beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/428603 / FA RK 24-5251
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Eindbeschikking betreffende wijziging gezag, hoofdverblijf en omgangsregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Koҫak te Rotterdam,
over de minderjarige:
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de resterende verzoeken te adviseren.
1. Het verdere procesverloop
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 8 april 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het e-mailbericht met bijlagen van [hulpverlening 1] van 29 augustus 2025, betreffende de rapportage van het UHA-traject;
- het e-mailbericht van de Raad van 29 augustus 2025, inhoudende het bericht dat de Raad de zaak zal screenen en beoordelen;
- het e-mailbericht van [hulpverlening 1] van 4 september 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Koçak van 16 september 2025, betreffende producties 5 tot en met 7;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Teusink van 3 oktober 2025;
- de brief van de Raad van 30 oktober 2025, ingekomen bij de griffie op
4 november 2025;
- het raadsrapport van 15 januari 2026, ingekomen bij de griffie op 20 januari 2026;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Teusink van 21 januari 2026;
- het F9-formulier van mr. Koçak van 2 februari 2026.
Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van de verzoeken voortgezet tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Arabische taal;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Arabische taal;
- twee vertegenwoordigsters van de GI;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de resterende verzoeken van partijen in deze zaak en het verzoek van de Raad in de zaak met kenmerk C/02/444092 / JE RK 26-83 zijn beide zaken gelijktijdig behandeld. In deze zaken wordt bij separate beschikking van heden beslist.
2. De feiten en standpunten
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 8 april 2025 heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] voorlopig haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat er sprake is van een voorlopige zorgregeling waarbij [minderjarige] en de man contact met elkaar hebben elke zondag van 13.00 tot 16.00 uur. Daarnaast zijn partijen in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) verwezen naar een (jeugd)hulptraject. De rechtbank heeft voorts de beslissing op het verzoek met betrekking tot het vaststellen van een definitief hoofdverblijf, een zorgregeling (al dan niet met oplegging van een dwangsom) en wijziging van het gezag aangehouden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de negatieve retourmelding vanuit het UHA-traject. Uit het UHA-rapport van 26 augustus 2025 volgt dat de gestelde resultaten niet zijn behaald. Zakelijk weergegeven blijkt uit voormelde rapportage dat het partijen gezamenlijk niet lukt om tot co-ouderschap te komen, omdat de ex-partnerrelatie daarvoor nog in de weg staat. Daarnaast heeft de man geen zelfinzicht, staan zijn eigen behoeften op de voorgrond, is hij veeleisend richting hulpverlening, is hij onbeschoft in taalgebruik richting vrouwelijke hulpverlening en wantrouwt en controleert hij de omgeving van de vrouw. Hulpverlening maakt zich zorgen over het gedrag van de man als [minderjarige] ouder wordt. De zorg is dat zij wordt belast met de problemen tussen haar ouders en de man niet kijkt naar wat zij nodig heeft. Geadviseerd wordt een traject in het gedwongen kader. De houding van de man, zijn inzicht en pedagogische vaardigheden zijn contra-indicaties voor omgang.
In reactie op het UHA-rapport bericht de man de rechtbank bij F9-formulier van
3 oktober 2025, kort samengevat, als volgt. Hij heeft op dit moment geen contact met [minderjarige] . De man betwist de opmerkingen die in de rapportage over zijn gedrag worden gemaakt.
Bij brief van 30 oktober 2025 bericht de Raad de rechtbank, samengevat, dat gelet op de zorgen rondom de veiligheid van [minderjarige] en het voortijdig stopzetten van de hulpverlening binnen het UHA-traject reden wordt gezien om onderzoek te doen. Daarbij zal ook worden bekeken of er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging en in hoeverre een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is.
Raadsrapport
De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van de onderzoeksresultaten van de Raad, zoals opgenomen in zijn rapport van 15 januari 2026 waarin hij, samengevat, de rechtbank als volgt bericht en adviseert.
Vanuit de UHA-rapportage komt naar voren dat partijen uit de ex-partnerrelatie moeten gaan komen. Ruzies, beschuldigingen, bedreigingen en dreigementen moeten stoppen. De man dient inzicht te krijgen in de ontwikkeling van [minderjarige] en dient zijn eigen aandeel en invloed daarop te gaan inzien. Hij zal open moeten gaan staan voor adviezen van de hulpverlening. Ondertussen blijkt dat de vrouw het contact tussen de man en [minderjarige] heeft stopgezet. Zij zou signalen hebben ontvangen dat de man [minderjarige] mee wil nemen naar Syrië. Daarnaast zou de man de vrouw al langere tijd stalken. De vrouw heeft aangifte gedaan. Er is ambulante Safegroup zorg aangevraagd en ingezet. Dit traject is inmiddels afgesloten omdat er geen acute dreiging meer is van de veiligheid.
