ECLI:NL:RBZWB:2026:2241

ECLI:NL:RBZWB:2026:2241

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 02-274571-24 en 02-217044-24 (gev. ttz)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens afpersing, een diefstal met geweld, openlijk geweld, vernieling en een reeks winkeldiefstallen tot een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-274571-24 en 02-217044-24 (gev. ttz)

vonnis van de meervoudige kamer van 26 maart 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats]

wonende op het [woonadres] .

Raadsman: mr. A.A.W. den Ouden, advocaat te Oisterwijk.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E.E. de Feijter, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als Bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking in de zaak met parketnummer 02-274571-24 komt er -kort en feitelijk weergegeven- op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van een afpersing, het in vereniging plegen van een diefstal met geweld, openlijk geweld dan wel mishandeling en een vernieling. In de zaak met parketnummer 02-217044-24 wordt verdachte verweten het in vereniging met een ander plegen van meerdere winkeldiefstallen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de vier feiten onder parketnummer 02-274571-24 heeft gepleegd. Op grond van de bewijsmiddelen is voldaan aan het vereiste van medeplegen/in vereniging plegen en kan het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling en wederrechtelijke toe-eigening worden vastgesteld. Daarnaast is in vereniging openlijk geweld gepleegd en zijn de eigendommen van aangever vernield. Voor de verdenking onder parketnummer 02-217044-24 wordt gewezen op de aangiften, de cameraopnamen en de bekentenissen die in die zaak zijn afgelegd. Voor het volledige standpunt verwijst de rechtbank naar het ter zitting overgelegde requisitoir.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij de beoordeling van het bewijs de verklaring van verdachte als uitgangspunt te nemen. Ten aanzien van feit 1 en feit 2 is vrijspraak bepleit. De verdediging heeft aan de hand van jurisprudentie betoogd dat het vereiste oogmerk ontbreekt, zoals wordt bedoeld in artikel 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Voor wat betreft feit 3 is alleen de subsidiair tenlastegelegde variant (mishandeling) bewijsbaar. Ten aanzien van feit 4 wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de winkeldiefstallen bij Albert Heijn is eveneens referte bepleit. Voor het volledige standpunt verwijst de rechtbank naar de ter zitting overgelegde pleitnota.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in Bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

4.3.2.1 Parketnummer 02-274571-24

De feiten en omstandigheden

[aangever] heeft verklaard dat hij, na een periode van online contact, op 17 augustus 2024 voor het eerst heeft afgesproken met een vrouw genaamd ‘ [bijnaam] ’. Aangever heeft [bijnaam] die dag met de auto opgehaald. Zij zijn gezamenlijk met de auto vertrokken en, op aanwijzingen van [bijnaam] , naar een bosgebied gereden aan de [straat 1] in Tilburg voor een wandeling.

Nadat zij ongeveer 100 meter het bos zijn ingelopen, heeft aangever gezien dat er twee mannen op hem komen afrennen. Er is één man gekleed in een grijs T-shirt en de andere man draagt een geel T-shirt. Volgens aangever wordt hij door de man met het grijze T-shirt op de grond geduwd en heeft die persoon naar hem geschreeuwd dat hij zijn spullen moest geven en zich moest uitkleden. Aangever verklaart dat hij vervolgens door beide mannen is geschopt en geslagen, waarna hij zijn telefoon heeft moeten afstaan aan de man met het grijze T-shirt. De kleding van aangever wordt door de daders kapotgescheurd en uitgetrokken, zodat hij geen T-shirt, broek en schoenen meer heeft. Het geweld heeft letsel bij aangever veroorzaakt. Op de rug zijn bloeduitstortingen en zoolafdrukken fotografisch vastgelegd. In de medische verklaring staat genoteerd dat het lichamelijk herstel van de verwondingen en kneuzingen enkele weken bedraagt.

Volgens aangever horen de mannen en [bijnaam] bij elkaar. [bijnaam] heeft niet ingegrepen, maar is erbij blijven staan en is na afloop met de mannen weggelopen. Aangever kan zich herinneren dat de mannen plotseling zijn verschenen op het bospad en [bijnaam] kort daarvoor met haar telefoon bezig is geweest, waarbij ze zich zenuwachtig heeft gedragen. Ook viel het aangever op dat ze niet schrok van de komst van de mannen. Op basis van de door aangever opgegeven signalementen in combinatie met de beschikbare cameraopnamen en herkenningen blijkt dat het om de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] gaat. Het drietal heeft later ook bevestigd dat zij bij het voorval betrokken zijn geweest.

