[verzoeker], uit [plaats], verzoeker.
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, onder c, van de Awb dient een bezwaar- of beroepschrift in ieder geval een omschrijving van het besluit waartegen bezwaar of beroep is gericht te bevatten.
In artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald, voor zover hier van belang, dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5.
Ingevolge artikel 8:81, vierde lid, van de Awb, zijn de hiervoor genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing bij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder zitting, indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
4. Uit het verzoekschrift blijkt niet met welk besluit verzoeker het niet eens is en of verzoeker bezwaar heeft gemaakt. De griffier heeft verzoeker op 6 maart 2026 in de gelegenheid gesteld om alsnog een kopie van het door hem bestreden besluit over te leggen. Verzoeker heeft binnen de gestelde termijn niet gereageerd. De griffier heeft daarna nog een aantal keren geprobeerd om telefonisch contact met verzoeker op te nemen, maar kreeg steeds geen gehoor. Omdat het hierdoor niet mogelijk is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te beoordelen, zal het verzoek niet-ontvankelijk verklaard worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 24 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: