RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-274581-24
vonnis van de meervoudige kamer van 26 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats]
wonende op het adres [adres] .
Raadsvrouw: mr. J.L.R.M. Smolders, advocaat te Rijen.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E.E. de Feijter, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als Bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er -kort en feitelijk weergegeven- op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van een afpersing en aan het in vereniging plegen van een diefstal met geweld.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de twee tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. De ontkennende verklaring van verdachte moet buiten beschouwing worden gelaten. Op grond van de bewijsmiddelen is voldaan aan het vereiste van medeplegen en kan het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling en wederrechtelijke toe-eigening worden vastgesteld. Voor het volledige standpunt verwijst de rechtbank naar het ter zitting overgelegde requisitoir.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde feiten. Er is door medeverdachte [medeverdachte 1] en door verdachte zelf ontkend dat hij een rol heeft gespeeld bij de hem verweten gedragingen. Verdachte heeft geen geweld gebruikt en ook niet met geweld gedreigd. Daarnaast ontbreekt het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening. Mocht de rechtbank hieraan voorbijgaan dan kan hooguit, onder feit 2, een diefstal worden bewezenverklaard. Voor het volledige standpunt verwijst de rechtbank naar de ter zitting overgelegde pleitnota.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in Bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De feiten en omstandigheden
Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij, na een periode van online contact, op 17 augustus 2024 voor het eerst heeft afgesproken met een vrouw genaamd ‘ [persoon] ’. Aangever heeft [persoon] die dag met de auto opgehaald. Zij zijn gezamenlijk met de auto vertrokken en, op aanwijzingen van [persoon] , naar een bosgebied gereden aan de Bleukbosweg in Tilburg voor een wandeling.
Nadat zij ongeveer 100 meter het bos zijn ingelopen, heeft aangever gezien dat er twee mannen op hem komen afrennen. Er is één man gekleed in een grijs T-shirt en de andere man draagt een geel T-shirt. Volgens aangever wordt hij door de man met het grijze T-shirt op de grond geduwd en heeft die persoon naar hem geschreeuwd dat hij zijn spullen moest geven en zich moest uitkleden. Aangever verklaart dat hij vervolgens door beide mannen is geschopt en geslagen, waarna hij zijn telefoon heeft moeten afstaan aan de man met het grijze T-shirt. De kleding van aangever wordt door de daders kapotgescheurd en uitgetrokken, zodat hij geen T-shirt, broek en schoenen meer heeft. Het geweld heeft letsel bij aangever veroorzaakt. Op de rug zijn bloeduitstortingen en zoolafdrukken fotografisch vastgelegd. In de medische verklaring staat genoteerd dat het lichamelijk herstel van de verwondingen en kneuzingen enkele weken bedraagt.
Volgens aangever horen de mannen en [persoon] bij elkaar. [persoon] heeft niet ingegrepen, maar is erbij blijven staan en is na afloop met de mannen weggelopen. Aangever kan zich herinneren dat de mannen plotseling zijn verschenen op het bospad en [persoon] kort daarvoor met haar telefoon bezig is geweest, waarbij ze zich zenuwachtig heeft gedragen. Ook viel het aangever op dat ze niet schrok van de komst van de mannen. Op basis van de door aangever opgegeven signalementen in combinatie met de beschikbare cameraopnamen en herkenningen blijkt dat het om de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] gaat. Het drietal heeft later ook bevestigd dat zij bij het voorval betrokken zijn geweest.
De verklaringen van de drie verdachten nader beschouwd
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij ongeveer een week voor de feiten erachter is gekomen dat zijn vriendin, [medeverdachte 2] , met aangever intiem appcontact onderhield. [medeverdachte 2] zou op 17 augustus 2024 hebben aangegeven een rondje te gaan lopen. Omdat [medeverdachte 1] dit niet vertrouwde en wist welke ronde [medeverdachte 2] normaliter liep, is hij haar gaan zoeken samen met [verdachte] . Daarna zijn zij in het bos [medeverdachte 2] en aangever tegengekomen. [medeverdachte 1] heeft naar zijn zeggen als enige geweld gebruikt tegen aangever. Hij heeft ook de kleding uitgetrokken en die aan [verdachte] gegeven. De telefoon en portemonnee van aangever zijn door [medeverdachte 1] meegenomen.