De verklaringen van de drie verdachten nader beschouwd

[verdachte] heeft verklaard dat hij ongeveer een week voor de feiten erachter is gekomen dat zijn vriendin, [medeverdachte 1] , met aangever intiem appcontact onderhield. [medeverdachte 1] zou op 17 augustus 2024 hebben aangegeven een rondje te gaan lopen. Omdat [verdachte] dit niet vertrouwde en wist welke ronde [medeverdachte 1] normaliter liep, is hij haar gaan zoeken samen met [medeverdachte 2] . Daarna zijn zij in het bos [medeverdachte 1] en aangever tegengekomen. [verdachte] heeft naar zijn zeggen als enige geweld gebruikt tegen aangever. Hij heeft ook de kleding uitgetrokken en die aan [medeverdachte 2] gegeven. De telefoon en portemonnee van aangever zijn door [verdachte] meegenomen.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij is meegegaan met [verdachte] , omdat hij zijn maat is en hem heeft willen helpen zoeken naar [medeverdachte 1] . Hij heeft geen geweld gebruikt en heeft alleen de schoenen en de riem van aangever meegenomen.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij had afgesproken met aangever en tijdens de wandeling ineens [verdachte] en [medeverdachte 2] is tegengekomen. Zij is hiervan geschrokken en heeft door haar PTSS alleen maar naar beneden gekeken, waardoor zij niets van de gebeurtenis heeft meegekregen.

Waar gaat de rechtbank vanuit?

Op de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat aangever consistent heeft verklaard. Hij heeft zijn verklaring meermalen op begrijpelijke wijze aangevuld en verder verduidelijkt. Ook worden zijn verklaringen door objectief bewijs ondersteund. De rechtbank acht de verklaring van aangever daarom betrouwbaar.

Van een toevallig treffen tussen de verdachten en aangever lijkt geen sprake te zijn. De locatie is door [medeverdachte 1] voorgesteld en het bospad is volgens aangever niet te vinden als je de plek niet kent. Verder blijkt uit het telefoonverkeer van [medeverdachte 1] dat zij op 17 augustus 2024 om 13.20 uur (1 minuut), 13.30 uur (1 minuut en 38 seconden) en 13.34 uur (1 minuut en 32 seconden) met [verdachte] heeft gebeld. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben dus, zowel kort voorafgaand als vlak na afloop van het incident, met elkaar telefonisch contact gehad. Er is één van deze gesprekken deels opgenomen door een deurbelcamera in de nabijheid van de plaats delict. Op deze camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] komen langslopen om 13.31 uur. Dit is één minuut na de melding bij de politie. [medeverdachte 1] heeft een telefoon vast en zegt: “dat ging sneller dan we dachten” en [medeverdachte 2] (die naast [medeverdachte 1] loopt) lacht op dat moment hardop om die opmerking. Dit versterkt het vermoeden dat aan de feiten een plan is voorafgegaan. Ook heeft [medeverdachte 1] tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat zij geen andere keuze heeft gehad dan hierin mee te gaan, zonder dit nader te willen duiden. Ten slotte heeft [verdachte] ter plaatse, kort voor de confrontatie, de autobanden van de auto van aangever lek gestoken. Om te kunnen weten welke auto van aangever was, moet die informatie vooraf zijn doorgespeeld door [medeverdachte 1] , die met aangever was meegereden in diens auto. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] niet toevallig bijeen gekomen zijn, maar dat dit van tevoren onderling met elkaar is besproken.