De Raad heeft nog altijd grote zorgen over het veilig opgroeien van [minderjarige] in de
context van de scheiding. Zoals de Raad in zijn rapport van 11 maart 2025 ook al stelde, spelen er al vanaf de geboorte van [minderjarige] spanningen tussen partijen waarvoor op diverse momenten ook politiebemoeienis noodzakelijk is geweest. Ook in het laatste raadsonderzoek is gebleken dat er nog altijd sprake is van veel onrust en spanning tussen partijen. Een andere grote zorg van de Raad is de houding van de man ten opzichte van hulpverleners. Partijen communiceren nog altijd niet onbelast met elkaar, terwijl er wel sprake is van gezamenlijk gezag en zij vanuit deze positie te allen tijde met elkaar moeten kunnen overleggen, communiceren en beslissingen moeten kunnen nemen over [minderjarige] . Indien deze situatie onveranderd blijft, ziet de Raad grote risico’s voor [minderjarige] dat zij klem en verloren zal raken tussen haar ouders.
De Raad vindt het belangrijk dat het contact tussen [minderjarige] en de man zo spoedig mogelijk op een veilige wijze wordt hersteld. Dit kan door het inzetten van hulpverlening in het kader van begeleide omgang. Verder vindt de Raad het nog altijd noodzakelijk dat partijen met inzet van professionele ondersteuning gaan werken aan hun onderlinge samenwerking en communicatie. De Raad acht dit nodig binnen een ondertoezichtstelling.
De Raad adviseert om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen.
De Raad ziet in zijn laatste onderzoek nog altijd geen reden om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te wijzigen. [minderjarige] verblijft vanaf haar geboorte bij de vrouw. Zij is er altijd voor [minderjarige] geweest, is voor [minderjarige] een constante factor en er is sprake van een warme, liefdevolle hechtingsrelatie tussen hun beiden.
De Raad adviseert in zijn rapport het gezamenlijk gezag van partijen in stand te laten. De samenwerking tussen de ouders loopt nog niet goed. Zij moeten hiervoor met hulpverlening aan de slag. Ook moeten zij werken aan hun onderlinge verstandhouding. De Raad ziet geen reden om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt.
De Raad adviseert de rechtbank om de definitieve beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken aan te houden in afwachting van de resultaten vanuit de hulpverlening binnen het gedwongen kader. Er is op dit moment geen sprake van enige vorm van contact tussen [minderjarige] en de man, nadat dit contact (wederom) vanaf september 2025 is stil gelegd door de vrouw. Professionele begeleiding bij het herstellen van het contact is noodzakelijk. Daarvoor is het goed om de regie daarvan in het kader van een ondertoezichtstelling te beleggen bij de GI.
In reactie op het raadsrapport bericht de man de rechtbank, kort samengevat, dat uit het raadsrapport blijkt dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt. Het rapport bevat niet-geverifieerde aannames en aantoonbare feitelijke en juridische onjuistheden. Bovendien bestaan er tegenstrijdigheden tussen de verschillende professionele bronnen. De man is bereid om mee te werken aan hulpverlening om met als doel een veilige, stabiele en betekenisvolle relatie met [minderjarige] te waarborgen.
In reactie op het raadsrapport bericht de vrouw de rechtbank, kort samengevat, dat zij de door de Raad geuite zorgen erkent. Zij onderschrijft echter niet het verzoek tot een ondertoezichtstelling. De man zorgt voor een veiligheidsrisico voor [minderjarige] en de vrouw. De onderlinge verstandhouding is niet verbeterd. De vrouw heeft er geen vertrouwen in dat hierin op korte termijn verandering gaat komen en daarom is zij het niet eens om het gezamenlijk gezag in stand te houden. De vrouw sluit zich aan bij het advies over het hoofdverblijf van [minderjarige] en het advies om de beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden.
Ondertoezichtstelling
Bij beschikking van heden heeft de kinderrechter in de zaak met kenmerk C/02/444092 / JE RK 26-83 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van negen maanden, zijnde de periode van 24 februari 2026 tot 24 november 2026.
