ECLI:NL:RBZWB:2026:2250

ECLI:NL:RBZWB:2026:2250

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 27-03-2026
Zaaknummer C/02/414035 / FA RK 23-4382
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Afwijzen verzoek tot gezamenlijk gezag. Aanhouden verzoek tot het vastellen van een omgangsregeling in afwachting van de resultaten van de hulpverlening die wordt ingezet.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/414035 / FA RK 23-4382

datum uitspraak: 24 februari 2026

nadere beschikking over gezag en omgang

in de zaak van

[de man] ,

hierna te noemen de man,

wonende in [woonplaats] ,

voorheen advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci uit Delft, onttrokken op 20 mei 2025,

tegen

[de vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. Czarnota uit Oosterhout,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1. Het procesverloop

In het dossier zitten de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de man van 7 september 2023 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 11 september 2023;

- de in de zaak C/02/414038 / FA RK 23-4384 afgegeven beschikking betreffende het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en alle daarin vermelde stukken;

- het e-mailbericht van 13 december 2024 van [hulpverlening 1] met als bijlage het eindrapport van [zorgaanbieder] van 22 november 2024;

- de brief van de Raad van 17 januari 2025;

- het rapport van de Raad van 28 augustus 2025;

- het F9-formulier van mr. Czarnota van 22 september 2025;

- het door mr. Czarnota ter zitting overgelegde plan van aanpak van Toegang Tilburg, tevens als bijlage ontvangen bij het F9-formulier van mr. Czarnota van 3 februari 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 6 februari 2026.

De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 5 februari 2026. Verschenen is de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.

De man is, hoewel correct opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.

[minderjarige] verblijft bij de vrouw.

De man heeft [minderjarige] erkend. Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt alleen door de vrouw uitgeoefend.

De man heeft gelijktijdig met de onderhavige procedure een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv ingediend. Deze procedure is geregistreerd onder zaaknummer C/02/414038 / FA RK 23-4384 en omvatte een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft verzocht het verzoek van de man af te wijzen. Bij wijze van zelfstandige verzoeken heeft de vrouw verzocht [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen, een voorlopige omgangsregeling vast te stellen en de man te veroordelen om een voorlopige bijdrage te voldoen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 300,- per maand met ingang van 9 juli 2023.

Bij beschikking van 30 november 2023 heeft deze rechtbank in de zaak C/02/414038 / FA RK 23-4384 bij wege van voorlopige voorzieningen, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw, dat de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar conform een vastgestelde omgangsregeling, en dat de man voorlopig een bedrag van € 100,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Daarnaast heeft de rechtbank bij voormelde beschikking partijen en [minderjarige] in de (onderhavige) zaak C/02/414035 / FA RK 23-4382 voor een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant ten behoeve van hierna genoemde resultaten:

- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;

- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;

- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;

- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.

Iedere verdere beslissing in de zaak is aangehouden.

Partijen en [minderjarige] zijn in september 2024 gestart met een hulpverleningstraject bij [zorgaanbieder] .

Bij e-mailbericht van 13 december 2024 heeft [hulpverlening 1] het hulpverlenings-traject van [zorgaanbieder] negatief terug gemeld bij de rechtbank en de Raad. Als bijlage bij voornoemd e-mailbericht is het eindrapport van [zorgaanbieder] van 22 november 2024 ingebracht.

Bij brief van 17 januari 2025 heeft de Raad de rechtbank bericht dat de zaak van partijen naar aanleiding van de negatieve terugmelding is gescreend en dat naar aanleiding van deze screening is besloten om een gezags- en omgangsonderzoek te verrichten.

In navolging van voormeld bericht heeft de Raad onderzoek verricht, waarbij de Raad zijn onderzoek (ambtshalve) heeft uitgebreid met een beschermingsonderzoek. Van het onderzoek heeft de Raad op 28 augustus 2025 rapport uitgebracht. De Raad heeft adviezen uitgebracht met betrekking tot de verzoeken van de man. Daarnaast is geconcludeerd dat er geen noodzaak is voor een ondertoezichtstelling.

Partijen en [minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit.

3. De verzoeken

Aan de orde zijn de verzoeken van de man om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de man samen met de vrouw wordt belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] ;

II. te bepalen dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij [minderjarige] bij de man zal zijn:

- elke vrijdag van 18:00 uur tot maandagavond 20:00 uur, en

- de helft van de vakanties, feestdagen en verjaardagen.

De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken van de man kennis te nemen, omdat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op de verzoeken het Nederlands recht van toepassing.