Op de derde plaats is de rechtbank van oordeel dat de geweldshandelingen ook aan [medeverdachte 2] moeten worden toegeschreven. Nog daargelaten dat de rechtbank de verklaring van aangever als uitgangspunt neemt, valt in het geheel niet in te zien welk belang aangever heeft om over de rol van [medeverdachte 2] te liegen en hem vals te beschuldigen, terwijl hij hem niet kent. Dit moet worden afgezet tegen het feit dat [medeverdachte 2] in eerste instantie zelf aantoonbaar heeft gelogen tijdens zijn politieverhoor. [medeverdachte 2] heeft uiteindelijk toegegeven dat hij de schoenen en riem van aangever heeft meegenomen, waardoor zijn rol alleen al daarom verder gaat dan slechts aanwezig zijn bij de confrontatie.

Tussenconclusie

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van alle drie de verdachten, voor zover zij de verklaringen van aangever weerspreken, als ongeloofwaardig kunnen worden aangemerkt en buiten beschouwing moeten blijven. De rechtbank zal de verklaringen van aangever als uitgangspunt nemen en alleen die onderdelen van de verdachtenverklaringen in het bewijs betrekken die daarmee in lijn zijn. De vraag die de rechtbank nu zal moeten beantwoorden is welk aandeel de verdachten kan worden toegeschreven, hoe zich dit juridisch vertaalt en hoe voormelde feiten en omstandigheden moeten worden gekwalificeerd.

Medeplegen/in vereniging plegen

Voor de rechtbank is komen vast te staan dat [medeverdachte 1] een belangrijk faciliterende rol op zich heeft genomen. Zij kan verantwoordelijk worden gehouden voor het tot stand laten komen van de afspraak met aangever en zij heeft hem meegenomen naar een afgelegen plek. Voor de rechtbank staat ook vast dat zij [verdachte] en [medeverdachte 2] moet hebben ingeseind waar zij en aangever zich hebben bevonden en wanneer. Daarmee heeft zij een cruciale rol vervuld bij de feiten, omdat zonder haar toedoen het incident niet zou hebben plaatsgevonden. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben deze kennis nodig gehad om de confrontatie met aangever aan te gaan. Vervolgens wordt aangever, in het bijzijn van [medeverdachte 1] , aangevallen door [verdachte] en [medeverdachte 2] . Zij vervullen eveneens een essentiële rol omdat zij aangever hebben geduwd, geslagen en geschopt. [medeverdachte 1] stond erbij en heeft niets gedaan om het geweld te stoppen. Door dit geweld en de bedreiging met geweld heeft aangever besloten om zijn telefoon (en code) af te geven. Bij de verdere toepassing van het geweld zijn de kledingstukken uitgetrokken en is ook een deel van de kleding meegenomen.

De rechtbank is op basis van het vorenstaande van oordeel dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] in een nauw en bewust samenwerkingsverband hebben geopereerd, waarbij ieder afzonderlijk een (intellectuele of materiële) bijdrage heeft geleverd van voldoende gewicht. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van het in vereniging plegen van de feiten onder parketnummer 02-274571-24.

De kwalificatie van het onder feit 1 tenlastegelegde

De rechtbank is voor wat betreft feit 1 van oordeel dat is voldaan aan het oogmerk met noodzakelijkheidsbewustzijn. Dit betekent dat alle verdachten moeten hebben begrepen dat met hun gedragingen (het geweld en de bedreiging daarmee), het door artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht gewraakte gevolg (de afgifte van de telefoon en dus wederrechtelijke bevoordeling) noodzakelijkerwijs zou intreden. Met andere woorden: de verdachten hebben zich gerealiseerd dat het geweld en de bedreiging daarmee tot aangever is doorgedrongen en dat hij daarvoor is gezwicht, door zijn telefoon af te geven aan verdachten.

Voor de term ‘bevoordeling’ is doorslaggevend dat iemands positie wordt verbeterd en het verkregen voordeel een economische waarde vertegenwoordigt. Volgens de rechtbank wordt aan deze vereisten voldaan. De rechtbank gaat niet mee met de verdediging die op basis van ditzelfde criterium tot een andere redenering komt. Dit laat zich logisch verklaren omdat de verdediging uitgaat van de alternatieve verklaringen van verdachte en de rechtbank de verklaringen van aangever volgt. Het verweer op dit punt wordt verworpen.

Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van een afpersing. Het onder feit 1 tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

De kwalificatie van het onder feit 2 tenlastegelegde

De rechtbank is voor wat betreft feit 2 van oordeel dat is voldaan aan het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De verdachten hebben het geweld aangewend en de kleding van verdachte uitgetrokken, zodat zij over die kleding feitelijke zeggenschap hebben gekregen en daardoor enige tijd als heer en meester hierover hebben beschikt. Het oogmerk van toe-eigenen veronderstelt niet noodzakelijk het bewaren of het in bezit houden. De bedoeling om toe te eigenen staat centraal. Het feit dat het T-shirt en de broek van aangever uiteindelijk in de bosjes zijn beland en de schoenen en riem door [medeverdachte 2] in een kliko-bak zijn gegooid, doet daar niet aan af. Het verweer van de verdediging faalt.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van een diefstal met geweld. Het onder feit 2 tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

De kwalificatie van het onder feit 3 tenlastegelegde

Het is voor een bewezenverklaring van het onder feit 3 primair tenlastegelegde niet vereist dat de dader zelf het geweld heeft gepleegd. Er moet wel opzet zijn op het in vereniging plegen van openlijk geweld, door daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage te leveren. Het aandeel van [verdachte] heeft bestaan uit het duwen, het slaan en schoppen van aangever. Het aandeel van [medeverdachte 1] betreft niet de gewelddadige handeling zelf, maar zij heeft aangever in een kwetsbare positie gebracht door hem alleen naar een afgelegen plek in het bos te dirigeren. Zij heeft [verdachte] in staat gesteld aangever onverhoeds te benaderen en hem getalsmatig op achterstand te zetten. Hiermee heeft [medeverdachte 1] het plegen van geweld bevorderd en de kans op ingrijpen door derden verkleind. Ook heeft zij in sterke mate bijgedragen aan de sfeer van ontremming, die daarop is gevolgd. De rechtbank acht daarom ook bewezen dat verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] met verenigde krachten geweld hebben gepleegd tegen aangever (bij [medeverdachte 2] is dit feit niet ten laste gelegd). Het geweld vond plaats in een openbaar voor het publiek toegankelijk bos. Het element ‘openlijk’ kan daarom ook worden bewezen.

Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van geweld. Het onder feit 3 primair tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

De kwalificatie van het onder feit 4 tenlastegelegde

Aangever heeft geconstateerd dat zijn autobanden lek zijn gestoken en dat zijn portemonnee kwijt was, omdat die in de handtas van [medeverdachte 1] is achtergebleven. [verdachte] heeft bekend de autobanden te hebben lek gestoken en de portemonnee in het water te hebben gegooid. Het onder feit 4 tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen. Er is sprake van vernieling van de autobanden, omdat bij het lek steken daarvan sprake is van een zodanige beschadiging dat herstel in de originele toestand niet meer kan worden bereikt. Er is ook sprake van het wegmaken van de portemonnee, omdat het goed is verdwenen en het een gedraging betreft waardoor het goed aan zijn bestemming wordt onttrokken.

4.3.2.2 Parketnummer 02-217044-24

Namens de Albert Heijn in Tilburg is aangifte gedaan van meerdere winkeldiefstallen, gepleegd op 10 februari 2024, 19 februari 2024, 2 maart 2024 en 5 maart 2024. Uit de camerabeelden blijkt dat het telkens om dezelfde daders ging en dezelfde modus operandi is gehanteerd. De verdachten hebben enkele producten bij de zelfscankassa’s betaald voor een relatief klein bedrag, zodat het uitgangspoortje geopend kan worden. De verdachten hebben vervolgens met volle boodschappentassen of een volle winkelwagen de winkel verlaten, zonder deze producten ter betaling aan te bieden. Verdachte heeft hierover een bekennende verklaring afgelegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

parketnummer 02-274571-24:

feit 1:

op 17 augustus 2024 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld de heer [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon die aan die [aangever] toebehoorde door

- die [aangever] tegen het lichaam te duwen en

- tegen die [aangever] te zeggen: “klootzak, spullen geven en je kleren uittrekken” en “klootzak, wat doe je hier, geef je spullen, trek je kleren uit” en

- die [aangever] tegen de kaak, het gezicht, het achterhoofd en de rechterarm te slaan;

feit 2:

op 17 augustus 2024 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen een broek, een T-shirt en een paar schoenen die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden, te weten aan de heer [aangever] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken door

