RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443969 / JE RK 26-66
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 januari 2026;
de brief van 13 februari 2026 van de GI, met als bijlage een brief van [minderjarige] .
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Bij die zitting waren aanwezig en heeft de kinderrechter gehoord:
de moeder;
de vader;
de pleegouders;
twee vertegenwoordigsters namens de GI.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. Zij heeft daarom via de GI een brief gestuurd aan de kinderrechter met daarin haar mening. Zij heeft echter aangegeven dat zij niet wil dat haar brief tijdens de zitting wordt voorgelezen. De kinderrechter heeft de inhoud van de brief daarom niet gedeeld met de aanwezigen.
2. De feiten
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont sinds 2019 bij haar pleegouders.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 27 februari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 27 februari 2026.
3. De verzoeken van de GI en de onderbouwing daarvan
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar, dus tot 27 februari 2027, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft ter onderbouwing daarvan, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] verblijft sinds 2019 bij haar pleegouders. Daarvoor heeft zij gedurende een aantal jaren bij haar grootouders (vaderszijde) verbleven. [minderjarige] woont dus al langere tijd niet bij haar ouders. In de afgelopen periode is er veel onrust ontstaan tussen de ouders en de pleegouders over onder andere de wisselmomenten en over de verdeling van de vakanties, feestdagen, verjaardagen en familiebezoeken. Gezien wordt dat [minderjarige] het goed doet op school, maar ook dat zij nog steeds in een klempositie verkeert tussen haar ouders en pleegouders. [minderjarige] doet er alles aan om haar ouders en pleegouders niet teleur te stellen en conflicten tussen hen te voorkomen.
In de afgelopen periode is er een kindbehartiger aangesteld voor [minderjarige] vanuit De Gezinsmanager, maar deze is inmiddels gestopt omdat deze niet passend was. In de komende periode zal er een gezinsonderzoek worden verricht. De organisatie voor pleegzorgbegeleiding Sterk Huis is inmiddels vervangen door [hulpverlening] . De zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en haar beide ouders in de afgelopen jaren is, naar de mening van de GI, te mager geweest. De GI heeft daarom ingezet op een uitbreiding van die regeling. Dit is echter niet direct van de grond gekomen, omdat de pleegouders het daar niet mee eens waren. Inmiddels heeft de uitbreiding toch plaatsgevonden. Momenteel heeft [minderjarige] eenmaal per twee weken in het weekend van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur alsmede op dinsdag uit school tot 20.00 uur contact met haar ouders. In de komende periode zal worden bezien welke regeling het meest in het belang van [minderjarige] te achten is. De uitkomsten van het gezinsonderzoek zullen daarbij worden betrokken. Met het oog op de klempositie waarin [minderjarige] verkeert, zal er worden ingezet op het verbeteren van de communicatie en de samenwerking tussen de ouders en de pleegouders. De GI zal tot slot inzetten op het verduidelijken van het toekomstperspectief van [minderjarige] . Hoewel de GI mogelijkheden ziet om de hulpverlening op termijn op vrijwillige basis voort te zetten, is het daar op dit moment nog te vroeg voor.
4. De standpunten
De pleegouders hebben, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De pleegouders zien dat [minderjarige] na afloop van de contactmomenten met haar ouders verschillende signalen afgeeft tegen haar ouders en de pleegouders over (het verloop van) de contacten. Na afloop van de contactmomenten met haar ouders heeft [minderjarige] een aantal dagen nodig om te acclimatiseren. De pleegouders stellen daarnaast dat er in het verleden tegen hen is gezegd dat de zorg- en contactregeling tussen de ouders en [minderjarige] niet kan worden uitgebreid zo lang het gezinsonderzoek niet is gestart. Aangezien het gezinsonderzoek thans nog steeds niet is gestart en met het oog op voormelde signalen die [minderjarige] afgeeft, hebben de pleegouders zich verzet tegen de uitbreiding van de zorg- en contactregeling tussen de ouders en [minderjarige] . De pleegouders vinden een regeling waarbij [minderjarige] tijdens de zomervakantie gedurende drie weken bij haar ouders verblijft, zoals de GI heeft voorgesteld, daarom ook niet in het belang van [minderjarige] . Als de GI haar voornemen om de zomervakantie bij helfte te verdelen handhaaft, dan vinden de pleegouders een regeling waarbij [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij haar ouders verblijft en het aantal wisselmomenten dus wordt beperkt, het meest in haar belang.
De vader heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De ouders hebben jarenlang moeten strijden tegen de betrokken instanties voor een uitbreiding van de zorg- en contactregeling met [minderjarige] . De vader vindt het dan ook positief dat de regeling onlangs is uitgebreid. Het liefste zou de vader nog veel vaker contact met [minderjarige] hebben. Maar de vader ziet ook dat [minderjarige] na de wisselmomenten enige tijd moet wennen aan de verandering van regels en structuren.