[verdachte] heeft verklaard dat hij is meegegaan met [medeverdachte 1] , omdat hij zijn maat is en hem heeft willen helpen zoeken naar [medeverdachte 2] . Hij heeft geen geweld gebruikt en heeft alleen de schoenen en de riem van aangever meegenomen.
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij had afgesproken met aangever en tijdens de wandeling ineens [medeverdachte 1] en [verdachte] is tegengekomen. Zij is hiervan geschrokken en heeft door haar PTSS alleen maar naar beneden gekeken, waardoor zij niets van de gebeurtenis heeft meegekregen.
Waar gaat de rechtbank vanuit?
Op de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat aangever consistent heeft verklaard. Hij heeft zijn verklaring meermalen op begrijpelijke wijze aangevuld en verder verduidelijkt. Ook worden zijn verklaringen door objectief bewijs ondersteund. De rechtbank acht de verklaring van aangever daarom betrouwbaar.
Van een toevallig treffen tussen de verdachten en aangever lijkt geen sprake te zijn. De locatie is door [medeverdachte 2] voorgesteld en het bospad is volgens aangever niet te vinden als je de plek niet kent. Verder blijkt uit het telefoonverkeer van [medeverdachte 2] dat zij op 17 augustus 2024 om 13.20 uur (1 minuut), 13.30 uur (1 minuut en 38 seconden) en 13.34 uur (1 minuut en 32 seconden) met [medeverdachte 1] heeft gebeld. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben dus, zowel kort voorafgaand als vlak na afloop van het incident, met elkaar telefonisch contact gehad. Er is één van deze gesprekken deels opgenomen door een deurbelcamera in de nabijheid van de plaats delict. Op deze camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 2] en [verdachte] komen langslopen om 13.31 uur. Dit is één minuut na de melding bij de politie. [medeverdachte 2] heeft een telefoon vast en zegt: “dat ging sneller dan we dachten” en [verdachte] (die naast [medeverdachte 2] loopt) lacht op dat moment hardop om die opmerking. Dit versterkt het vermoeden dat aan de feiten een plan is voorafgegaan. Ook heeft [medeverdachte 2] tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat zij geen andere keuze heeft gehad dan hierin mee te gaan, zonder dit nader te willen duiden. Ten slotte heeft [medeverdachte 1] ter plaatse, kort voor de confrontatie, de autobanden van de auto van aangever lek gestoken. Om te kunnen weten welke auto van aangever was, moet die informatie vooraf zijn doorgespeeld door [medeverdachte 2] , die met aangever was meegereden in diens auto. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] niet toevallig bijeen gekomen zijn, maar dat dit van tevoren onderling met elkaar is besproken.
Op de derde plaats is de rechtbank van oordeel dat de geweldshandelingen ook aan [verdachte] moeten worden toegeschreven. Nog daargelaten dat de rechtbank de verklaring van aangever als uitgangspunt neemt, valt in het geheel niet in te zien welk belang aangever heeft om over de rol van [verdachte] te liegen en hem vals te beschuldigen, terwijl hij hem niet kent. Dit moet worden afgezet tegen het feit dat [verdachte] in eerste instantie zelf aantoonbaar heeft gelogen tijdens zijn politieverhoor. [verdachte] heeft uiteindelijk toegegeven dat hij de schoenen en riem van aangever heeft meegenomen, waardoor zijn rol alleen al daarom verder gaat dan slechts aanwezig zijn bij de confrontatie.
Tussenconclusie
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van alle drie de verdachten, voor zover zij de verklaringen van aangever weerspreken, als ongeloofwaardig kunnen worden aangemerkt en buiten beschouwing moeten blijven. De rechtbank zal de verklaringen van aangever als uitgangspunt nemen en alleen die onderdelen van de verdachtenverklaringen in het bewijs betrekken die daarmee in lijn zijn. De vraag die de rechtbank nu zal moeten beantwoorden is welk aandeel de verdachten kan worden toegeschreven, hoe zich dit juridisch vertaalt en hoe voormelde feiten en omstandigheden moeten worden gekwalificeerd.