- die [aangever] tegen het lichaam te duwen en

- het T-shirt van het lichaam van die [aangever] te trekken en

- een paar schoenen van de voeten van die [aangever] te trekken en

- die [aangever] tegen de kaak, het gezicht, het achterhoofd en de rechterarm te slaan en

- die [aangever] tegen de middel en de benen te schoppen/trappen;

feit 3 (primair):

op 17 augustus 2024 te Tilburg openlijk, te weten aan de [straat 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de heer [aangever] , door die [aangever]

- tegen het lichaam te duwen en

- tegen de kaak, het gezicht, het achterhoofd en de rechterarm te slaan en- tegen de middel en de benen te schoppen/trappen;

feit 4:

op 17 augustus 2024 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk autobanden en een portemonnee die aan de heer [aangever] toebehoorden heeft vernield en/of weggemaakt.

Parketnummer 02-217044-24:

in de periode van 10 februari 2024 tot en met 5 maart 2024 te Tilburg, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander winkelgoederen die aan Albert Heijn, gevestigd aan de [straat 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft verbleven.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, met een verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte, verzocht om bij een bewezenverklaring een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarnaast is bepleit om een taakstraf op te leggen, indien nodig gedeeltelijk in voorwaardelijke vorm. Voorts is verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

Het oordeel van de rechtbank

Strafmaatoverwegingen

Verdachte heeft zich op 17 augustus 2024 in Tilburg samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing, een diefstal met geweld en het plegen van openlijk geweld. Daarnaast heeft verdachte die dag autobanden vernield en een portemonnee weggemaakt. Deze feiten zijn allemaal gericht tegen één en hetzelfde slachtoffer. De geweldsfeiten kenmerken zich door een hele nare vorm van vernedering. Op het slachtoffer is fors geweld toegepast. Hij heeft zijn telefoon moeten afgeven en zijn kleding is met geweld uitgetrokken, op zijn sokken en onderbroek na. Met de afgenomen telefoon is vervolgens een foto van aangever gemaakt die op social media is geplaatst met een tekst die hem in verband brengt met overspel. Hij is ten slotte ontredderd en gewond in het bos achtergelaten door verdachte en zijn mededaders. De telefoon, de kleding en de portemonnee van het slachtoffer zijn meegenomen en zijn autobanden zijn lek gestoken. De rechtbank beschouwt dit als een ernstige en laffe daad. De ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daar vaak nog lang nadelige (psychische) gevolgen van kunnen ondervinden.

Daarnaast heeft verdachte, samen met zijn partner, in 2024 een reeks winkeldiefstallen gepleegd bij de Albert Heijn in Tilburg, waarbij grote hoeveelheden boodschappen zijn weggenomen. Winkeldiefstallen zijn vervelende en brutale feiten, die winkeliers onnodig schade berokkenen.

Verdachte heeft op zitting zijn spijt betuigd en schuldinzicht getoond, waarmee hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag. De rechtbank houdt bij de straf rekening met straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken en de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Daarnaast is acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte. Hij is niet eerder voor dergelijke misdrijven met justitie in aanraking gekomen en geldt in zoverre als een first offender.

Uit het reclasseringsrapport dat over verdachte is opgemaakt, komt naar voren dat hij op alle leefgebieden stabiel functioneert. Er zijn geen financiële problemen meer, de partner- en gezinsrelatie is stabiel en verdachte heeft met succes ambulante behandeltrajecten doorlopen. De reclassering constateert dat sprake is van een laag recidiverisico en adviseert om geen bijzondere voorwaarden, interventies of andere vormen van toezicht op te leggen.

De redelijke termijn (parketnummer 02-217044-24)

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de redelijke termijn in onderhavig geval niet is overschreden. Die termijn vangt immers aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover betrokkene een handeling is verricht, waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Verdachte is niet voor de winkeldiefstallen aangehouden, maar ontboden bij de politie voor een verhoor op 8 mei 2024. Verdachte is pas voor het eerst bij dit verhoor gewezen op zijn rechten en geconfronteerd met de verdenking. De redelijke termijn is op dat moment aangevangen. De rechtbank zal op 26 maart 2026 uitspraak doen in de strafzaak. Er wordt dan ook niet afgeweken van het uitgangspunt dat binnen twee jaar, na aanvang van de redelijke termijn, de behandeling op zitting moet zijn afgerond en een eindvonnis verwacht mag worden.

