ECLI:NL:RBZWB:2026:2248

ECLI:NL:RBZWB:2026:2248

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 27-03-2026
Zaaknummer C/02/439572 / FA RK 25-4577
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Raadsonderzoek naar gezag, hoofdverblijf en (ontzegging) omgang

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/439572 / FA RK 25-4577

Datum uitspraak: 24 februari 2026

beschikking over gezag en omgang

in de zaak van

[de man] ,

hierna: de man

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. E.E.M. van Horen in Tilburg,

tegen

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. P.B.J. Dekker in Tilburg,

over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2008, hierna: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017, hierna: [minderjarige 2] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1. Het procesverloop

In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 9 september 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;

- de brief van mr. Van Horen van 18 september 2025 met bijlagen;

- het op 22 januari 2026 ontvangen verweerschrift met het zelfstandig verzoek met bijlagen;

- het op de zitting van 27 januari 2026 gedane (mondelinge) gewijzigde zelfstandig verzoek van de vrouw;

- het (schriftelijke) gewijzigde zelfstandig verzoek van de vrouw van 3 februari 2026;

- het verweerschrift tegen het gewijzigde zelfstandige verzoek van de vrouw van 10 februari 2026;

- de uittreksels uit het gezagsregister over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

De verzoeken zijn op de zitting van 27 januari 2026 behandeld. Bij die zitting zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad. Verder was aanwezig de begeleidster van de moeder, mevrouw [persoon] van [hulpverlening 1] . Aan haar heeft de rechtbank bijzondere toegang verleend.

Voor deze zitting heeft de rechter met [minderjarige 1] gesproken over het verzoek. [minderjarige 2] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van het verzoek vindt maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2. De feiten

Partijen zijn met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan. Bij beschikking van de rechtbank 17 september 2020 is het geregistreerd partnerschap tussen partijen ontbonden en deze beschikking is op 6 oktober 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.

Tijdens het geregistreerd partnerschap van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.

Deze kinderen verblijven bij de man.

Partijen hebben samen het gezag over de kinderen.

In de beschikking van 17 september 2020 heeft de rechtbank beslist dat de vrouw en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar elke zaterdag van 10:00 tot 19:00 uur en één keer per drie weken met overnachting, waarbij in principe de man de kinderen steeds naar de vrouw brengt en de vrouw de kinderen terugbrengt naar de man, tenzij het slecht weer is, dan brengt en haalt de man.

3. Het verzoek

De man verzoekt, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt beëindigd en dat het gezag voortaan alleen aan de man toekomt;

II. te bepalen dat het recht op omgang tussen de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor

de duur van één jaar wordt ontzegd.

De man voert verweer tegen de gewijzigde zelfstandige verzoeken van de vrouw. Hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken dan wel om deze verzoeken af te wijzen.

De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.

De vrouw heeft oorspronkelijk zelfstandig verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om

- te bepalen dat [minderjarige 2] voorlopig aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

- een onderzoek door de Raad te gelasten naar de vraag naar welk hoofverblijf van [minderjarige 2] en welke zorgregeling en wat ten aanzien van het gezag in zijn belang is.

De vrouw heeft op de zitting van 27 januari 2026 haar zelfstandig verzoek om te bepalen dat [minderjarige 2] voorlopig aan haar zal worden toevertrouwd, ingetrokken. Daarnaast heeft zij op deze zitting haar zelfstandig verzoek mondeling gewijzigd en primair verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] te wijzigen en om die bij haar te bepalen, om een onderzoek door de Raad te gelasten en in afwachting daarvan een voorlopige zorgregeling tussen haar en [minderjarige 2] te bepalen en subsidiair om de zorgregeling tussen haar en [minderjarige 2] te wijzigen naar een weekend in de twee weken en iedere woensdagmiddag.

