ECLI:NL:RBZWB:2026:2034

ECLI:NL:RBZWB:2026:2034

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 23-03-2026
Datum publicatie 20-03-2026
Zaaknummer 24/8089
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Art. 3.81 Wet IB 2001. Uitkering uit Anw-hiaatverzekering is belast als loon uit vroegere dienstbetrekking. Voldoende causaal verband met de dienstbetrekking.

Uitspraak

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij de aanslag is een beschikking belastingrente opgelegd.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1], [inspecteur 2] en [inspecteur 3].

Feiten

2. Belanghebbende was gehuwd met de heer [echtgenoot] (de echtgenoot). De echtgenoot is op [datum] 2016 overleden.

De echtgenoot is in het jaar 2006 in een coma geraakt. Hij was op dat moment in loondienst bij [bedrijf] B.V. ([bedrijf]).

Als gevolg van een sociaal akkoord tussen [bedrijf] en de vakbonden hebben alle werknemers van [bedrijf] eind 2007 een aanbod ontvangen om deel te nemen aan een verzekering voor een Anw-hiaatpensioen vanuit het bedrijfspensioenfonds stichting Pensioenfonds van de Metalektro (hierna: PME).

Belanghebbende heeft op 21 december 2007 haar echtgenoot aangemeld voor een Anw-hiaatpensioenverzekering bij PME via [bedrijf]. De echtgenoot wordt eerst niet geaccepteerd door PME.

Per 1 mei 2008 is het dienstverband van de echtgenoot bij [bedrijf] beëindigd.

Op 27 augustus 2009 heeft PME de echtgenoot alsnog geaccepteerd vanwege bijzondere omstandigheden en is de echtgenoot toegelaten tot de verzekering door PME met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008. PME heeft op het leven van de echtgenoot met ingang van 1 januari 2008 een Anw-hiaatpensioen verzekerd, waarbij belanghebbende is aangewezen als begunstigde. Belanghebbende heeft de premies vervolgens zelf betaald.

Belanghebbende ontvangt vanaf 1 april 2016 tot en met heden Anw-hiaatpensioen van PME.

Belanghebbende heeft op 15 maart 2023 aangifte IB/PVV 2022 gedaan. Het aangegeven inkomen uit werk en woning bedraagt € 36.847 en bestaat onder andere uit een bedrag van € 13.190 aan inkomsten uit vroegere dienstbetrekking.

De volgende inkomsten uit vroegere dienstbetrekking zijn opgenomen in de aangifte IB/PVV 2022:

Uitkeringsinstantie

Loonheffing

Uitkering

Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V.

€ 480

€ 1.344

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Mode-, interieur-, Tapijt en Textielindustrie

€ 186

€ 527

Stichting PME Pensioenfonds

€ 9.708

€ 26.214

Af: PME Anw Hiaat onbelast deel

€ 0

-/- € 14.895

Totaal

€ 10.374

€ 13.190

De inspecteur heeft belanghebbende met dagtekening 4 oktober 2023 verzocht om extra informatie te verstrekken, meer specifiek heeft de inspecteur verzocht om correspondentie over de terugbetaling van de inkomsten van PME als negatief loon.

Gemachtigde heeft in zijn reactie van 10 oktober 2023 het volgende aangegeven: 'U stelt dat cliënte terugbetaalde inkomsten aan PME heeft vermeld als negatief loon. Dit is niet correct. Cliënte heeft geen bedragen terugbetaald aan PME. In de PME uitkering is naast een nabestaandenpensioen ook een Anw-hiaatverzekeringsuitkering begrepen. Voor de premie van deze Anw-hiaatverzekering heeft indertijd geen premieaftrek plaatsgehad cq. is de aftrek gecorrigeerd omdat deze verzekering niet voldeed aan de eisen om voor aftrek in aanmerking te komen. Gezien het bovenstaande zijn wij van mening dat de als gevolg van deze Anw-hiaatverzekeringen verstrekte uitkeringen onbelast dienen te zijn en hebben dit bedrag derhalve in mindering gebracht op de totale uitkering van PME.'

De definitieve aanslag is vastgesteld met dagtekening 14 juni 2024. Het belastbaar inkomen uit werk en woning op de aanslag bedraagt € 51.742, waarin de Anw-hiaatpensioenuitkeringen van € 14.895 als geheel belast in aanmerking zijn genomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2022 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de inspecteur het bedrag uit de Anw-hiaatverzekering van PME van € 14.895 terecht als belastbaar inkomen uit werk en woning heeft aangemerkt. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.