Eendaadse samenloop

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat met betrekking tot feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop, zoals bedoeld in artikel 55, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren immers een samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, zodat de verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt. Voorts zijn de feiten 3 en 4 in voortgezette handeling begaan, nu er sprake is van opeenvolgende handelingen die het gevolg zijn van één wilsbesluit.

Conclusie

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft verbleven. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een lagere straf of een taakstraf. Daarvoor zijn de feiten te zwaar in ernst.

De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 55, 56, 57, 141, 311, 312, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het in de zaak met parketnummer 02-274571-24 onder feit 1, feit 2, feit 3 primair en feit 4 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- verklaart het in de zaak met parketnummer 02-217044-24 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 02-274571-24 de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van

feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

feit 2: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

de voortgezette handeling van

feit 3 primair: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

en

feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen en opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegmaken;

- verklaart dat het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 02-217044-24 de volgende strafbare feiten oplevert:

diefstal, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, mr. W.J.M. Fleskens en mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 maart 2026.

De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

9. Bijlage I

De tenlastelegging

parketnummer 02-274571-24

feit 1:

hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld de heer [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door

- die [aangever] meerdere malen, in elk geval eenmaal tegen het lichaam te duwen en/of

- tegen die [aangever] te zeggen: “klootzak, spullen geven en je kleren uittrekken” en/of “klootzak, wat doe je hier, geef je spullen, trek je kleren uit” en/of

- die [aangever] meerdere malen, in elk geval eenmaal met een boksbeugel in/tegen de kaak, het gezicht, het achterhoofd en/of de rechterarm, in elk geval tegen het lichaam te slaan;

(artikel 312 lid 2, aanhef, sub 2 en artikel 317 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht)

feit 2:

hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een broek (met inhoud), een T-shirt en/of een paar schoenen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan de heer [aangever] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [aangever] meerdere malen, in elk geval eenmaal tegen het lichaam te duwen en/of

- het T-shirt van het lichaam van die [aangever] te trekken en/of

- een paar schoenen van de voeten van die [aangever] te trekken en/of

- die [aangever] meerdere malen, in elk geval eenmaal met een boksbeugel in/tegen de kaak, het gezicht, het achterhoofd en/of de rechterarm, in elk geval tegen het lichaam te slaan en/of

- die [aangever] meerdere malen, in elk geval eenmaal tegen de middel en/of de benen, in elk geval tegen het lichaam te schoppen/trappen;

(artikel 310 en artikel 312 lid 1 en lid 2, aanhef, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht)

feit 3 (primair):

hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Tilburg, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten, aan de [straat 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de heer [aangever] , door die [aangever]

- meerdere malen, in elk geval eenmaal tegen het lichaam te duwen en/of

- meerdere malen, in elk geval eenmaal met een boksbeugel in/tegen de kaak, het gezicht, het achterhoofd en/of de rechterarm, in elk geval tegen het lichaam te slaan en/of- meerdere malen, in elk geval eenmaal tegen de middel en/of de benen, in elk geval tegen het lichaam te schoppen/trappen;

(artikel 141 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Tilburg, in elk geval in Nederland, de heer [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever]

- meerdere malen, in elk geval eenmaal tegen het lichaam te duwen en/of

- meerdere malen, in elk geval eenmaal, in/tegen de kaak, het gezicht, het achterhoofd en/of de rechterarm, in elk geval tegen het lichaam te slaan en/of

- meerdere malen, in elk geval eenmaal tegen de middel en/of de benen, in elk geval tegen het lichaam te schoppen/trappen;

(artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht)

feit 4:

hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Tilburg, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk één of meerdere autobanden en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de heer [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(artikel 350 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht)

parketnummer 02-217044-24

zij, in of omstreeks de periode van 10 februari 2024 tot en met 5 maart 2024 te Tilburg, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, gevestigd aan de [straat 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(artikel 311 lid 1 aanhef sub 4 van het Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?