Gezag

De man verzoekt om hem samen met de vrouw met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten.

Op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Dit verzoek wordt, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De Raad heeft ter zitting, onder verwijzing naar het raadsrapport van 28 augustus 2025, geadviseerd om het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag af te wijzen. Volgens de Raad hebben partijen een heel andere opvoedingsvisie, waarbij het hen niet is gelukt om in het hulpverleningstraject van [zorgaanbieder] , dat heeft plaatsgevonden in het kader van het Uniform Hulpaanbod, hierover met elkaar te spreken en afspraken te maken. Dit is met name te wijten aan de man, die sterk vasthoudt aan zijn eigen visie en niet open staat voor andere ideeën, tips en adviezen. Hierdoor is het ook niet mogelijk gebleken om een andere vorm van samenwerking tussen partijen te creëren, waarbij zij minder direct contact met elkaar hebben. Ook de vrouw kan stellig zijn, maar zij staat, anders dan de man, wel open voor hulpverlening, tips en adviezen en heeft laten zien daarmee iets te kunnen doen. Er bestaat een groot risico dat [minderjarige] bij gezamenlijk gezag klem tussen partijen komt te zitten gelet op de conflictueuze verstandhouding tussen partijen waarbij sprake is van spanningen en wantrouwen. Daarbij is het voor de vrouw, gezien de houding en het gedrag van de man, onmogelijk om met de man te overleggen en besluiten te nemen in het belang van [minderjarige] . Daarnaast is de Raad bezorgd dat de man niet de juiste keuzes zal maken voor [minderjarige] . Afgelopen periode heeft de man zich niet altijd verantwoordelijk gedragen richting [minderjarige] en heeft zich daarin ook niet laten sturen. Er zijn geen mogelijkheden voor gezamenlijk gezag zolang de man niet aan zichzelf heeft gewerkt, aan zijn opvoedingsvaardigheden en aan zijn manier van communiceren. Vooralsnog staat de man niet voor (individuele) hulpverlening open.

De vrouw heeft ter zitting naar voren gebracht in te kunnen stemmen met het advies van de Raad. Van een verbetering in de samenwerking en communicatie tussen partijen op ouderniveau is tot op heden geen sprake. Partijen hebben nagenoeg geen contact met elkaar over [minderjarige] en op de momenten dat zij wel contact met elkaar hebben verloopt dit zeer moeizaam. De man is manipulatief naar de vrouw en heeft geen oog voor de belangen van [minderjarige] .

De rechtbank overweegt dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening waarbij zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen zodat het kind niet klem of verloren raakt. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is gebleken dat het contact tussen partijen minimaal is. Het ontbreken van een goede communicatie tussen ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders (blijvend) moet worden toegekend. In dit geval is de rechtbank echter van oordeel dat de minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag over [minderjarige] ontbreekt. De verstandhouding tussen partijen is langdurig ernstig verstoord en is zeer conflictueus. Ondanks de ingezette hulpverlening van [zorgaanbieder] zijn partijen er niet in geslaagd op een werkbare manier invulling te geven aan hun gezamenlijk ouderschap. Met name de man voert een voortdurende strijd, waarbij hij een dwingende houding naar de vrouw aanneemt en niet open staat voor hulpverlening om te werken aan een betere communicatie en samenwerking met de vrouw op ouderniveau. De man is niet aanspreekbaar op zijn gedrag en erkent de zorgen rondom zijn handelen, ook richting [minderjarige] , niet. Gelet op deze omstandigheden zal de uitoefening van het gezamenlijk gezag en de daarvoor benodigde afstemming tussen partijen naar verwachting van de rechtbank op dit moment te veel van de vrouw vragen en is daarom in de huidige situatie niet in het belang van [minderjarige] . Bij toekenning van het gezamenlijk gezag is er een reëel risico dat [minderjarige] klem en verloren raakt, terwijl er geen enkele aanwijzing is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering te verwachten valt, nu de man tot op heden de voor hem noodzakelijk geachte hulpverlening om te werken aan zichzelf, zijn opvoedingsvaardigheden en zijn wijze van communiceren afhoudt. De rechtbank zal het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag daarom afwijzen.

Omgang

De man verzoekt om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, waarbij [minderjarige] wekelijks in het weekend bij hem verblijft en gedurende de helft van de vakanties, feestdagen en verjaardagen.

Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Volgens het tweede lid van dit artikel stelt de rechter op verzoek van een ouder, al dan niet voor bepaalde tijd, een omgangsregeling vast of ontzegt een ouder het recht op omgang. Ontzegging van het recht op omgang gebeurt slechts, als:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

De Raad heeft ter zitting, onder verwijzing naar zijn raadsrapport van 28 augustus 2025, naar voren gebracht dat onder begeleiding van [zorgaanbieder] uitvoering is gegeven aan de voorlopige omgangsregeling zoals bepaald in de beschikking van 30 november 2023 in de zaak C/02/414038 / FA RK 23-4384. Dit verliep moeizaam doordat de man zich niet hield aan de tijdstippen van de omgangsmomenten en met [minderjarige] contact zocht buiten de omgangsmomenten. Daarnaast vertoonde de man onstabiel en agressief gedrag, ook in het bijzijn van [minderjarige] . [zorgaanbieder] heeft bij de afsluiting van het traject geadviseerd om de omgangsregeling aan te passen, waarbij er doordeweeks geen omgang meer plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] en de man wordt opgelegd [minderjarige] en de vrouw niet te benaderen buiten de afgesproken omgangsmomenten. Ook heeft [zorgaanbieder] geadviseerd om een duidelijk besluit te nemen met betrekking tot de verdeling van de feestdagen. Na afsluiting van het traject bij [zorgaanbieder] is de omgang tussen de man en [minderjarige] stil komen te liggen van februari 2025 tot juli 2025. Vanaf juli 2025 hebben er weer enkele omgangs-momenten tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden, maar zonder enige vaste frequentie en structuur. Er zijn grote zorgen over het handelen en het gedrag van de man en zijn opvoedingsvaardigheden, maar nu er nog maar één hulpverleningstraject is geweest en gezien wordt dat [minderjarige] behoefte heeft aan contact met de man, acht de Raad het op dit moment te vroeg en niet in het belang van [minderjarige] om het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling af te wijzen. De Raad adviseert een nieuw hulpverleningstraject voor (begeleide) omgang in te zetten, met als doel toe te werken naar onbegeleide omgang. Onderzocht moet worden of de man bereid en in staat is om te werken aan zijn opvoedingsvaardigheden, hoever deze rijken en of hij voor [minderjarige] een veilige opvoedingssituatie kan creëren, voordat er naar onbegeleide omgang kan worden overgegaan. Ook moet worden meegenomen hoe [minderjarige] op de omgangsmomenten met de man reageert en hoe de overdracht van informatie tussen partijen vorm kan worden gegeven. Op verzoek van de Raad heeft [hulpverlening 1] in dit kader een plan van aanpak opgesteld, waarbij [hulpverlening 2] , een instantie die ambulante hulpverlening biedt aan Oost-Europese cliënten en gezinnen, bereid is gevonden om het door de Raad geadviseerde omgangstraject op zich te nemen. Beide partijen hebben hun toestemming gegeven om voor dit traject aangemeld te worden. Gelet hierop adviseert de Raad om een beslissing op het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling aan te houden voor de duur van een jaar in afwachting van de resultaten binnen de hulpverlening. Daarbij benadrukt de Raad dat het hulpverleningstraject bij [hulpverlening 2] als laatste kans voor de man moet worden gezien. Het is aan de man om zich voor het traject in te zetten, zich begeleidbaar op te stellen en zijn verantwoordelijkheid als ouder te nemen. Er kan enkel ingezet worden op een uitbreiding van de omgang tussen de man en [minderjarige] naar onbegeleide omgang als de veiligheid van [minderjarige] bij de man voldoende gewaarborgd is. Verder heeft de Raad er op gewezen dat de situatie waarbij partijen in hetzelfde appartementencomplex wonen, niet ideaal is. Partijen kunnen hierdoor moeilijk de benodigde afstand van elkaar nemen. Ook leidt dit tot ongewenste confrontaties tussen de man en [minderjarige] . Onbegeleide omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de man zijn op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . De vrouw moet hierin weerstand gaan bieden aan de man en zich strikt houden aan de omgangsmomenten die [hulpverlening 2] gaat organiseren en mogelijk acht.

De vrouw heeft ter zitting te kennen gegeven het advies van de Raad te onderschrijven. Zij gunt [minderjarige] een fijn en onbelast contact met de man en staat ervoor open om hiervoor nogmaals hulpverlening aan te gaan. Zij heeft haar toestemming verleend voor een omgangstraject bij [hulpverlening 2] . Er heeft inmiddels een intakegesprek plaatsgevonden. Belangrijk is dat de man zich gaat houden aan de afspraken rondom de omgang, zoals de begin- en eindtijdstippen. De vrouw ziet in waarom op dit moment enkel begeleide omgangsmomenten tussen de man en [minderjarige] mogelijk zijn. Zij zal verzoeken van de man tot meer contact met [minderjarige] , buiten de door [hulpverlening 2] nog te organiseren omgangsmomenten om, afwijzen. Indien het hulpverleningstraject bij [hulpverlening 2] niet slaagt door toedoen van de man, is de vrouw voornemens om een verzoek tot ontzegging van het recht op omgang tussen de man en [minderjarige] in te dienen. Belangrijk is dat [minderjarige] kan leren bouwen op de man en dat voor hem helder is wat hij van de man kan en mag verwachten.