3. De resterende verzoeken
De man verzoekt, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat het gezag over het minderjarig kind van partijen, [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, alleen door de man wordt uitgeoefend;
II. te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man zal zijn;
III. een zorgregeling vast te stellen tussen de vrouw en [minderjarige] gedurende enkele uren per week op een aantal dagen per week en zulks onder begeleiding, althans een zodanige zorgregeling als de rechtbank zal vermenen te behoren;
alsmede geheel subsidiair, indien onverhoopt het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn, te bepalen dat een zorgregeling zal gelden waarbij [minderjarige] de ene week bij de man verblijft en de andere week bij de vrouw, althans een zodanige regeling als de rechtbank zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt deze man af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandige verzoeken, verzoekt de vrouw:
te bepalen dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] alleen door de vrouw wordt uitgeoefend;
te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn;
te bepalen dat de volgende omgangs-/zorgregeling wordt vastgesteld waarbij [minderjarige] :
- iedere zondag van 09:00 tot 17:00 uur bij de man verblijft;
- de man neemt het vervoer voor zijn rekening, waarbij de overdracht plaatsvindt bij de woning van de vrouw;
- de vakantie- en feestdagen worden in onderling overleg verdeeld.
te bepalen dat de man gehouden is om bovenstaande omgangs-/zorgregeling na te komen, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vader zich niet houdt aan het vonnis, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt;
kosten rechtens.
Ter zitting is gebleken dat de man zich niet verzet tegen het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen.
Ter zitting trekt de vrouw haar verzoeken ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in.
4. De nadere standpunten
Door en namens de man is, samengevat, het volgende aangevoerd. Anders dan het raadsrapport doet overkomen, is het tussen partijen in de afgelopen maanden rustig geweest. Het beeld over de man is te negatief ingestoken. Hij heeft overal aan meegewerkt. Zijn beeld wordt gekleurd door de angst van de vrouw, welke angst niet objectief is vast te stellen. Sinds september 2025 heeft de man geen contact meer gehad met [minderjarige] . Hij mist haar enorm. De vrees van de vrouw dat hij met [minderjarige] naar Syrië zal vertrekken is ongegrond. De man en zijn gezin zijn geworteld in Nederland. De man heeft dan ook geen reden om naar Syrië te gaan. Hij hoopt het contact met [minderjarige] zo snel mogelijk weer te kunnen hervatten. Hij staat ervoor open om concrete afspraken te maken voor belmomenten en ondersteunt begeleide omgang. De man heeft zelfs een voorsprong genomen op de ondertoezichtstelling en heeft gezorgd voor een beschikking van de gemeente voor hulpverlening van [hulpverlening 2] voor begeleide omgang. Hij ondersteunt de ondertoezichtstelling. Binnen deze maatregel is het belangrijk dat partijen werken aan hun communicatie en verstandhouding. De man acht het van belang om de beslissing ten aanzien van het gezag aan te houden. Er is tot nu toe in ieder geval geen reden om het verzoek van de vrouw toe te wijzen; de man werkt mee aan gezagsbeslissingen. De beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dient eveneens te worden aangehouden, nu binnen de ondertoezichtstelling duidelijk kan worden hoe de zorgregeling er uit kan gaan zien. Verder brengt de man naar voren dat hij zich kan vinden in het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw.
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij haar eigen veiligheid en die van [minderjarige] in twijfel trekt. De vrouw heeft tot drie keer toe aangifte tegen de man gedaan voor stalking, geweld en agressief gedrag. Daarnaast wijst de vrouw op de houding van de man jegens hulpverlening zoals ook in de stukken is genoemd, waardoor hulpverlening vanuit [jeugdhulp] is gestopt. De man is dreigend, bagatelliseert zijn agressie en maakt communicatie onmogelijk. De man komt bij de vrouw aan de deur, schreeuwt dan en betrekt de buren in de onrust. In de visie van de vrouw kan van gezamenlijk gezag geen sprake zijn. Partijen kunnen samen geen afspraken maken. De man denkt niet in het belang van [minderjarige] . Eerder heeft de man zijn toestemming geweigerd voor een vakantie en paspoort van [minderjarige] . Er is geen basis voor overleg tussen partijen. De vraag is ook in hoeverre dit nog van de vrouw kan worden verlangd. Het is voor haar belastend en beangstigend om met de man in gesprek te moeten gaan.
