ECLI:NL:RBZWB:2026:1997

ECLI:NL:RBZWB:2026:1997

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer C-02-443568 - JE RK 25-2334
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

verlenging ondertoezichtstelling

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/443568 / JE RK 25-2334

Datum uitspraak: 29 januari 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling in Goes,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof in ‘s- Heer Arendskerke.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 december 2025.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

twee vertegenwoordigers van de GI;

een vertegenwoordiger van de Raad.

De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 februari 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 3 februari 2026.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI verwijst voor de onderbouwing van het verzoek naar het verzoekschrift.

De vader heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek.

De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek.

[minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat ze graag wil dat de ondertoezichtstelling verlengd wordt omdat ze fijn met de jeugdbeschermer kan praten.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat zij nog steeds opgroeien in een opvoedsituatie die nog niet emotioneel veilig en voorspelbaar is. De doelen die gesteld zijn en waaraan gewerkt moet worden binnen de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Er is nog steeds sprake van wantrouwen en een verstoorde communicatie tussen de ouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten nog steeds klem tussen hun ouders en bij met name [minderjarige 2] is nog geen sprake van onbelast contact met ieder van de ouders. [minderjarige 2] lijkt nog steeds hinder te ondervinden van de scheiding en heeft veel meegekregen van de spanningen tussen de ouders. Het lukt de ouders niet om nader tot elkaar te komen en een traject gericht op ouderschapsbemiddeling is niet van de grond gekomen. De kinderrechter is van oordeel dat het van belang is dat de GI de komende periode hulpverlening gaat inzetten voor [minderjarige 2] zodat zij de scheiding tussen haar ouders kan leren verwerken. Het is van belang dat de ouders de komende periode tot concrete en werkbare afspraken komen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter vindt het daarbij van belang dat wordt gekeken naar de inzet van een vertrouwenspersoon voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodat zij iemand hebben waarop zij terug kunnen vallen. De kinderrechter geeft de GI mee te kijken naar de inzet van psycho-educatie en te onderzoeken wat nodig is om de opvoedrelatie tussen de moeder en, met name, [minderjarige 2] te verbeteren.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders vanwege onderling wantrouwen en een verstoorde communicatie niet lukt om een hulpverleningstraject in het vrijwillig kader aan te gaan.

De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van negen maanden.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 3 november 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Duerink-Bottinga als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?