De vrouw verzoekt nu bij gewijzigd zelfstandig verzoek, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad om:

primair:

- te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vrouw zal zijn;

- een onderzoek door de Raad te gelasten naar de vraag naar welk hoofverblijf van [minderjarige 2] en welke zorgregeling en wat ten aanzien van het gezag in zijn belang is;

- in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek een voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 2] vast te stellen, waarbij de contactmomenten zullen worden opgebouwd, zoals in het gewijzigd zelfstandig verzoek is aangegeven;

subsidiair:

- een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 2] vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige 2] bij de vrouw zal verblijven in de even weken van maandag na aanvang school (8.30 uur) tot maandag aanvang school (8.30 uur), alsmede tijdens de helft van de vakanties en feestdagen, dan wel een in uw goede justitie vast te stellen zorgregeling.

Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4. De beoordeling

De man legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat de vastgestelde zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen in de loop der jaren steeds verder is beperkt. In de laatste fase waarin de zorgregeling nog werd gevolgd, vond het contact tussen de vrouw en de kinderen slechts gedurende enkele uren op zaterdag plaats. [minderjarige 1] heeft in 2022 aan de man kenbaar gemaakt dat zij niet meer naar de vrouw wilde gaan. Zij had onder meer het gevoel dat zij door de vrouw niet werd gezien of gehoord en dat de situatie bij haar regelmatig uit de hand liep. Sinds 2022 gaat [minderjarige 1] niet meer volgens de zorgregeling naar de vrouw. [minderjarige 1] is in de afgelopen jaren nog wel sporadisch bij de vrouw op bezoek geweest. Naar eigen zeggen deed zij dit enkel om [minderjarige 2] te ondersteunen. [minderjarige 1] heeft inmiddels de leeftijd van 17 jaar bereikt en is goed in staat om te bepalen wat zij wel en wat zij niet wil. Zij heeft in 2023 en in 2025 verklaringen op schrift gesteld over haar ervaringen bij de vrouw thuis. Deze verklaringen zijn als producties bij het verzoekschrift overgelegd. De wens van [minderjarige 1] om de vrouw niet te zien is ongewijzigd gebleven.

Inmiddels geeft ook [minderjarige 2] al langere tijd aan dat hij niet meer naar de vrouw wil gaan. Hij heeft de vrouw sinds omstreeks oktober 2024 niet meer gezien. Het idee dat de vrouw de zorgregeling kan afdwingen, brengt echter onzekerheid en onrust bij de kinderen met zich mee. Gelet op bovenstaande omstandigheden verzoekt de man dan ook om de vrouw het recht op omgang met de kinderen te ontzeggen. Hij is van mening dat aan de wettelijke criteria hiervoor is voldaan. Dan zal de juridische situatie ook overeenkomen met de feitelijke situatie. Daarnaast is de man van mening dat aan de wettelijke criteria voor wijziging van het gezag is voldaan. Er is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden, nu al sinds de ontbinding van het geregistreerd partnerschap een onhoudbare situatie is ontstaan. De communicatie tussen partijen verloopt zeer moeizaam. Behoorlijk overleg over de kinderen is al jaren niet meer aan de orde. Daarnaast is de vrouw sinds lange tijd op geen enkele manier betrokken bij de verzorging en opvoeding van de kinderen en geeft zij al lange tijd geen invulling meer aan haar rol als gezagdragende ouder. Zij heeft dan ook onvoldoende inzicht om in het belang van de kinderen te kunnen handelen. Het komt er feitelijk op neer dat het ouderlijk gezag van de vrouw op dit moment slechts een formaliteit is. Gelet hierop is de man van mening dat de kinderen bij gezamenlijk gezag het risico lopen om klem of verloren te raken tussen de ouders dan wel dat een wijziging van het gezag anderszins in hun belang noodzakelijk is. Wanneer de rechtbank van oordeel is dat zij over onvoldoende gegevens beschikt om tot een beslissing te kunnen komen, dan is de man bereid om zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek door de Raad. In dat geval verzoekt de man voorwaardelijk om zijn verzoeken in afwachting van de uitkomsten uit het raadsonderzoek aan te houden.