Evenals van gezamenlijk gezag kan ook van onbegeleide omgang tussen de man en [minderjarige] geen sprake zijn. Ook het afspreken van belmomenten is niet passend. Daarom gaat de vrouw niet mee in het voorstel van de rechtbank om ter zitting daarover afspraken te maken. De vrouw heeft hier negatieve ervaringen mee. Omdat de situatie meermaals is geëscaleerd en de vrouw contact tussen de man en [minderjarige] niet veilig acht, trekt zij haar verzoeken hieromtrent in. Omgang moet ten alle tijden worden begeleid. Wanneer er een ondertoezichtstelling komt, kan de GI in het kader van de regie de contacten tussen de man en [minderjarige] monitoren. Dit betekent dus dat de regie over de contacten bij de GI dient te worden belegd.
De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, op de zitting als volgt. In afwijking van wat hij eerder schriftelijk adviseerde ten aanzien van het gezag, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.7.5, is het advies nu om het verzoek van de man om eenhoofdig gezag af te wijzen. De Raad heeft grote zorgen over de houding van de man, ten opzichte van de vrouw en hulpverlening, maar ook ten aanzien van het maken van gezagsbeslissingen. Eenhoofdig gezag voor de man acht de Raad dan ook niet passend. In de praktijk blijkt het gezamenlijk gezag niet goed te werken. Een beslissing op het verzoek van de vrouw om haar met het eenhoofdig gezag te belasten dient echter te worden aangehouden, dit in afwachting van de ontwikkelingen in het kader van de ondertoezichtstelling. De adviezen ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals beschreven in het raadsrapport en waarnaar wordt verwezen, worden gehandhaafd.
Namens de GI is, samengevat, naar voren gebracht dat een ondertoezichtstelling wenselijk is en dat binnen deze maatregel ingezet zal worden op begeleide omgang. Ook MASIC zal worden toegepast om te kijken wat er onder meer tussen partijen speelt en daarnaast zal rekening worden gehouden met de culturele achtergrond van het gezin.
5. De nadere beoordeling
Gezag
De rechter kan ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n juncto artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of;
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Volgens vaste rechtspraak brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag bij één van de ouders moet worden gelaten. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
De rechtbank heeft zich ervan vergewist dat beide partijen verzoeken om het eenhoofdig gezag over [minderjarige] bij hen te bepalen. Tijdens de zitting is gebleken dat de Raad het schriftelijk gegeven advies uit het raadsrapport heeft gewijzigd; eenhoofdig gezag van de man wordt niet in het belang van [minderjarige] geacht. De rechtbank onderschrijft dit en neemt daarbij in aanmerking dat genoegzaam is gebleken dat er al lange tijd grote spanningen bestaan tussen partijen. Sinds de geboorte van [minderjarige] bestaat er onrust tussen partijen, zodanig dat betrokkenheid van politie op meerdere momenten nodig is geweest. Uit de overgelegde stukken volgt dat de man zorgelijk gedrag vertoont als stalken, bedreigen en tonen van agressief gedrag en de vrouw in ieder geval aangifte heeft gedaan tegen de man in verband met bedreigingen, waarbij de man ook de familie van de vrouw betrekt. Ondanks de ontkenning van de man heeft de rechtbank geen redenen om daaraan te twijfelen. Gebleken is dat de vrouw angstig is geworden voor de man. Zij is bang dat hij zijn bedreiging haar te zullen vermoorden in de toekomst waar zal gaan maken. Eerder ontving zij signalen dat de man [minderjarige] mee zou willen nemen naar Syrië.
Uit de overgelegde stukken volgt niet alleen dat de vrouw zich zorgen maakt om de houding van de man, ook hulpverlening uit hierover zorgen. Zo blijkt uit de eindevaluatie van [jeugdhulp] van 6 augustus 2025 dat de man tijdens gesprekken vaak weerwoord bood, hij zijn gesprekspartners corrigeerde of weigerde antwoord te geven op vragen. De man toonde zich richting hulpverlening dominant en dreigend wanneer hij het gevoel had dat er niet naar hem wordt geluisterd. Bovendien gebruikte de man soms taal die niet respectvol was ten aanzien van vrouwelijke hulpverleners. De UHA-rapportage van 26 augustus 2025 meldt daarnaast dat de man erg dominant, eisend en bedreigend overkomt, zowel richting de vrouw als richting hulpverlening en hij niet beschikbaar is, hij enkel handelt naar eigen behoefte en niet kijkt naar wat [minderjarige] nodig heeft. Hulpverlening maakt zich ernstige zorgen over hoe de man zijn ouderschap vormgeeft vanwege zijn autoritaire, dominante en eisende houding. De enkele ontkenning van de man van wat hem door de Raad en hulpverlening wordt verweten, geeft de rechtbank geen aanleiding om aan de inhoud van de overgelegde stukken te twijfelen. Meerdere hulpverleners maken zich zorgen over het gedrag van de man. De rechtbank kan hier niet omheen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om hem met het eenhoofdig gezag te belasten afwijzen.