De rechtbank overweegt dat het in het algemeen in het belang van een kind is om met zijn beide ouders in contact te staan in het kader van een goede en evenwichtige (identiteits)ontwikkeling. Wel dient dit contact met beide ouders onbelast te verlopen, veilig plaats te vinden en ook dienen beide ouders in het contact met het kind in voldoende mate aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van het kind.

De rechtbank stelt op basis van de voorliggende stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast dat partijen, nadat de Raad nader onderzoek had verricht naar aanleiding van de negatieve terugmelding van het hulpverleningstraject bij [zorgaanbieder] , bij [hulpverlening 1] zijn aangemeld voor een nieuw hulpverleningstraject, dat uitgevoerd zal worden door [hulpverlening 2] . Uit het ingebrachte plan van aanpak van [hulpverlening 1] blijkt dat de volgende hulpvragen van partijen in dit traject voorliggen, namelijk:

- Help partijen om omgangsmomenten te organiseren tussen de man en [minderjarige] die aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] , zodat [minderjarige] weer contact kan hebben met zijn vader;

- Ondersteun partijen bij het maken van afspraken rondom de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man, zodat er duidelijkheid is voor partijen en conflicten over deze zaken vermeden kunnen worden;

- Help partijen om op een passende manier vorm te geven aan een overdracht wanneer [minderjarige] wisselt van verblijven bij de ene ouder naar verblijven bij de andere ouder.

De vrouw heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard in te stemmen met voormelde hulpvragen en zich te conformeren aan het omgangstraject dat door [hulpverlening 2] uitgevoerd zal worden. De man is niet ter zitting verschenen, zodat de man niet bevraagd kon worden over zijn standpunt hierover. Nu echter onweersproken is gesteld dat de man zijn toestemming heeft gegeven om voor het omgangstraject via [hulpverlening 1] aangemeld te worden bij [hulpverlening 2] , gaat de rechtbank er vanuit dat de man zich ook conformeert aan dit traject en hieraan zijn medewerking zal verlenen. Met de Raad acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat de mogelijkheden tot contact tussen de man en [minderjarige] nader worden onderzocht, waarbij de insteek is om vanuit begeleide omgang toe te werken naar onbegeleide omgang. De rechtbank gunt het [minderjarige] om met zijn beide ouders een positief en onbelast contact te hebben en spreekt de hoop uit dat het omgangstraject bij [hulpverlening 2] positieve resultaten gaat opleveren in de omgang tussen de man en [minderjarige] . Conform het advies van de Raad zal de rechtbank daarom een beslissing op het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling (nogmaals) aanhouden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening. Daarbij overweegt de rechtbank dat deelname aan het omgangstraject weliswaar vrijwillig, maar niet vrijblijvend is. Van beide partijen wordt dan ook een serieuze inspanning verlangd om het traject tot een goed einde te brengen.

Nu het omgangstraject nog dient te starten en gelet op de stappen die nog genomen moeten worden, ziet de rechtbank reden om de zaak voor de duur van een jaar aan te houden, te weten tot dinsdag 23 februari 2027 PRO FORMA. Daarbij verwacht de rechtbank van de advocaat van de vrouw uiterlijk op voormelde datum, of zoveel eerder als mogelijk, bericht over het verloop van het omgangstraject dat door [hulpverlening 2] uitgevoerd gaat worden en over de invulling en (eventuele) uitvoering van een omgangsregeling. De rechtbank zal aan de hand van deze berichtgeving besluiten of de zaak opnieuw op zitting behandeld moet worden of verder schriftelijk kan worden afgedaan en zal partijen hiervan op de hoogte stellen.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag af;

houdt aan de beslissing op het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige [minderjarige] tot dinsdag 23 februari 2027 PRO FORMA, in afwachting van bericht van de advocaat van de vrouw over het verloop van het omgangstraject dat uitgevoerd gaat worden door [hulpverlening 2] een en ander op de wijze zoals is omschreven in rechtsoverweging 4.14 van deze beschikking;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Snatersen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?