In aanvulling hierop is door en namens de man tijdens de zitting nog aangevoerd dat hij betwist dat hij de kinderen van de vrouw heeft weggehouden. De kinderen hebben daar zelf voor gekozen, omdat zij veel hebben meegemaakt bij de vrouw. Als de vrouw het contact met de kinderen had willen herstellen, dan had zij daartoe een procedure kunnen starten. Dit heeft zij echter niet gedaan. De man kan de kinderen bieden wat zij nodig hebben en handelt in hun belang. Hij handhaaft dan ook zijn verzoeken. De man betreurt het dat [minderjarige 2] op dit moment niet naar school gaat. Dit is echter niet aan de man te wijten, zoals de vrouw wil doen voorkomen. De man vindt het vervelend dat de vrouw hem ook verder in een kwaad daglicht probeert te stellen. Momenteel wordt door de Stichting Onderwijs van de overheid en [hulpverlening 2] naar een passende kleinschalige school voor [minderjarige 2] gezocht. In afwachting hiervan blijft de man voor [minderjarige 2] thuis zodat hij hem kan helpen met zijn huiswerk. Ten aanzien van de op de zitting gedane mondelinge gewijzigde zelfstandige verzoeken van de vrouw stelt de man zich op het standpunt dat deze verzoeken nog op schrift moeten worden gesteld. Daarnaast wil de man graag, na overleg met zijn advocaat, hierop een schriftelijke reactie kunnen geven. Hij kan al wel aangeven dat hij het niet eens is met het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij haar te bepalen. De man stemt wel in met een onderzoek door de Raad naar de gezagskwestie, het hoofdverblijf en de omgang.

De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en heeft zelfstandige verzoeken ingediend. Ter onderbouwing daarvan voert zij aan dat zij de keuze van [minderjarige 1] accepteert om geen althans sporadisch contact met haar te hebben. Zij heeft, zeker gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] , ook geen andere keuze dan zich hierbij neer te leggen. De vrouw is van mening dat het wel in het belang van [minderjarige 2] is dat er contact is tussen hem en de vrouw. [minderjarige 2] mist zijn drie bij de vrouw wonende broertjes. De vrouw zou niets liever willen dan dat [minderjarige 2] samen met zijn broertjes zou kunnen opgroeien. Bovendien gaat [minderjarige 2] momenteel niet naar school. Hij is de afgelopen periode al op drie scholen weggestuurd, met name door het handelen van de man. De man zou zich agressief hebben opgesteld, leraren hebben bedreigd en zich niet hebben gehouden aan een contactverbod. De vrouw vindt het in het belang van [minderjarige 2] dat hij zo snel mogelijk weer naar school kan gaan. Zij zou hiervoor kunnen zorgdragen als zij weer de zorg en opvoeding van [minderjarige 2] op zich zou kunnen nemen. De vrouw heeft in de afgelopen jaren hard aan zichzelf gewerkt. Zij krijgt hierbij nog steeds ondersteuning. Ook heeft de vrouw steeds getracht om in contact te blijven met de bij de kinderen betrokken instanties, waaronder Veilig Thuis. De man heeft de kinderen echter steeds meer van deze instanties afgesloten, waardoor er op dit moment geen zicht op hen is. Ook is op initiatief van de man de speltherapie van [minderjarige 2] gestopt zonder dat de vrouw hierin een stem heeft gehad.

Ten aanzien van het verzoek van de man het gezamenlijk gezag te beëindigen, is de vrouw van mening dat geenszins is voldaan aan de wettelijke criteria hiervoor. Van een onhoudbare situatie, zoals de man stelt, is geenszins sprake. De vrouw verleent ten alle tijden haar medewerking aan verzoeken van de man. Zij heeft alleen geen toestemming verleend voor de inschrijving van [minderjarige 2] op een school in [woonplaats 2] , omdat er in [woonplaats 1] voldoende scholen zijn. Voor aanmeldingen op scholen in [woonplaats 1] heeft zij wel steeds toestemming verleend.

