RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444363 / JE RK 26-135
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026;
de schriftelijke reactie van de moeder, ontvangen op 26 januari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
de moeder, bijgestaan door een tolk;
de advocaat van de moeder via Teams;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2. De feiten
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden is de moeder belast met het ouderlijk gezag.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin (lees: voorziening voor pleegzorg) en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad verwijst voor de onderbouwing van de verzoeken naar het verzoekschrift. Tijdens de zitting verklaart de Raad nog aanvullend dat het ook voor [minderjarige 2] van belang is dat de ondertoezichtstelling over hem wordt uitgesproken. Binnen de ondertoezichtstelling moet gekeken worden of het verblijf van [minderjarige 2] in de weekenden bij zijn moeder voldoende veilig is, zeker gezien zijn kindeigen problematiek. [minderjarige 1] verblijft nog maar korte periode bij tante [de tante] van vaderszijde. Het is van belang dat de GI binnen de ondertoezichtstelling gaat onderzoeken op welke manier er contact kan zijn tussen [minderjarige 1] en haar ouders. Ook moeten er allerlei praktische zaken rondom haar geregeld worden en moet bekeken worden of de ouders en de pleegouders onderling tot een werkbare verstandhouding kunnen komen. De verzochte termijn van 6 maanden voor de machtiging tot uithuisplaatsing is minimaal nodig omdat er onderzocht moet worden waar het perspectief van [minderjarige 1] ligt. Ook voor het inzetten van een (eventueel) traject van Goed Genoeg Ouderschap is een termijn van 6 maanden nodig. Binnen de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan de op pagina 25 en pagina 26 van het rapport Raadsonderzoek genoemde doelen.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting aangevoerd dat zij het eens is met de verzoeken tot ondertoezichtstelling en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige 1] . De moeder ziet in dat de situatie bij haar thuis niet goed is geweest voor [minderjarige 1] . Inmiddels gaat het stukken beter met de moeder. Zij volgt hulpverlening via [hulpverlening 1] en ook de vrouw waar de Raad zich ernstige zorgen maakte is inmiddels uit de woning van de vrouw vertrokken. Zij hoopt dat [minderjarige 1] rond de zomer weer terug naar haar kan komen. Wel verzoekt de moeder om de ondertoezichtstelling toe te wijzen voor de duur van een half jaar en de beslissing op het restant van het verzoek aan te houden zodat de kinderrechter vinger aan de pols kan houden omtrent het verloop van de ondertoezichtstelling. Ook wil de moeder dat er een goede informatie- en zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] wordt vastgesteld. Tegen de verzoeken tot ondertoezichtstelling en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige 2] voert de moeder wel verweer. De zorgen rondom de ontwikkeling van [minderjarige 2] zijn niet dermate groot dat deze een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing rechtvaardigen. Ook de betrokken instanties verklaren dat het goed gaat met [minderjarige 2] . Met betrekking tot [minderjarige 2] wordt niet voldaan aan de vereisten van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder verzoekt deze verzoeken dan ook af te wijzen.
De vader voert geen verweer tegen de verzoeken van de Raad. Hij vindt dat [minderjarige 1] nu op de juiste plaats zit bij tante [de tante] . De vader vindt het jammer dat het zover heeft moeten komen omdat eerder [jeugdhulp] en [hulpverlening 2] al hebben geconstateerd dat er zorgen zijn in de thuissituatie bij de moeder.
De GI verklaart tijdens de zitting dat, als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, er direct een vaste jeugdbeschermer kan worden aangesteld.
5. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op de verzoeken het Nederlands recht van toepassing.
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Het lukt de moeder niet om structureel voldoende beschikbaar te zijn als opvoeder voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en overzicht in haar opvoeding ontbreekt. Er zijn grote zorgen over overbelasting en over de draagkracht van de moeder. De vader heeft een te beperkte draagkracht en compenseert en ondersteunt de moeder onvoldoende. Het lukt ouders niet om blijvend constructief te communiceren zonder dat daarbij conflicten ontstaan en/of de kinderen belast worden. [minderjarige 1] is jarenlang teveel belast met zaken die niet passend voor haar leeftijd zijn, zoals het zelf moeten regelen en bijhouden van afspraken met hulpverlening en het zelf regelen van eten. Ook zijn er grote zorgen over eventuele verwaarlozing van [minderjarige 1] door de moeder. Deze zorgen hebben zich doorgezet ook nadat [minderjarige 2] bij [accommodatie] is geplaatst. De kinderrechter vindt het zeer verontrustend dat de moeder kort voorafgaand aan de zitting nog heeft aangegeven dat [minderjarige 1] naar verwachting tot de zomer van 2027 niet thuis kan wonen onder meer omdat de moeder een drugs-en alcoholverslaafde vriendin met haar dochter in de woning opvangt. Ook al is die situatie inmiddels gewijzigd omdat de betreffende vriendin inmiddels weer zou zijn verhuisd, roept dit het beeld op dat de moeder ondoordachte keuzes maakt en de belangen van [minderjarige 1] ondergeschikt maakt aan die van anderen. Ook om de veiligheid van [minderjarige 2] bij de moeder maakt de kinderrechter zich zorgen. [minderjarige 2] heeft een autisme spectrum stoornis en een forse ontwikkelingsachterstand. Er is onvoldoende zicht op de thuissituatie in de weekenden dat hij [minderjarige 2] bij zijn moeder verblijft. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien langdurig op in een onveilige en instabiele opvoedomgeving, veroorzaakt door aanhoudende spanningen tussen de ouders en een onvoldoende veilige opvoedomgeving bij de moeder.
De GI moet zicht krijgen op de vraag of de moeder, mede gelet op de forse kindeigen problematiek van [minderjarige 2] , een opvoedsituatie kan bieden die veilig en verantwoord genoeg is voor [minderjarige 2] en wat nodig is om de ouders te bewegen tot het aangaan van een constructieve verstandhouding waarin zij in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen samenwerken. De kinderrechter vindt het van belang dat de GI het komende jaar zicht gaat krijgen op de thuissituatie bij de moeder en dat de GI gaat beoordelen welke hulpverlening noodzakelijk is om in te zetten. Daarbij dient de GI ook het hulpverleningstraject van de moeder bij de [hulpverlening 1] te monitoren en zicht krijgen op (eventueel) middelengebruik van de moeder.
De kinderrechter vindt het, net als de Raad, voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van belang dat zij opgroeien in een fysiek en emotioneel veilige opvoedomgeving. Daarvoor dient binnen de ondertoezichtstelling gewerkt te worden aan de volgende doelen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een duidelijke, gestructureerde, stabiele en voor hen voorspelbare omgeving die tegemoetkomt aan hun opvoedbehoeftes;
- [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] zijn geen getuige meer van eventuele spanningen/conflicten tussen ouders;
- Beide ouders zetten zich blijvend in om aan de slag te gaan met hun eigen problematiek, zodat zij (emotioneel) weer meer beschikbaar zijn;
- Ouders kunnen beide aansluiten bij de behoeften van de kinderen, zodat zij worden gestimuleerd in hun ontwikkeling en zich gehoord en gezien voelen;
- Ouders zijn in staat om afspraken te maken in het belang van de kinderen en blijven zoeken naar manieren om de samenwerking te bevorderen en eventuele conflicten te voorkomen;
- Ouders werken mee aan (reeds) ingezette hulpverlening en onderhouden contact volgens de gemaakte afspraken;
- [minderjarige 2] blijft bij [accommodatie] wonen;
- Er wordt onderzocht welke vorm van omgang tussen [minderjarige 2] en ouders veilig en het meest passend is voor hem.
Met betrekking tot specifiek [minderjarige 1] moet er binnen de ondertoezichtstelling ook nog gewerkt worden aan de volgende doelen:
- Er wordt duidelijk of en binnen welke termijn [minderjarige 1] terug naar moeder (of vader) kan;
- [minderjarige 1] heeft voorspelbaar contact met beide ouders en weet wat zij van hen (als opvoeder) kan verwachten;
- Ouders onderhouden constructief contact met tante [de tante] /de (aspirant) pleegouders en houden zich aan de gemaakte afspraken.
De kinderrechter geeft de GI mee te overwegen een traject van Goed Genoeg Ouderschap in te zetten om zicht te krijgen op de opvoedsituatie bij de moeder.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders tot op heden niet gelukt is om medewerking te verlenen aan de hulpverlening in het vrijwillig kader om aan de hiervoor genoemde zorgen te werken.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter vindt, gelet op de zorgen en de doelen waaraan gewerkt moet worden, een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar noodzakelijk.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [minderjarige 2] verblijft sinds april 2025 bij [accommodatie] . Beide ouders stemmen in met zijn verblijf bij [accommodatie] maar omdat [minderjarige 2] ook onder toezicht zal worden gesteld moet op grond van artikel 1:265a BW plaatsing van [minderjarige 2] gedurende dag en nacht buiten het gezin middels een machtiging tot uithuisplaatsing geformaliseerd worden. Gebleken is dat [minderjarige 1] al enkele weken bij tante [de tante] vaderszijde verblijft. De kinderrechter vindt het nodig dat zij daar de komende 6 maanden blijft wonen. Binnen deze maanden moet de GI zicht krijgen op de opvoedsituatie bij de moeder en beoordelen of en zo ja wanneer [minderjarige 1] weer terug bij de moeder kan wonen en wat daarvoor nodig is. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er contact plaatsvindt tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de ouders. De GI moet op korte termijn in kaart brengen welke vorm van contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de ouders mogelijk en passend is.
De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad toewijzen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlenen voor de duur van 6 maanden.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 24 februari 2026 tot 24 februari 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg en van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 februari 2026 tot 24 augustus 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.