[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Belanghebbende heeft met dagtekening 27 december 2024, ontvangen door de inspecteur op 9 januari 2025, bezwaar gemaakt tegen de rekening motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 1 december 2024 tot en met 25 januari 2025. Daarnaast heeft hij met dagtekening 9 januari 2025, ontvangen door de inspecteur op 10 januari 2025, bezwaar gemaakt tegen de mededeling waarin wordt vermeld dat het bedrag van de motorrijtuigenbelasting over dat tijdvak gewijzigd is.
De inspecteur heeft met dagtekening 6 februari 2025 de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet mogelijk is bezwaar te maken tegen een niet betaalde rekening.
Belanghebbende stelt de uitspraak op bezwaar niet te hebben ontvangen. Belanghebbende heeft de inspecteur op 1 april 2025, ontvangen door de inspecteur op 3 april 2025, in gebreke gesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een uitspraak op bezwaar.
De inspecteur heeft met dagtekening 15 april 2025 beslist op de ingebrekestelling. Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom.
Belanghebbende heeft op 17 april 2025 beroep ingesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een uitspraak op bezwaar en verzoekt om een dwangsom en een schadevergoeding.
Omdat het beroep wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is en het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar en de dwangsombeschikking kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beantwoordt eerst de vraag of het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar ontvankelijk is. Vervolgens komt zij toe aan een inhoudelijke beoordeling van de uitspraak op bezwaar en de dwangsombeschikking en verklaart het beroep daartegen ongegrond. De rechtbank is onbevoegd ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Is sprake van een beroep wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar?
3. Belanghebbende heeft beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen op zijn bezwaren. Hij voert aan dat hij de uitspraak op bezwaar van 6 februari 2025 niet heeft ontvangen en op het moment dat hij beroep instelde daarmee dus nog niet bekend was. In dat geval moet de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen aan de hand van de regels die gelden voor een beroep die wordt ingesteld wegens niet tijdig beslissen.
Die regels zijn, voor zover relevant, als volgt. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen.Voor het moment waarop de ingebrekestelling geschiedt, geldt de ontvangsttheorie. Dat betekent dat de datum van ontvangst, en dus niet de datum van verzending, van de ingebrekestelling door het bestuursorgaan bepalend is.
De ingebrekestelling is op 3 april 2025 door de inspecteur ontvangen. Belanghebbende heeft bij brief van 15 april 2025, ontvangen door de rechtbank op 17 april 2025, beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. Belanghebbende is te vroeg in beroep gegaan. De termijn van twee weken die in de ingebrekestelling staat, was namelijk gelet op de datum van de ontvangst van de ingebrekestelling nog niet voorbij toen belanghebbende beroep heeft ingediend. Het beroep niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
Indien het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht dit besluit te nemen. Dat geldt ook als het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Belanghebbende stelt dat hij tijdens de beroepsfase voor het eerst bekend is geworden met de uitspraak op bezwaar. In dat geval heeft het beroep mede betrekking op het alsnog bekendgemaakte besluit. De rechtbank gaat daarom hieronder in de uitspraak op bezwaar.
Is het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ontvankelijk en gegrond?
4. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Tenzij de uitspraak op bezwaar pas later bekend is gemaakt, dan begint de termijn op de dag na die van de bekendmaking.Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep in beginsel niet-ontvankelijk.
Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 6 februari 2025 is. Belanghebbende betwist echter de uitspraak op bezwaar (tijdig) te hebben ontvangen. In dat geval moet ervan uit worden gegaan dat hierin de betwisting van de (tijdige) verzending van dat besluit besloten ligt. Omdat belanghebbende de verzending van de uitspraak op bezwaar betwist, dient de inspecteur die verzending aannemelijk te maken. Daartoe zal de inspecteur mede aannemelijk moeten maken dat, en aan welk, postvervoersbedrijf het desbetreffende stuk is aangeboden. De inspecteur heeft de verzending van de uitspraak op bezwaar niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat belanghebbende pas later bekend is geworden met de uitspraak op bezwaar. Als belanghebbende al beroep had ingesteld voordat hij bekend was met de uitspraak op bezwaar, is dat niet erg. Het beroep is ook dan ontvankelijk omdat de uitspraak op bezwaar al wel tot stand was gekomen. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ontvankelijk.
De rechtbank komt toe aan een inhoudelijke beoordeling van de uitspraak op bezwaar. De motorrijtuigenbelasting moet worden voldaan op aangifte. Belanghebbende kan bezwaar maken tegen een aanslagbiljet of een afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking. De rekening en de mededeling waartegen belanghebbende bezwaar heeft gemaakt zijn geen aanslagbiljet of een voor bezwaar vatbare beschikking. Belanghebbende kan enkel bezwaar maken tegen de voldoening op aangifte, oftewel de betaling van de motorrijtuigenbelasting, omdat de voldoening op aangifte gelijk wordt gesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking. Omdat belanghebbende de motorrijtuigenbelasting niet heeft betaald, is er geen sprake van voldoening op aangifte. Aangezien belanghebbende enkel tegen de rekening en de mededeling in bezwaar is gegaan en deze niet voor bezwaar vatbaar zijn, heeft de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
Heeft belanghebbende recht op een dwangsom?
5. Het beroep ziet mede op de dwangsombeschikking van 15 april 2025. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de dwangsom terecht heeft afgewezen, omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Er is immers bezwaar gemaakt tegen brieven die niet voor bezwaar vatbaar zijn.
Verzoek om schadevergoeding
6. Belanghebbende verzoekt om een schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. De rechtbank kan alleen een schadevergoeding uitspreken als het beroep (gedeeltelijk) gegrond is. Dat is hier niet aan de orde. Er is dan ook geen beroep mogelijk bij de belastingrechter. Belanghebbende kan het verzoek om schadevergoeding voorleggen aan de civiele rechter.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar met dagtekening 6 februari 2025 en de dwangsombeschikking ongegrond. De rechtbank is onbevoegd ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar met dagtekening 6 februari 2025 en de dwangsombeschikking ongegrond;
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 20 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.