Medeplegen/in vereniging plegen
Voor de rechtbank is komen vast te staan dat [medeverdachte 2] een belangrijk faciliterende rol op zich heeft genomen. Zij kan verantwoordelijk worden gehouden voor het tot stand laten komen van de afspraak met aangever en zij heeft hem meegenomen naar een afgelegen plek. Voor de rechtbank staat ook vast dat zij [medeverdachte 1] en [verdachte] moet hebben ingeseind waar zij en aangever zich hebben bevonden en wanneer. Daarmee heeft zij een cruciale rol vervuld bij de feiten, omdat zonder haar toedoen het incident niet zou hebben plaatsgevonden. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben deze kennis nodig gehad om de confrontatie met aangever aan te gaan. Vervolgens wordt aangever, in het bijzijn van [medeverdachte 2] , aangevallen door [medeverdachte 1] en [verdachte] . Zij vervullen eveneens een essentiële rol omdat zij aangever hebben geduwd, geslagen en geschopt. [medeverdachte 2] stond erbij en heeft niets gedaan om het geweld te stoppen. Door dit geweld en de bedreiging met geweld heeft aangever besloten om zijn telefoon (en code) af te geven. Bij de verdere toepassing van het geweld zijn de kledingstukken uitgetrokken en is ook een deel van de kleding meegenomen.
De rechtbank is op basis van het vorenstaande van oordeel dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] in een nauw en bewust samenwerkingsverband hebben geopereerd, waarbij ieder afzonderlijk een (intellectuele of materiële) bijdrage heeft geleverd van voldoende gewicht. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van het in vereniging plegen van de feiten.
De kwalificatie van het onder feit 1 tenlastegelegde
De rechtbank is voor wat betreft feit 1 van oordeel dat is voldaan aan het oogmerk met noodzakelijkheidsbewustzijn. Dit betekent dat alle verdachten moeten hebben begrepen dat met hun gedragingen (het geweld en de bedreiging daarmee), het door artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht gewraakte gevolg (de afgifte van de telefoon en dus wederrechtelijke bevoordeling) noodzakelijkerwijs zou intreden. Met andere woorden: de verdachten hebben zich gerealiseerd dat het geweld en de bedreiging daarmee tot aangever is doorgedrongen en dat hij daarvoor is gezwicht, door zijn telefoon af te geven aan verdachten.
Voor de term ‘bevoordeling’ is doorslaggevend dat iemands positie wordt verbeterd en het verkregen voordeel een economische waarde vertegenwoordigt. Volgens de rechtbank wordt aan deze vereisten voldaan. De rechtbank gaat niet mee met de verdediging die op basis van ditzelfde criterium tot een andere redenering komt. Dit laat zich logisch verklaren omdat de verdediging uitgaat van de alternatieve verklaringen van verdachte en de rechtbank de verklaringen van aangever volgt. Het verweer op dit punt wordt verworpen.
Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van een afpersing. Het onder feit 1 tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
De kwalificatie van het onder feit 2 tenlastegelegde
De rechtbank is voor wat betreft feit 2 van oordeel dat is voldaan aan het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De verdachten hebben het geweld aangewend en de kleding van verdachte uitgetrokken, zodat zij over die kleding feitelijke zeggenschap hebben gekregen en daardoor enige tijd als heer en meester hierover hebben beschikt. Het oogmerk van toe-eigenen veronderstelt niet noodzakelijk het bewaren of het in bezit houden. De bedoeling om toe te eigenen staat centraal. Het feit dat het T-shirt en de broek van aangever uiteindelijk in de bosjes zijn beland en de schoenen en riem door [verdachte] in een kliko-bak zijn gegooid, doet daar niet aan af. Het verweer van de verdediging faalt.
Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van een diefstal met geweld. Het onder feit 2 tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1:
op 17 augustus 2024 te Tilburg tezamen en in vereniging anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld de heer [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon die aan die [aangever] toebehoorde door
- die [aangever] tegen het lichaam te duwen en
- tegen die [aangever] te zeggen: “klootzak, spullen geven en je kleren uittrekken” en “klootzak, wat doe je hier, geef je spullen, trek je kleren uit” en
- die [aangever] tegen de kaak, het gezicht, het achterhoofd en de rechterarm te slaan;
feit 2:
op 17 augustus 2024 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen een broek, een T-shirt en een paar schoenen die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden, te weten aan de heer [aangever] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken door
- die [aangever] tegen het lichaam te duwen en
- het T-shirt van het lichaam van die [aangever] te trekken en
- een paar schoenen van de voeten van die [aangever] te trekken en
- die [aangever] tegen de kaak, het gezicht, het achterhoofd en de rechterarm te slaan en
- die [aangever] tegen de middel en de benen te schoppen/trappen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft verbleven.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, met een verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte, verzocht om bij een bewezenverklaring een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest en om de voorlopige hechtenis op te heffen.
Het oordeel van de rechtbank
Strafmaatoverwegingen
Verdachte heeft zich op 17 augustus 2024 in Tilburg samen met anderen schuldig gemaakt aan een afpersing en een diefstal met geweld. Deze feiten zijn begaan tegen één en hetzelfde slachtoffer. Deze geweldsfeiten kenmerken zich door een hele nare vorm van vernedering. Op het slachtoffer is fors geweld toegepast. Hij heeft zijn telefoon moeten afgeven en zijn kleding is met geweld uitgetrokken, op zijn sokken en onderbroek na. Met de afgenomen telefoon is vervolgens een foto van aangever gemaakt die op social media is geplaatst met een tekst die hem in verband brengt met overspel. Hij is ten slotte ontredderd en gewond in het bos achtergelaten door verdachte en zijn mededaders. De telefoon en de kleding van het slachtoffer zijn meegenomen. De rechtbank beschouwt dit als een ernstige en laffe daad. De ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daar vaak nog lang nadien nadelige (psychische) gevolgen van kunnen ondervinden.
Verdachte heeft ter zitting volhard in zijn ontkenning en op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen genomen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. De rechtbank houdt bij de straf rekening met straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken en de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Daarnaast is acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte. Hieruit komt naar voren dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensmisdrijven met geweld. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om wederom strafbare feiten te plegen. De rechtbank neemt in overweging dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Verder weegt mee dat verdachte, in tegenstelling tot medeverdachte [medeverdachte 1] , minder feiten op de tenlastelegging heeft staan en de bewezenverklaring daarmee minder verstrekkend is.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is ten slotte van oordeel dat met betrekking tot feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop, zoals bedoeld in artikel 55, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren immers een samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, zodat de verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt.
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft verbleven. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een lagere straf of een taakstraf. Daarvoor zijn de feiten te ernstig van aard.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 55, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de eendaadse samenloop van
feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
feit 2: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, mr. W.J.M. Fleskens en mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 maart 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
9. Bijlage I
De tenlastelegging
feit 1:
hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld de heer [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door
- die [aangever] meerdere malen, in elk geval eenmaal tegen het lichaam te duwen en/of
- tegen die [aangever] te zeggen: “klootzak, spullen geven en je kleren uittrekken” en/of “klootzak, wat doe je hier, geef je spullen, trek je kleren uit” en/of
- die [aangever] meerdere malen, in elk geval eenmaal met een boksbeugel in/tegen de kaak, het gezicht, het achterhoofd en/of de rechterarm, in elk geval tegen het lichaam te slaan;
(artikel 312 lid 2, aanhef, sub 2 en artikel 317 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht)
feit 2:
hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een broek (met inhoud), een t-shirt en/of een paar schoenen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan de heer [aangever] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangever] meerdere malen, in elk geval eenmaal tegen het lichaam te duwen en/of
- het t-shirt van het lichaam van die [aangever] te trekken en/of
- een paar schoenen van de voeten van die [aangever] te trekken en/of
- die [aangever] meerdere malen, in elk geval eenmaal met een boksbeugel in/tegen de kaak, het gezicht, het achterhoofd en/of de rechterarm, in elk geval tegen het lichaam te slaan en/of
- die [aangever] meerdere malen, in elk geval eenmaal tegen de middel en/of de benen, in elk geval tegen het lichaam te schoppen/trappen;
(artikel 310 Wetboek van Strafrecht en artikel 312 lid 1 en lid 2, aanhef, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht)