RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443513 / JE RK 25-2323
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I.P.M.J. Nelemans te Tilburg.
1. Het verloop van de procedure
In het procesdossier zit het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 december 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Bij die zitting zijn verschenen en heeft de kinderrechter gehoord:
de vader, bijgestaan door mr. Nelemans en mevrouw [persoon] als tolk in de Engelse taal (met tolkennummer [nummer] );
mr. Klootwijk, namens de moeder;
een vertegenwoordigster namens de GI.
De moeder is niet in persoon bij de zitting aanwezig geweest.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. [minderjarige] is daarom uitgenodigd om op 23 februari 2026 haar mening te geven tijdens een gesprek met de kinderrechter, maar zij is niet verschenen.
2. De feiten
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] erkend.
[minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 26 februari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 26 februari 2025 tot 26 februari 2026.
3. Het verzoek en de onderbouwing daarvan
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft ter onderbouwing daarvan, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De start van de ondertoezichtstelling is anders gelopen dan de GI voor ogen had. De Gezinsmanager kon niet starten vanwege personeelstekorten en vanuit de GI is er een nieuwe jeugdbeschermer aangesteld. In september 2025 is Maatschappelijke Hulp Met Daadkracht (MHMD) gestart met het toewerken naar contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] . Sinds december 2025 hebben [minderjarige] en de vader wekelijks gedurende een uur fysiek contact met elkaar op een neutrale plek. Hoewel MHMD ziet dat [minderjarige] kleine stapjes maakt in het accepteren van het contact met haar vader, geeft zij ook wisselende signalen af over het verloop van de begeleide contactmomenten en zij benoemt dingen die tijdens de contactmomenten zouden zijn gebeurd die door de begeleiding niet worden herkend. Ook blijft zij zorgelijke dingen benoemen die in het verleden gebeurd zouden zijn tussen haar en de vader. Hoewel bepaalde uitingen van [minderjarige] mogelijk het gevolg zijn van het loyaliteitsconflict waarin zij verkeert, zal hier meer zicht op moeten worden verkregen. Dit maakt dat de GI op dit moment nog geen standpunt kan innemen over de definitieve vormgeving van de zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige] . Ook heeft de moeder nog stappen te zetten in het geven van voldoende emotionele toestemming aan [minderjarige] voor het (mogen) hebben van structureel contact met de vader.
In de komende periode zal MHMD betrokken blijven en de zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige] verder begeleiden. Nu de vader niet over een eigen woning beschikt en er eerst verder moet worden gewerkt aan het versterken van de onderlinge relatie tussen de vader en [minderjarige] en aan het vertrouwen van [minderjarige] in haar vader, vindt de GI, na overleg met MHMD, een uitbreiding van de zorg- en contactregeling tot een dag of een weekend nu niet passend. De GI vindt het nu het meest in het belang van [minderjarige] , daarbij rekeninghoudend met het tempo van [minderjarige] , om toe te werken naar een onbegeleide omgangsregeling. MHMD zal daarnaast het traject dat vanuit zorgaanbieder Asendo is ingezet en reeds is afgesloten (gericht op het versterken van de sociale vaardigheden van [minderjarige] ) verder begeleiden vanuit de thuissituatie. Ook zal er een psychodiagnostisch onderzoek worden verricht. MHMD vindt het nog te vroeg om in te zetten op het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders. Het doel daarbij is dat de ouders op een gegeven moment in staat zullen zijn om op een zakelijke manier met elkaar te communiceren over [minderjarige] en dat er dus sprake zal zijn van onderlinge informatie-uitwisseling (in de vorm van parallel ouderschap). Nu de hulpverlening nog niet is gestart en afgerond en de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald, vindt de GI een verlening van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk.
4. De standpunten
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder verzet zich niet tegen de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De zorgen zien volgens de moeder met name op het contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] . Na afloop van de contactmomenten komt [minderjarige] namelijk soms huilend terug bij de moeder. De contactmomenten verlopen dus niet altijd positief, hoewel dit mogelijk (deels) te maken heeft met het loyaliteitsconflict waarin zij verkeert. Daarnaast heeft de GI aangegeven dat er nog zaken besproken moeten worden over wat [minderjarige] aangeeft over wat er in het verleden zou zijn gebeurd tussen haar en de vader. Om die redenen kan de moeder vooralsnog niet instemmen met onbegeleide contacten tussen de vader en [minderjarige] . Gezien de zorgen die er nog zijn, vindt de moeder het lastig dat de GI blijft benoemen dat de moeder onvoldoende in staat is om voldoende emotionele toestemming te geven aan [minderjarige] voor het hebben van structureel contact met de vader. De moeder vindt het dan ook belangrijk dat de GI betrokken blijft en dat er meer zicht wordt verkregen op (de problematiek van) [minderjarige] en dat het verdere contact(herstel) tussen haar en de vader goed zal worden begeleid en gemonitord.
