ECLI:NL:RBZWB:2026:2184

ECLI:NL:RBZWB:2026:2184

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 02-224646-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Diefstal gevolgd van geweld, taakstraf, gevangenisstraf gelijk aan voorarrest en voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar, niet als bijzondere voorwaarde opgenomen dat verdachte in begeleid wonen of maatschappelijke opvang moet verblijven, geen dadelijke uitvoerbaarheid.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-224646-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 maart 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

,

raadsvrouw mr. M.V. de Nooijer, advocaat te Middelburg.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 maart 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. Officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 3 juli 2024 een fatbike van [slachtoffer 1] heeft gestolen door middel van (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waarbij door verdachte een op een vuurwapen lijkend voorwerp is gebruikt. Subsidiair is de poging hiervan ten laste gelegd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde diefstal van een fatbike gevolgd door geweld en bedreiging met geweld wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat het feit kan worden gekwalificeerd als een diefstal gevolgd door geweld om voor zichzelf de vlucht mogelijk te maken en voert daartegen geen verweer. Voor het op voornoemde [slachtoffer 2] richten van het wapen en (daarbij) zeggen “ik schiet” ziet de verdediging echter onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verdachte heeft bekend op 3 juli 2024 in Vlissingen de fatbike van [slachtoffer 1] te hebben gestolen en kort daarna met een nepvuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer 2] te hebben geslagen. Het voltooid zijn van de diefstal en het vervolgens gebruiken van geweld, staat daarmee niet ter discussie.

Op basis van het dossier kan verder niet de overtuiging gekregen dat sprake was van een echt vuurwapen, zodat de rechtbank uitgaat van ‘een vuurwapen gelijkend voorwerp’. Evenmin kan uit het dossier of meer specifiek uit de aangiften en verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met zekerheid worden afgeleid dat verdachte heeft gezegd te zullen schieten. De beide aangevers verklaren wel dát verdachte iets zei, maar hebben niet precies gehoord wát. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

Wel verklaren beide aangevers zelf te hebben gezien dat verdachte het vuurwapen gelijkend voorwerp op [slachtoffer 2] richtte. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die waarnemingen en verklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom ook worden bewezen dat verdachte bij de diefstal heeft gedreigd met geweld.

De bewezenverklaring

Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 3 juli 2024 te Vlissingen een fatbike, die aan [slachtoffer 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd door geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, door:

- eenmaal met een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan en

- met een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 2] te richten.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 167 dagen voorwaardelijk, en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en een proeftijd van twee jaren. Daarbij vordert de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid en ziet hij geen reden voor toepassing van het adolescentenstrafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals uitgebreid beschreven in het reclasseringsadvies. In aanvulling daarop moet ook worden meegewogen dat verdachte in voorarrest heeft gezeten, zijn voorlopige hechtenis al in juli 2024 is geschorst en hij toen vijf maanden met een enkelband heeft gelopen. Dat heeft een flinke impact op zijn leven gehad. In de lange periode van schorsingstoezicht die daarop volgde, bijna twee jaar, heeft verdachte zich goed aan de afspraken gehouden. Verder ziet de verdediging aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Gezien het voorgaande verzoekt de verdediging om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen en de proeftijd te beperken tot een jaar. Verdachte stemt daarbij in met de door de reclassering geformuleerde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde van verblijf in begeleid wonen bij [stichting] . Verdachte voelt zich daar niet op zijn gemak, zelfs onveilig. De voorwaarde is bovendien vaag geformuleerd, niet noodzakelijk en gedoemd te mislukken.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met (bedreiging met) geweld. Hij is met kwade intenties naar de fatbike gegaan en had deze al weggenomen toen hij door eigenaar [slachtoffer 1] en diens vriend [slachtoffer 2] werd betrapt en achterna gerend. In zijn vlucht is verdachte de confrontatie aangegaan met [slachtoffer 2] en heeft hem met een nepvuurwapen bedreigd en tegen zijn hoofd geslagen, waardoor [slachtoffer 2] letsel heeft opgelopen. Het leek de beide aangevers een echt vuurwapen, zodat bij hen de beangstigende gedachte is ontstaan dat er ook daadwerkelijk kon worden geschoten. Uit de verklaring van met name [slachtoffer 2] komt naar voren dat het incident grote impact heeft gehad. Het is al zorgelijk dat verdachte een fatbike wilde stelen, maar eens te meer dat hij daarbij met een nepvuurwapen op zak liep en het gebruik van geweld kennelijk niet schuwt. Ook het bezit en gebruik van een nepvuurwapen kan angst en verwarring veroorzaken en verhoogt het risico op geweld en escalatie. Verdachte heeft geen respect gehad voor de eigendommen en de lichamelijke integriteit van anderen en zijn handelen heeft bijgedragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, ook voor geweldpleging en het bezit van een (steek)wapen. Dit is echter al geruime tijd geleden.

Ook slaat de rechtbank acht op het rapport van de reclassering van 27 februari 2026. De reclassering benoemt problematiek op het gebied van de pyschosociale ontwikkeling van verdachte (zelfredzaamheid en algeheel welzijn). Eerdere ambulante begeleiding heeft wel stabiliteit gebracht op praktisch gebied, maar verdachte blijkt zelfstandig onvoldoende in staat om uit de problemen te blijven. Ook intensieve woonbegeleiding bleek, na een positieve intake, een te grote stap. De reclassering adviseert intensievere ambulante behandeling door Forensische Zorg Zeeland (FZZ), met zo nodig alsnog opnieuw een aanmelding bij [stichting] . Het doel is een betere basis op praktisch gebied om de haalbaarheid van de behandeling gericht op het psychosociaal functioneren te vergroten. Verder wordt het risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden als gemiddeld geschat. Gelet op de handelingsvaardigheden van verdachte en mate van mogelijke pedagogische beïnvloeding, acht de reclassering het jeugdstrafrecht niet geïndiceerd. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en beheersing van middelengebruik.

Het toe te passen sanctierecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit 22 jaar en dus meerderjarig. Uitgangspunt is dan toepassing van het volwassenenstrafrecht. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan de rechtbank het adolescentenstrafrecht toepassen voor verdachten tussen de 18 en 23 jaar, als de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader en/of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank ziet in het door de reclassering en de verdediging genoemde vermoeden van een licht verstandelijke beperking en de impulsiviteit van verdachte weliswaar een indicatie voor toepassing van het adolescentenstrafrecht, maar de persoonlijke situatie van verdachte is daar niet naar. Hij heeft werk, zit niet meer op school en heeft al een kind. Pedagogische beïnvloeding is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. De rechtbank past daarom – conform het uitgangspunt – het volwassenenstrafrecht toe, maar houdt met de eerdergenoemde kwetsbaarheden van verdachte wel rekening bij de strafmaat.

De op te leggen straf

Gelet op de ernst van het feit, de persoon van verdachte en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf en daarnaast een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf passend en geboden is. De duur van de taakstraf zoals is gevorderd past weliswaar bij de aard en ernst van het feit, maar doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank vindt het positief dat verdachte werk heeft en hecht er waarde aan dat verdachte vooral aan zichzelf gaat werken en dat de op te leggen taakstraf niet leidt tot ontslag van verdachte. De rechtbank ziet daarin aanleiding om een taakstraf op te leggen voor de duur van 120 uren.

Mede gelet op de persoonlijke omstandigheden en voornoemde kwetsbaarheden van verdachte, zal de rechtbank hem op dit moment niet terug naar de gevangenis sturen. Naast genoemde taakstraf en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest (13 dagen) zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 77 dagen opleggen. Op die manier hoopt de rechtbank verdachte op het juiste pad te houden en hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarbij zullen de bijzondere voorwaarden worden bepaald zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Verdachte heeft te kennen gegeven dat en waarom hij daaraan niet mee wil werken. De rechtbank verwacht dat op dit moment kan worden volstaan met de ambulante behandeling bij FZZ. Indien het ter voorkoming of beperking van risico’s of ter vergroting van de slagingskans van de behandeling op een later moment toch noodzakelijk wordt geacht dat verdachte naar een dergelijke woonvorm gaat, kan een wijziging van de bijzondere voorwaarden worden gevorderd. Gelet op de aard van de problematiek van verdachte en de behandeling die nodig is, zal de proeftijd worden bepaald op twee jaren.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de in artikel 14e Sr gestelde voorwaarden om de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Weliswaar betreft het bewezenverklaarde een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, maar naar het oordeel van de rechtbank hoeft er niet ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Zijn voorlopige hechtenis is immers al geruime tijd geschorst, verdachte staat sindsdien onder toezicht van de reclassering, hij komt afspraken na en heeft zich sinds het bewezenverklaarde feit niet opnieuw schuldig gemaakt aan strafbaarheden. Om die reden zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering niet dadelijk uitvoerbaar verklaren.

Voorlopige hechtenis

Gelet op het voorgaande zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

primair: diefstal, gevolgd door geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen, waarvan 77 (zevenenzeventig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Forensische Zorg Zeeland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van softdrugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- bepaalt dat van rechtswege gelden de bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter, en mr. L. Verschoor-Bergsma en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Vork, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting op 25 maart 2026.

Mr. Van der Wal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.K.J. van der Wal
  • mr. L. Verschoor-Bergsma
  • mr. H. Skalonjic

Griffier

  • mr. A.G. Vork

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?