te zien om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, gelet op de beslagvrije voet en het kwijtscheldingsbeleid. De rechtbank is echter van oordeel dat Orionis bij de belangenafweging ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de ernstige psychische gevolgen voor eiseres van de terugvordering. Uit de overgelegde medische informatie – met name de verklaring van 1 juli 2025 van de verpleegkundig specialist van Emergis – blijkt voldoende dat de besluiten hebben geleid tot psychische decompensatie. Dat eiseres al langer psychische klachten had doet daar niets aan af. In zoverre lijdt het bestreden besluit dan ook aan een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

8. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat het bestreden besluit ten aanzien van de beëindiging en intrekking de rechterlijke toets kan doorstaan. Maar dat geldt niet voor zover het de terugvordering betreft. Op dat onderdeel lijdt het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek en komt het voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet hierin aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank zal Orionis in de gelegenheid stellen om binnen vier weken na deze uitspraak het onder 7.3 geconstateerde gebrek te herstellen. Orionis zal een nieuwe belangenafweging moeten maken, waarbij ook de psychische gevolgen van de besluiten voor eiseres worden betrokken, om te bezien of alsnog (gedeeltelijk) moet worden afgezien van terugvordering. Als Orionis hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen.

Als Orionis wel gebruik maakt van deze mogelijkheid, krijgt eiseres vier weken de gelegenheid om op de herstelpoging van Orionis te reageren.

In beginsel, ook in de situatie dat Orionis de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting einduitspraak doen.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat betekent ook dat de rechtbank over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van H. Oulad El Hadj, griffier op 19 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet (PW)

Artikel 11, lid 1

Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 17, lid 1

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. […]

Artikel 40, lid 1

Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. […]

Artikel 54, lid 3, eerste volzin

Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, […] heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Artikel 58, lid 1

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, […].

Artikel 58, lid 8

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Burgerlijk Wetboek, Boek 1 (BW)

Artikel 10, eerste lid

De woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

Artikel 11, eerste lid

Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?