Namens en door de vader is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vader stelt dat de contacten tussen hem en [minderjarige] positief verlopen. De vader is daar erg blij mee. Hij wil dat het verdere contact(herstel) goed blijft gaan. De vader vreest, als de ondertoezichtstelling zou eindigen en de begeleiding vanuit MHMD zou stoppen, dat de vader afhankelijk zal worden van de wensen van de moeder met betrekking tot het verdere contact(herstel) en dat zij hem opnieuw valselijk zal beschuldigen. De vader vindt het daarom belangrijk dat de contactmomenten tussen hem en [minderjarige] onder begeleiding worden voortgezet en dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd. De vader betrekt hierbij dat het de ouders, na het afsluiten van de vorige ondertoezichtstelling van [minderjarige] , niet is gelukt om het contact(herstel) tussen hem en [minderjarige] op een goede manier uit te voeren en in onderling overleg verder vorm te geven.
5. De beoordeling
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
De kinderrechter verwijst naar de inhoud van de vorige beschikking van 26 februari 2025. Bij die beschikking is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, dus tot 27 februari 2026. De kinderrechter heeft daarbij overwogen dat in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] als doel wordt gesteld dat [minderjarige] onbelast contact met haar beide ouders heeft, binnen een veilige en ontspannen omgeving waarbij zij zichzelf kan zijn en dat zij niet wordt geconfronteerd met agressie, spanningen en conflicten tussen de ouders.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. In de afgelopen periode is er ingezet op contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] onder begeleiding van MHMD. Sinds december 2025 hebben [minderjarige] en de vader wekelijks gedurende een uur fysiek contact met elkaar op een neutrale plek. Hoewel gezien wordt dat [minderjarige] kleine stapjes maakt in het contact met haar vader, zijn er ook nog steeds zorgen. Zo geeft [minderjarige] wisselende signalen af over hoe de contactmomenten voor haar zijn verlopen, zij benoemt bepaalde dingen die tijdens de contactmomenten zouden zijn gebeurd die door de begeleiding niet worden herkend en zij blijft dingen benoemen die in het verleden tussen haar en de vader zouden zijn gebeurd. Daarnaast heeft de moeder aangegeven dat [minderjarige] na afloop van de contactmomenten soms huilend thuis komt. In de komende periode zal de zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en haar vader verder worden vormgegeven onder begeleiding van MHMD. Gelet hierop stelt de kinderrechter vast dat de zorgen die hebben geleid tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen en dat de doelen die in het kader van de maatregel zijn gesteld nog niet zijn behaald. Nu er nog niet is ingezet op het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders en op het vormgeven van een passende vorm van ouderschap tussen hen (waarbij gedacht wordt aan parallel ouderschap), vindt de kinderrechter het op dit moment onverantwoord om de hulpverlening op vrijwillige basis voort te zetten. De kinderrechter betrekt hierbij dat [minderjarige] eerder onder toezicht gesteld is geweest en dat het de ouders, na afloop van die maatregel, niet is gelukt om de positieve ontwikkelingen die destijds zijn bereikt, voort te zetten. Het gedwongen hulpverleningskader is dan ook nog steeds nodig.
Daarmee wordt, naar het oordeel van de kinderrechter, nog steeds voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De kinderrechter zal het verzoek, dat niet is weersproken, daarom toewijzen in die zin dat zij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen voor de (verzochte) duur van een jaar, dus tot 26 februari 2027.
De kinderrechter zal deze beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd door de GI, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld.
In de komende periode zullen de GI en MHMD onder andere werken aan het verder uitbreiden van de zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige] waarbij er zal worden toegewerkt naar onbegeleid contact, het vergroten en versterken van het vertrouwen van [minderjarige] in haar vader en de emotionele toestemming van de moeder, het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de ouders alsmede het vormgeven van een passende vorm van ouderschap, waarbij gedacht wordt aan parallel ouderschap. Van belang is dat de GI en MHMD daarbij aandacht zullen houden voor de zorgen die de beide ouders hebben geuit over de verdere uitbreiding van de zorg- en contactregeling (in duur dan wel van begeleid naar onbegeleid). Ook zal de GI inzetten op het verder samenbrengen en verbeteren van de onderlinge samenwerking tussen de betrokken hulpverleningsorganisaties.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 26 februari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.