De vraag die vervolgens voorligt is of het gezamenlijk gezag in stand moet blijven of dat het verzoek van de vrouw om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten moet worden toegewezen. De rechtbank beantwoordt die laatste vraag positief en oordeelt daartoe als volgt.
De in voorgaande rechtsoverwegingen vermelde incidenten tussen partijen en houding van de man maken dat er ernstige zorgen bestaan dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen haar ouders bij instandhouding van het gezamenlijk gezag. Zowel uit de overgelegde stukken als tijdens de zitting is gebleken dat partijen als ouders niet met elkaar communiceren en zij elkaar wantrouwen. Er bestaat daardoor geen basis om met elkaar afspraken te maken over de invulling van het gezamenlijke gezag. Eerder is bovendien gebleken dat partijen een kortgeding nodig hadden waarbij de voorzieningenrechter in deze rechtbank bij vonnis van 10 december 2024 de vrouw vervangende toestemming heeft verleend voor meerdere zaken. Ook nu, met de inschrijving van [minderjarige] op een kinderdagverblijf, is betrokkenheid van een derde, te weten de GGD, nodig geweest om de toestemming van de man te verkrijgen. Daarbij leidt de rechtbank uit de overgelegde stukken af dat enig inzicht van de man in zijn eigen aandeel in de problematiek ontbreekt, wat de rechtbank tijdens de zitting bevestigd ziet. Door alle schuld buiten zichzelf te leggen en zorgen te miskennen neemt de man hulpverlening en de vrouw niet serieus. Dit is geen voedingsbodem voor een verbetering van de verstoorde verhouding tussen partijen. De rechtbank verwacht een verbetering van de situatie, op korte termijn, daarom niet mogelijk.
Samen met de vrouw acht de kinderrechter het niet in het belang van [minderjarige] dat het gezamenlijk gezag van de man in stand blijft. Zij is niet gebaat bij de onrust die dit zal blijven opleveren. De vrees van de hulpverlening over de uitoefening van het ouderschap door de man in combinatie met zijn dominante, eisende en autoritaire houding onderstrepen dit. Daarbij komt ook, hoewel dit niet een overweging van eerste orde is, dat de vrouw bang is voor de man en eerder is gebleken dat zij danst naar de pijpen van de man om haar eigen veiligheid en de goede orde te bewaken.
De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat partijen, en met name de man, het tij binnen afzienbare termijn weten te keren. De rechtbank vraagt zich daarbij bovendien af of de man in staat is om zijn houding aan te passen en hij de belangen van [minderjarige] voorop weet te zetten. De rechtbank sluit zich dan ook aan bij de door de Raad en de hulpverlening geuite zorgen.
Dit leidt ertoe dat naar het oordeel van de rechtbank sprake een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, wat maakt dat het verzoek van de vrouw nu al zal worden toegewezen. Het advies van de Raad om de beslissing hierover aan te houden wordt dan ook niet gevolgd. De verwachting is immers niet dat binnen een periode van de ondertoezichtstelling van negen maanden de situatie zodanig is verbeterd dat de man, met de vrouw, op een adequate wijze invulling kan geven aan het gezamenlijk gezag.
Hoofdverblijfplaats
Ter zitting is gebleken dat de man zich niet meer verzet tegen de bepaling van de hoofdverblijfplaats bij de vrouw, wat betekent dat het verzoek van de vrouw over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voor toewijzing gereed ligt. Echter, nu de vrouw met het eenhoofdig gezag zal worden belast, mag zij bepalen waar [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats heeft, wat maakt dat zij geen belang meer heeft bij de behandeling van dit verzoek. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Gelet op de beslissing dat de vrouw alleen belast zal worden met het gezag over [minderjarige] , behoort het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen ook te worden afgewezen.
Omgangsregeling
Nu de vrouw met het eenhoofdig gezag zal worden belast wordt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet langer gesproken van een zorgregeling, maar van een omgangsregeling.
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
Omdat de vrouw ter zitting haar verzoeken ten aanzien van de omgang tussen de man en [minderjarige] heeft ingetrokken, is het belang bij een behandeling van die verzoeken te komen ontvallen. De verzoeken van de vrouw onder sub c. en d. zullen dan ook worden afgewezen.
