ECLI:NL:RBZWB:2026:2238

ECLI:NL:RBZWB:2026:2238

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 02-016435-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Belaging. Veroordeling voor het stalken van de ex-partner. Partiele vrijspraak voor het aanjagen van vrees. Veroordeelde heeft geen bedreigingen geuit en wilde slechts in contact komen met aangever. Gevangenisstraf voor de duur van 39 dagen met aftrek. Recidivegrond niet langer aanwezig.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-016435-25

vonnis van de meervoudige kamer van 26 maart 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

raadsvrouw mr. K. Elema, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 maart 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen haar gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie,

mr. I.J.M. van der Hamsvoord, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 27 oktober 2024 tot en met 14 januari 2025 de heer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft gestalkt.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zich op de aangifte, de klacht, het sfeer proces-verbaal en de getuigenverklaringen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen gelet op de inhoud van het strafdossier.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 27 oktober 2024 tot en met 14 januari 2025 de heer [slachtoffer] heeft belaagd. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De rechtbank stelt vast dat verdachte en [slachtoffer] in het verleden een affectieve relatie met elkaar hebben gehad. [slachtoffer] heeft eind 2020 besloten om een punt achter die relatie te zetten. Volgens verdachte heeft [slachtoffer] niet uitgelegd waarom hij de relatie had beëindigd. In de beleving van verdachte kwam er een abrupt einde aan hun relatie. Verdachte heeft naar eigen zeggen meerdere malen contact proberen om te nemen met [slachtoffer] , omdat zij hierover meer duidelijkheid wilde.

Op 14 oktober 2024 doet [slachtoffer] aangifte. Op 13 december 2024 vindt er een eerste en op 31 december 2024 een tweede stopgesprek plaats tussen verdachte en de politie. Hierbij is door de politie het dringende verzoek gedaan om op geen enkele wijze contact op te nemen met [slachtoffer] . Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte vanaf het eerste stopgesprek moeten weten dat [slachtoffer] geen contact meer met haar wilde. De stopgesprekken hebben de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw op verschillende manieren contact te zoeken met [slachtoffer] . Uit het strafdossier blijkt, mede op basis van de beelden, dat de verdachte zich in de tenlastegelegde periode meerdere keren voor en in de buurt van de woning van [slachtoffer] heeft opgehouden en daar heeft aangebeld. Daarnaast heeft verdachte naar eigen zeggen briefjes in de vorm van post-its door de brievenbus gedaan. De politie is meerdere keren naar aanleiding van meldingen ter plaatse gekomen en heeft verdachte daarbij in de buurt van de woning aangetroffen. Verdachte hield zich hier zo frequent op dat op enig moment zelfs de buurtbewoners en de buitenspelende kinderen hiervan hinder ondervonden, zoals blijkt uit het sfeer proces-verbaal. Daarnaast bekent verdachte dat ze zich heeft opgehouden en heeft aangebeld bij de woning van de zus en de moeder van [slachtoffer] . Ondanks dat het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat ze op geen enkele wijze contact mocht opnemen met [slachtoffer] of zich in zijn buurt mocht ophouden, heeft verdachte dit toch gedaan. De gedragingen in de tenlastegelegde periode kunnen naar het oordeel van de rechtbank daarom als wederrechtelijk worden aangemerkt.

Ondanks de relatief korte periode is de rechtbank van oordeel – gelet op de aard en de frequentie van de gedragingen- van oordeel dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van belanging.

Verdachte heeft in die periode wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] met het oogmerk hem te dwingen iets te doen, namelijk de onbeantwoorde vragen van verdachte te beantwoorden en haar daarmee te voorzien van uitleg over de beëindiging van de relatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte niet het oogmerk gehad om [slachtoffer] iets niet te laten doen en heeft zij ook niet de bedoeling gehad om hem vrees aan te jagen. Er zijn geen bedreigingen geuit en verdachte wilde slechts in contact komen met [slachtoffer] . De rechtbank zal verdachte hiervan partieel vrijspreken.