Daarnaast kan het niet zo zijn dat de man, nu hij de omgang frustreert, het argument kan aanvoeren dat de vrouw onvoldoende inzicht heeft om in het belang van de kinderen te kunnen handelen. De vrouw stelt juist het belang van de kinderen voorop en werkt de man noch de kinderen in niets tegen. Zij vreest dan ook dat, als de man het eenhoofdig gezag heeft, de vrouw volledig buiten spel zal worden gezet. Concluderend verzoekt de vrouw dan ook om de beide verzoeken van de man af te wijzen. Gelet op de zeer zorgelijke situatie, vindt de vrouw het in het belang van de kinderen dat er een raadsonderzoek zal plaatsvinden naar de gezagskwestie voor beide kinderen, naar het hoofdverblijf en naar de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] . Zij verzoekt dan ook om een raadsonderzoek te gelasten.

In aanvulling hierop is door en namens de vrouw tijdens de zitting nog aangevoerd dat de verzoeken van de man met name zijn gebaseerd op de verklaringen van [minderjarige 1] . Op het moment dat zij geen contact meer wilde met de vrouw, waren De Gezinsmanager en Veilig Thuis bij partijen betrokken. Deze instellingen hebben de vrouw toen geadviseerd om geen procedure te starten om tot contactherstel te komen. Het kan zijn dat de vrouw zich hierin anders had moeten opstellen. Dit laat echter onverlet dat de kinderen altijd welkom bij haar zijn en dat zij hen een veilige thuissituatie kan bieden. Nu het verzoek om [minderjarige 2] aan de vrouw toe te vertrouwen wellicht in de onderhavige procedure niet thuis hoort, trekt de vrouw dit verzoek in. Zij verzoekt nu mondeling primair om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] te wijzigen en om dat bij haar te bepalen, om een onderzoek door de Raad te gelasten en om, in afwachting daarvan, een voorlopige zorgregeling tussen haar en [minderjarige 2] te bepalen en subsidiair om de zorgregeling tussen haar en [minderjarige 2] te wijzigen. De vrouw zou daarbij graag zien dat de Raad zijn onderzoek zal uitbreiden met een beschermingsonderzoek.

Namens de Raad is tijdens de zitting aangevoerd dat de Raad een raadsonderzoek aangewezen acht. De Raad maakt zich zorgen over de huidige situatie, waaronder over wat er op de school van [minderjarige 2] is gebeurd en over de rol die de man daarbij heeft gespeeld. Veilig Thuis en [hulpverlening 3] hebben ook al contact met de Raad gezocht voor een eventueel beschermingsonderzoek. Hiervan is het tot nu toe niets gekomen omdat er telkens toch weer positieve stappen werden gezet. De Raad doet normaal gesproken alleen onderzoek naar de verzoeken, die voorliggen. Als de ouders ook onderzoek wensen naar de wijziging van het hoofdverblijf en wijziging van de zorgregeling, dan zullen de verzoeken hierop moeten worden aangepast.

De rechtbank heeft op de zitting de vrouw de gelegenheid gegeven om binnen een week haar tijdens de zitting gedane mondelinge gewijzigde zelfstandige verzoeken op papier te zetten. De rechtbank heeft op de zitting de man de gelegenheid gegeven om vervolgens binnen een week hierop een reacti te geven.

Namens de vrouw is ter onderbouwing van haar gewijzigde zelfstandig verzoek aangevoerd, dat zij zich, zoals ook al op de zitting is aangegeven, zorgen maakt over het verblijf van [minderjarige 2] bij de man, waaronder vanwege het niet naar school gaan, het staken van de hulpverlening en het niet aanwezig zijn bij de voetbal. De vrouw acht het in ieder geval in het belang van [minderjarige 2] dat er zo spoedig mogelijk een herstel van contact tussen haar en [minderjarige 2] zal plaatsvinden. Zij verzoekt nu primair om de wijziging van het hoofdverblijf, gelet op de zorgen aan de zijde van de man en subsidiair om een zorgregeling, inhoudende een co-ouderschapsregeling, wat ook altijd de intentie is geweest.

