ECLI:NL:RBZWB:2026:2124

ECLI:NL:RBZWB:2026:2124

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 26/706 WVW VV
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Mondelinge uitspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid en schorsing van de geldigheid van het rijbewijs. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het CBR uit mogen gaan van de resultaten van de ademanalyse en heeft hij niet uit hoeven gaan van de resultaten van het latere bloedonderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/706 WVW VV

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 11 maart 2026 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

gemachtigde: mr. J. Schuttkowski,

en

gemachtigde: [gemachtigde] .

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 december 2025 (bestreden besluit) van het CBR. Met dit besluit heeft het CBR aan verzoeker een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 11 maart 2026. Daar zijn verschenen: verzoeker, gemachtigde van verzoeker en gemachtigde van het CBR. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan.

Overwegingen

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

De voorzieningenrechter neemt een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening aan en overweegt verder het volgende.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het bestuursrecht andere bewijsregels gelden dan in het strafrecht, waar sprake moet zijn van wettig en overtuigend bewijs. In gevallen zoals deze dient het CBR aannemelijk te maken gemaakt dat er een vermoeden was dat verzoeker niet meer geschikt was om te rijden.

Het CBR heeft het bestreden besluit gebaseerd op de resultaten van een adem-analysetest die verzoeker bij de politie heeft afgelegd en waarvan de uitslag volgens het ademticket meer dan 785 µg/l bedroeg.

Verzoeker stelt dat dat niet juist en dat dient te worden uitgegaan van de resultaten van het bloedonderzoek dat ook plaats heeft gevonden. Volgens verzoeker kan namelijk worden getwijfeld aan de uitlag van het ademonderzoek. Verzoeker heeft de ademtest twee keer verricht, waarbij de eerste keer is mislukt, er geen uitslag is verkregen maar het apparaat de melding ‘controleer spoelingang’ gaf. Er is niet gebleken dat het apparaat bij de tweede test wel goed functioneerde en een juiste uitslag heeft gegeven.

Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat in beginsel uit kan worden gegaan van een ademanalyse. De voorzieningenrechter ziet geen reden om daar in dit geval niet vanuit te gaan. De voorzieningenrechter ziet geen reden te twijfelen aan het ademonderzoek noch het resultaat daarvan. Ongeveer een kwartier na de eerste test is de tweede aangevangen. Die heeft wel geleid tot een voltooid onderzoek en een uitslag. Ondanks de eerdere melding heeft het apparaat dus een resultaat opgeleverd. De voorzieningenrechter ziet geen reden om er van uit te gaan dat de tweede analyse of dat resultaat niet juist is. Uit het bloedonderzoek dat 2 uur later heeft plaatsgevonden blijkt een iets lager promillage. Het is echter van algemene bekendheid dat door tijdsverloop alcohol in het lichaam wordt afgebroken. Dit blijkt ook uit informatie van bijvoorbeeld [zorgorganisatie] . De uitslag van het bloedonderzoek wijkt niet zoveel af van dat van het ademonderzoek en kan worden verklaard door het tijdsverloop. Deze geringe afwijking ondersteunt naar het oordeel van de voorzieningenrechter de juistheid van de uitslag van de ademanalyse.

Nu verzoeker geen beroep heeft gedaan op bijzondere omstandigheden, zal de voorzieningenrechter zich daarover niet uitlaten.

De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat de verwachting bestaat dat het bestreden besluit in bezwaar standhoudt. Er is daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek dan ook af.

Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen heeft verzoeker geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 11 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H.D. Sebel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?