Alles afwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de belaging van [slachtoffer] in de periode van 27 oktober 2024 tot en met 14 januari 2025.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 27 oktober 2024 tot en met 14 januari 2025 te Tilburg,wederrechtelijkstelselmatigopzettelijkinbreuk heeft gemaaktop eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] ,doormeermaals,- zich naar de woning van die [slachtoffer] te begeven en zich in de omgeving opte houden,- bij de woning van die [slachtoffer] aan te bellen,- bij die [slachtoffer] een of meerdere post-it’s in debrievenbus te deponeren,- zich bij de woning van directe familieleden van die [slachtoffer] op te houden en aan te bellen,met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen en te dulden;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 39 dagen met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen dan verzoekt de verdediging om de onvoorwaardelijke straf te beperken tot het reeds ondergane voorarrest. De verdediging verzoekt daarbij om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar medische situatie en daaruit voortvloeiende mobiliteitsproblemen en het ontbreken van een stabiele verblijfplaats. De kans op recidive is minimaal. Een voorwaardelijke straf voegt niets toe, mede gelet op de straffen die nog ten uitvoer moeten worden gelegd en het feit dat ze niet wil meewerken aan gedwongen hulpverlening.

Indien de rechtbank desondanks een voorwaardelijke straf oplegt, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank en verzoekt zij zo mogelijk toepassing te geven aan de maatregel zoals weergegeven in artikel 38V van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in plaats van het opleggen van bijzondere voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een periode van drie maanden schuldig gemaakt aan belaging van haar ex-partner door hem op verschillende manieren veelvuldig te benaderen. Ondanks herhaalde meldingen, waarschuwingen en stopgesprekken is zij hiermee doorgegaan en heeft ze zich kennelijk weinig aangetrokken van de gevolgen daarvan voor [slachtoffer] en zijn omgeving. Er is sprake van een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] en verdachte heeft zich enkel laten leiden door haar eigen gevoelens. Door het handelen van verdachte zijn bij [slachtoffer] gevoelens van angst en onrust ontstaan, zoals blijkt uit zijn verklaring. Ook zijn familieleden en buurtgenoten hebben hiervan hinder ondervonden.

Persoon van verdachte

De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte van 20 februari 2026, waaruit blijkt dat zij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet voor soortgelijke feiten zoals onderhavige.

Uit het reclasseringsrapport van 16 januari 2025 volgt – onder meer – dat er bij verdachte al geruime tijd sprake is van middelenmisbruik (alcohol) en dat dit een risicoverhogende factor is. De reclassering schat de kans op recidive hoog in. Verdachte komt psychisch labiel over en doet zorgelijke en suïcidale uitspraken. Er is geen sprake van probleeminzicht, ze heeft geen zinvolle dagbesteding en er is geen steunend netwerk aanwezig. Verdachte kampt met een belast verleden en er is geen zicht op een toekomstperspectief. Op dit moment is er sprake van maatschappelijke teloorgang.

Anders dan door de officier van justitie is aangevoerd kan de rechtbank op basis van het strafdossier niet vaststellen dat er sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid nu er geen psychologisch rapport ligt dat dit standpunt onderbouwt. De rechtbank sluit echter haar ogen niet voor de problematiek die duidelijk uit het strafdossier naar voren komt. De rechtbank kan hieruit afleiden dat het leven voor verdachte een strijd is en dat zij moeite heeft met het dagelijks functioneren in de huidige maatschappij, zoals ook door de verdediging naar voren is gebracht. Dit blijkt te meer uit het feit dat verdachte zich heeft aangemeld bij de Levenseindekliniek nu zij de aanhoudende wens heeft om op een humane manier afscheid te nemen van dit leven door euthanasie te plegen.

De strafoplegging

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van verdachte. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en met de toepassing van artikel 63 Sr.

De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een voorwaardelijke straf met hieraan bijzondere voorwaarden verbonden of een maatregel als bedoeld in artikel 38V Sr niet geïndiceerd is. De meervoudige raadkamer heeft de recidivegrond eerder opgeheven en de rechtbank ziet ook nu, gelet op de persoonlijke omstandigheden, geen aanleiding om deze grond opnieuw aan te nemen. Verdachte heeft al geruime tijd geen contact meer opgenomen met de heer [slachtoffer] , zwerft rond in Amsterdam, is rolstoelafhankelijk vanwege haar (gedeeltelijk) geamputeerde voeten en is niet in het bezit van een mobiele telefoon.

Alles afwegend acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden en legt zij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 39 dagen, met aftrek van het voorarrest.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 63, 285b van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

belaging

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 39 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in rekening wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. R. de Jong en mr. D.M. Snoep, rechters, in tegenwoordigheid van L.P.C. Akkermans-Buijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 maart 2026

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. D.H. Hamburger
  • mr. R. de Jong
  • mr. D.M. Snoep

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?