Namens de man is ter onderbouwing van zijn verweerschrift tegen het gewijzigde zelfstandig verzoek aangevoerd dat de man het noch in het belang van [minderjarige 2] noch in het belang van [minderjarige 1] vindt om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vrouw te bepalen. Beide kinderen hebben al sinds 2020 hun hoofdverblijf bij de man. De man is van mening dat het niet in het belang van de kinderen is dat hun hoofdverblijf wordt opgesplitst. Bovendien heeft [minderjarige 2] al geruime tijd geen enkele vorm van contact met de vrouw. De man ziet ook geen aanleiding om [minderjarige 2] uit zijn vertrouwde omgeving bij de man en [minderjarige 1] weg te halen.

Voor zover er zorgen bestaan rondom [minderjarige 2] , wenst de man op te merken dat hij alle mogelijke inspanningen levert om zo spoedig mogelijk de zorgen rondom de schoolgang weg te nemen. Daarnaast heeft hij bij zijn huisarts de vraag voor nieuwe passende hulpverlening voor [minderjarige 2] uitgezet. De man is er niet van overtuigd dat de vrouw de zorgen rondom de schoolgang van [minderjarige 2] eerder zou kunnen wegnemen dan hij. De man maakt immers uit de dossierstukken van Veilig Thuis op dat er vanuit de organisatie [hulpverlening 1] op meerdere gebieden hulpverlening bij de vrouw en haar gezin is betrokken. [hulpverlening 1] heeft geconstateerd dat er veel belasting bij de vrouw ligt en dat zij oververmoeid is. De vrouw en haar partner staan beiden ook op de wachtlijst voor traumatherapie.

Mede gelet op deze bevindingen komt de man tot de conclusie dat de vrouw onvoldoende ruimte heeft om [minderjarige 2] binnen haar gezin op te vangen. Daarbij wijst de man erop dat de vrouw, in de periode dat er nog wel contact was tussen haar en de kinderen, al moeite had om in de basisbehoeften van de kinderen te voorzien.

De man verzoekt dan ook om het verzoek van de vrouw tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] af te wijzen. Gelet hierop ziet de man geen aanleiding voor het gelasten van een onderzoek door de Raad naar het hoofdverblijf van [minderjarige 2] . De man verzoekt ook dit verzoek af te wijzen.

Hij is wel bereid om aan een onderzoek door de Raad naar de door hem ingediende verzoeken mee te werken. De man verzet zich tegen het primaire en subsidiaire zelfstandige verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een zorgregeling en handhaaft zijn verzoek tot de ontzegging van het recht op omgang tussen de vrouw en de kinderen. Daaraan wenst de man nog toe te voegen dat het opbouwrooster van de vrouw wegens praktische overwegingen niet uitvoerbaar is in verband met extra zwemlessen van [minderjarige 2] . Bovendien is de man van mening dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het vervoer van en naar de door de vrouw voorgestelde locatie. De man heeft al zijn financiële middelen dringend nodig. Mocht de rechtbank de door de vrouw verzochte zorgregeling toewijzen, dan verzoekt de man te bepalen dat de vrouw in alle gevallen zelf zorg draagt voor het vervoer van [minderjarige 2] van en naar de voorgestelde locatie.

De rechtbank is van oordeel dat zij op dit moment te weinig informatie heeft om een gedegen beslissing te kunnen nemen op de verzoeken tot gezagswijziging, de ontzegging op het recht op omgang, op de wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en op de wijziging van de zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 2] .

Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er sprake is van een zorgelijk situatie rondom [minderjarige 2] . Hij gaat als pas 8-jarige jongen al enige tijd niet naar school. Onduidelijk is welke rol de man hierbij heeft gespeeld. Daarnaast is het zorgelijk dat [minderjarige 1] sinds 2022 en [minderjarige 2] sinds oktober 2024 geen, althans nauwelijks, contact hebben met de vrouw. [minderjarige 1] heeft daarbij zorgelijke uitspraken gedaan over de thuissituatie van de vrouw. Verder zijn Veilig Thuis en andere hulpverleningsinstantie al geruime bij de ouders en de kinderen betrokken. De Raad zal daarom worden verzocht om een onderzoek te doen naar de volgende vragen:

- Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] erg klem komen te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?

- Past een wijziging van de hoofdverblijfplaats bij de belangen van [minderjarige 2] ?

- Past een verandering van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders bij de belangen van [minderjarige 2] ?

- Hoe moet die regeling er eventueel uit gaan zien (aard, duur en frequentie)?

- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke? Is op basis daarvan een ontzegging van het recht op omgang van de vrouw met [minderjarige 2] in het belang van [minderjarige 2] ?

- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

- Ziet de Raad aanleiding om over te gaan tot een beschermingsonderzoek?

In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak worden aangehouden.

De rechtbank ziet in de zorgen die er zijn en de lange tijd dat [minderjarige 2] geen contact met de vrouw heeft gehad geen aanleiding om in afwachting van het onderzoek van de Raad een voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 2] vast te stellen. De rechtbank zal dit zelfstandig verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

Brief [minderjarige 1]

heeft tijdens het kindgesprek tegen de kinderrechter gezegd dat zij graag een brief van de kinderrechter krijgt waarin de beslissing staat vermeld. De kinderrechter wil graag aan haar verzoek voldoen. Zij heeft haar de volgende brief geschreven.

Beste [minderjarige 1] ,

Op 19 januari 2026 hebben wij met elkaar een gesprek gehad over de verzoeken van je vader om het ouderlijk gezag en het contact met je moeder te stoppen. Wij hebben daarover een goed gesprek met elkaar gehad. Je hebt toen tegen mij gezegd dat je veel bij je moeder thuis hebt meegemaakt en dat je het fijn zou vinden als je geen contact meer met je moeder hoeft te hebben.

Na ons gesprek heeft je moeder ook verzoeken ingediend. Deze verzoeken gaan niet over jou maar over je broertje [minderjarige 2] .

Op 27 januari 2026 heb ik tijdens de zitting over de verzoeken van je ouders gesproken met je vader en diens advocaat, met je moeder en haar advocaat en met een mevrouw van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad). Ik heb op de zitting gezegd wat jij tegen mij hebt gezegd, zoals hierboven staat in de eerste alinea van deze brief. Je moeder heeft toen gezegd dat zij je keuze accepteert om geen contact meer met haar te hebben. Zij wil nog wel graag het ouderlijk gezag over je houden.

Na de zitting heb ik over de verzoeken van je ouders nagedacht. Ik heb besloten om de Raad een onderzoek te laten doen naar alle verzoeken van je ouders. De Raad zal ook jouw mening vragen over de verzoeken. Hiervoor zal je van de Raad een uitnodiging krijgen. Het zal ongeveer een half jaar duren voordat de Raad dit onderzoek klaar heeft. Na het onderzoek van de Raad mogen je ouders hierop een reactie geven. Daarna zal ik een beslissing nemen op de verzoeken van je ouders.

Ik wens je het allerbeste toe.

Hartelijke groet,,

mr. Bogaert

De kinderrechter

Dit betekent dat als volgt wordt beslist. De rechtbank behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

5. De beslissing

De rechtbank

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie [locatie] een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

wijst het zelfstandig verzoek van de vrouw af om in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek een voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 2] vast te stellen, zoals in het gewijzigd zelfstandig verzoek is aangegeven;

houdt de behandeling van deze zaak aan tot 25 augustus 2026 Pro Forma;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op uiterlijk 24 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?