4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bedrag uit de Anw-hiaatverzekering terecht als belastbaar inkomen uit werk en woning heeft aangemerkt. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

5. Tussen partijen is in geschil of de uitkering uit de Anw-hiaatverzekering belast is. De inspecteur stelt primair dat de uitkering belast is op grond van artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) (loon uit dienstbetrekking) en subsidiair op grond van artikel 3.100 van de Wet IB 2001 (periodieke uitkering en verstrekkingen). Belanghebbende betwist dat sprake is van belastbaar inkomen.

De rechtbank stelt voorop dat voor belastingheffing op grond van artikel 3.81 van de Wet IB 2001 vereist is dat sprake is van een voldoende causaal verband tussen de uitkering en de (vroegere) dienstbetrekking.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een causaal verband tussen de ontvangen uitkering uit de Anw-hiaatverzekering en de (vroegere) dienstbetrekking. Daartoe voert zij aan dat de verzekering individueel is afgesloten, dat de werkgever geen partij was bij de overeenkomst, de werkgever geen financiële bijdrage heeft geleverd en dat de premies niet in het loon van de echtgenoot zijn verwerkt. Volgens belanghebbende is het dienstverband hooguit een voorwaarde geweest om tot de verzekering te worden toegelaten, maar niet de oorzaak van de uitkering. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan toegevoegd dat de aanvraag en toekenning van de uitkering buiten de reguliere procedure van het sociaal akkoord zijn verlopen en dat sprake was van een individuele toezegging, nadat de echtgenoot al uit dienst was getreden.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van een dergelijk causaal verband. De Anw-hiaatverzekering is aangeboden aan werknemers van de werkgever en vloeit voort uit het dienstverband. Dat de verzekering (uiteindelijk) individueel is uitgevoerd en dat de werkgever niet (meer) betrokken was bij de nadere afhandeling, doet volgens de inspecteur niet af aan de oorsprong van de aanspraak in de dienstbetrekking.

De rechtbank is van oordeel dat het causale verband tussen de uitkering en de vroegere dienstbetrekking aanwezig is. In dit geval is niet alleen sprake van een verzekering die mogelijk is vanwege de dienstbetrekking, er zijn ook aanvullende omstandigheden die maken dat sprake is van een voldoende causaal verband met de dienstbetrekking. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat:

de Anw-hiaat verzekering is aangeboden aan werknemers van de werkgever naar aanleiding van een sociaal akkoord tussen de vakbonden en de werkgever. De werkgever was dus betrokken bij het aanbod;

de echtgenoot van belanghebbende tot deze groep werknemers behoorde en juist bedoeld is om hem met terugwerkende kracht hetzelfde te behandelen als de werknemers die meegenomen zijn via de reguliere procedure;

de aanspraak is ontstaan binnen de context van het dienstverband;

het feit dat de aanvraag of toekenning deels buiten de reguliere procedure is verlopen, niet wegneemt dat de grondslag van de aanspraak ligt in het sociaal akkoord en het dienstverband;

dat de totstandkoming van de verzekering op bepaalde punten anders is verlopen bij de echtgenoot dan bij de overige werknemers en de werkgever niet (meer) actief betrokken was bij de individuele afhandeling, er naar het oordeel van de rechtbank niet toe leidt dat het causaal verband is verbroken. Dit vindt zijn oorzaak in de bijzondere omstandigheden. Bij de overige werknemers heeft de premiebetaling wel via het loon plaatsgevonden, maar dit was bij de echtgenoot niet meer mogelijk.

De uitkering moet daarom worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van artikel 3.81 van de Wet IB 2001.

Overigens overweegt de rechtbank dat, indien geen sprake zou zijn van belastbaarheid op grond van artikel 3.81 van de Wet IB 2001, de uitkering dan belast is als inkomen uit werk en woning op grond van artikel 3.100 van de Wet IB 2001. Sinds de wetswijziging per 1 januari 2015 is voor de belastbaarheid van uitkeringen uit pensioenregelingen op grond van dat artikel niet langer vereist dat sprake is van een causaal verband met de dienstbetrekking. Alle uitkeringen die voortvloeien uit een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7 van de Wet IB 2001 worden belast als periodieke uitkeringen, ook als het gaat om een vrijwillige aanvulling op een basispensioenregeling. De Anw-hiaatverzekering kwalificeert als een dergelijke regeling. Dat de premieaftrek in het verleden al dan niet is toegestaan, is daarbij niet relevant voor de heffing over de uitkeringen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de uitkering uit de Anw-hiaatverzekering terecht tot het belastbaar inkomen uit werk en woning is gerekend, omdat sprake is van loon uit vroegere dienstbetrekking dan wel de uitkering is belast als periodieke uitkering. Daarom is de aanslag IB/PVV 2022 niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2022 en de beschikking belastingrente in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032716
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?