De moeder heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De moeder vindt het moeilijk en confronterend dat de GI nu zegt dat er nog moet worden ingezet op het verduidelijken van het toekomstperspectief van [minderjarige] , omdat zij als ouders op advies van de betrokken instanties vanaf 2015 hebben moeten zeggen en uitdragen tegen [minderjarige] dat zij het goed vinden dat [minderjarige] bij haar pleegouders woont. Dit terwijl de ouders het zelf natuurlijk liever anders hadden gezien. Voor de ouders staat het perspectief van [minderjarige] dan ook vast.
5. De beoordeling
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De kinderrechter verwijst naar de inhoud van de vorige beschikking van 27 februari 2025. Hierbij is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en is er een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van een jaar. In deze beschikking zijn de volgende doelen geformuleerd waaraan de GI in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling dient te werken:
[minderjarige] weet waar zij tot aan haar volwassenheid opgroeit;
[minderjarige] heeft een onbelast contact met haar ouders, opa en pleegouders. Er is een regeling overeengekomen die recht doet aan de opvoedvraag van [minderjarige] ;
De ouders en de pleegouders maken afspraken over hoe zij constructief met elkaar communiceren en samenwerken;
[minderjarige] kan zich vrij uiten zonder dat ze het gevoel heeft de ander teleur te stellen of te moeten kiezen. De ouders en de pleegouders zijn onvoorwaardelijk in staat om [minderjarige] emotioneel toestemming te geven om van alle voor haar belangrijke personen te mogen houden;
[minderjarige] wordt begeleid door een kindbehartiger met als doel haar eigen identiteit te versterken. Daarbij is aandacht voor onverwerkte gebeurtenissen in haar leven en verwerking van trauma;
De noodzaak van traumatherapie dient onderzocht (diagnostiek) te worden en eventueel ingezet te worden.
Het uiteindelijke doel is om [minderjarige] bestaanszekerheid en duidelijkheid over haar toekomstperspectief te geven.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Gebleken is dat de zorg- en contactregeling tussen de ouders en [minderjarige] onlangs is uitgebreid. De regeling waar lange tijd uitvoering aan is gegeven, was naar de mening van de GI te mager. Momenteel hebben [minderjarige] en de ouders eenmaal per twee weken in het weekend van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur alsmede op dinsdag uit school tot 20.00 uur contact met elkaar. Hoewel de contacten tussen de ouders en [minderjarige] op zichzelf positief lijken te verlopen, wordt gezien dat [minderjarige] nog steeds in een klempositie verkeert tussen haar ouders en pleegouders. [minderjarige] heeft veel last van de bestaande spanningen tussen haar ouders en pleegouders en de onrust die ontstaat bij bijvoorbeeld de verdeling van de vakanties, feestdagen, verjaardagen en familiebezoeken. [minderjarige] wil het graag goed doen voor zowel haar ouders als haar pleegouders en zij wil niemand teleurstellen. In de komende periode zal er een gezinsonderzoek worden verricht en zal er een nieuwe pleegzorgbegeleidster starten vanuit [hulpverlening] . Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter vast dat de zorgen die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds aanwezig zijn. De hulpverlening is nog niet gestart en/of afgerond, met als gevolg dat de doelen die bij de start van de ondertoezichtstelling zijn geformuleerd, nog niet (volledig) zijn behaald. Daarmee wordt, naar het oordeel van de kinderrechter, voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter zal het verzoek, dat niet is weersproken, daarom toewijzen in die zin dat zij beide maatregelen zal verlengen voor de (verzochte) duur van een jaar, dus tot 27 februari 2027.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd door de GI, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld.
De kinderrechter benadrukt (nogmaals) het belang dat [minderjarige] zich vrijelijk, dus zonder dat zij druk ervaart of zich bezwaard voelt, contact kan hebben met de meest belangrijke volwassenen in haar leven: haar ouders én pleegouders. De druk die [minderjarige] ervaart om steeds maar iedereen tevreden te moeten houden en de ander niet teleur te stellen, moet dan ook worden weggenomen. De verantwoordelijkheid hiervoor hoort niet bij [minderjarige] te liggen, maar bij de ouders en de pleegouders. Dit onderstreept het belang van het gezinsonderzoek. De GI zal daarnaast inzetten op het verder vormgeven van de zorg- en contactregeling tussen de ouders en [minderjarige] . Hoewel het perspectief van [minderjarige] voor de ouders inmiddels vaststaat, geldt dit kennelijk niet voor alle betrokkenen. Het is dan ook van belang dat de GI daar op zal blijven inzetten. De kinderrechter benadrukt tot slot het belang van een goede samenwerking met [hulpverlening] als nieuwe pleegzorgorganisatie.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 27 februari 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 27 februari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.