In het kader van de omgangsregeling ligt nog ter beoordeling voor het verzoek van de man onder III., voor zover dat betrekking heeft over de vaststelling van omgang tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank oordeelt daarover als volgt.
De rechtbank betreurt het dat tijdens de zitting onder haar regie partijen niet is gelukt om met elkaar overeenstemming te bereiken over een herstart van de omgang tussen de man en [minderjarige] door het afspreken van belmomenten in de week.
Op dit moment is er feitelijk geen sprake van omgang tussen de man en [minderjarige] . Zij hebben elkaar sinds september 2025 niet meer gezien. Alleen al om die reden kan het verzoek van de man onder III. niet op die wijze worden toegewezen. Tussen partijen lijkt geen discussie te bestaan over begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] . Gebleken is dat de man zelf het initiatief heeft genomen om hulpverlening in te schakelen in het kader van begeleide omgang. De man zegt hiervoor ook open te staan. De vrouw ondersteunt dit en zegt vooralsnog alleen in te kunnen stemmen met begeleide omgang. Tot slot hebben de Raad en de GI de noodzaak van begeleide omgang onderstreept.
Gezien het voorgaande, en om te waarborgen dat de omgang tussen de man en [minderjarige] zal aansluiten bij haar ontwikkeling en (opvoed)behoefte, acht de rechtbank het van belang dat de invulling van de omgangsregeling binnen de ondertoezichtstelling plaatsvindt onder regie van de GI. De rechtbank merkt daarbij op dat qua duur van de omgang bij voorkeur als uitgangspunt dient te gelden de voorlopige omgangsregeling zoals in de beschikking van 8 april 2025 is bepaald, zoals in rechtsoverweging 2.3 is weergegeven. De rechtbank kan zich daarbij voorstellen dat in het kader van het beschikbaar zijn van begeleiding van de omgang wordt afgeweken van de zondag en een andere dag voor het hebben van omgang wordt bepaald. Het is aan de GI om dit verder vorm te geven.
De rechtbank merkt daarbij op zij aansluit bij het advies van de Raad: een herstel van contact is nodig en in het belang van [minderjarige] . Immers, dit komt de hechtingsrelatie van [minderjarige] met haar vader ten goede. Echter, de veiligheid is daarbij een overweging van eerste orde.
Wanneer partijen bij de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling een (definitieve) omgangsregeling overeen zijn gekomen en/of de GI een passende (definitieve) omgangsregeling heeft vastgesteld, kunnen zij bij de bevoegde rechtbank zo nodig een nieuw verzoek indienen om de definitieve omgangsregeling vast te leggen. De rechtbank ziet gelet daarop, in afwijking van de wens van de man en het advies van de Raad, geen reden om deze zaak op dat punt aan te houden. Met een aanhouding van deze zaak, blijft de procedure boven de markt hangen terwijl partijen behoefte hebben aan duidelijkheid.
De rechtbank overweegt daarbij, wellicht ten overvloede, dat op het moment dat de GI een omgangsregeling heeft gerealiseerd die passend en in het belang van [minderjarige] wordt geacht, zij bij de kinderrechter in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling altijd een verzoek kan doen om deze regeling vast te leggen (artikel 1:265g BW).
De rechtbank spreekt de hoop uit dat de spanningen en emoties van deze procedure, met deze beschikking verder worden afgewend. Dit komt het contact van beide partijen met [minderjarige] ten goede.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de in het dictum onder 6.1 en 6.2 genoemde beslissingen, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat die beslissingen alvast moeten worden gevolgd, ook als er daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
Betrokkenheid GI
Omdat [minderjarige] bij een andere beschikking van heden onder toezicht is gesteld van de GI en aan haar onder meer de opdracht wordt gegeven om regie te voeren over de omgangsregeling, zal ook aan haar een afschrift van deze beschikking worden toegezonden.
Proceskosten
Nu partijen met elkaar een affectieve relatie hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun beider kind, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.
Afsluiting
Een en ander betekent dat de rechtbank als volgt beslist.
6. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ;
bepaalt in het kader van de omgangsregeling dat de man en voormelde minderjarige, gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar waarbij de opbouw, de vorm, frequentie en duur van de omgangsmomenten door en onder regie van de GI worden bepaald, een en ander onder de condities zoals beschreven in rechtsoverweging 5.19;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bepaalt dat de griffie een afschrift van deze beschikking ook toestuurt aan de GI.
wijst het meer of anders door partijen verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.