Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-329311-24 en 02-330993-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 maart 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende op het [woonadres] ,
raadsman mr. R. El Bellaj, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. E. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
parketnummer 02-329311-24
op 14 oktober 2024 in Tilburg [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel hiertoe een poging heeft gedaan, dan wel die [slachtoffer 1] heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg;
parketnummer 02-330993-25
op 9 november 2025 in Tilburg in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , dan wel samen met een ander die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld.
3. De voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
parketnummer 02-329311-24
De verdediging bepleit vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit, omdat uit het dossier niet blijkt dat het handelen van verdachte daadwerkelijk heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel. De verdediging bepleit ook vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde feit. Er kan niet vastgesteld worden dat verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde feit voert de verdediging geen bewijsverweer.
parketnummer 02-330993-25
De verdediging voert geen bewijsverweer.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
parketnummer 02-329311-24
Feiten en omstandigheden
In de avond van 14 oktober 2024 is [naam] , de voormalig vriendin van verdachte, samen met een aantal anderen aanwezig bij de zogenoemde ‘jongerencontainer’ op [straat 1] in Tilburg. Omstreeks 22.00 uur komt er op [straat 1] een auto aanrijden. Op dat moment staat [naam] achter de jongerencontainer te praten met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 2007. Verdachte stapt als bijrijder uit de auto, loopt in een rechte lijn op [naam] en [slachtoffer 1] af en geeft [slachtoffer 1] – die hij niet kent – direct een klap met zijn rechtervuist in het gezicht. [slachtoffer 1] valt hierdoor op de grond. Terwijl [slachtoffer 1] op de grond ligt, geeft verdachte hem nog een schop.
[slachtoffer 1] loopt hierdoor een lichte hersenschudding, kneuzingen in het gezicht, een snee bij zijn linkerjukbeen en een snee boven zijn linkeroog op. Deze sneeën zijn gehecht en [slachtoffer 1] heeft daar twee blijvende littekens aan overgehouden.
Verklaring verdachte
Verdachte bekent [slachtoffer 1] een klap in het gezicht te hebben gegeven. Ook bekent verdachte een schop te hebben gegeven toen [slachtoffer 1] op de grond lag. Volgens verdachte heeft hij [slachtoffer 1] echter niet tegen het hoofd, maar tegen de rug of schouder geschopt en ging het niet om een harde schop.
Zware mishandeling
De rechtbank gaat er op basis van de bewijsmiddelen van uit dat verdachte met kracht tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geschopt terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. In zijn aangifte verklaart [slachtoffer 1] dat hij voelde dat hij tegen zijn hoofd werd getrapt toen hij op de grond lag. Ook verschillende getuigen hebben dit waargenomen. Eén getuige verklaart zelfs dat hij zag dat verdachte met zijn rechterbeen een ‘penalty kick’ tegen het hoofd van [slachtoffer 1] gaf en dat hij daarbij de klap hoorde van de voet tegen het gezicht van [slachtoffer 1] . Het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel past ook bij deze waargenomen schop.
Door [slachtoffer 1] met kracht en gericht een klap met de vuist in het gezicht te geven en vervolgens, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, met kracht een schop tegen het hoofd te geven, heeft verdachte – ongeacht het type schoeisel waarmee hij de schop gaf – in ieder geval de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Door deze geweldshandelingen heeft [slachtoffer 1] twee zichtbare littekens in het gelaat, namelijk bij het linkerjukbeen en boven het linkeroog. Dergelijke ontsierende littekens in het gelaat dienen te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel (ECLI:NL:HR:2018:1085).
Dit betekent dat verdachte aan [slachtoffer 1] opzettelijk, in voorwaardelijke zin, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit daarom wettig en overtuigend bewezen.
parketnummer 02-330993-25
Verdachte heeft over het primair ten laste gelegde feit een bekennende verklaring afgelegd. Voor de bewezenverklaring wordt daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen in bijlage II.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
parketnummer 02-329311-24
op 14 oktober 2024 te Tilburg aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere ontsierende littekens in het gelaat, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] eenmaal
- met kracht te stompen in het gezicht,
waardoor die [slachtoffer 1] op de grond terecht kwam en
- met kracht terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag te schoppen tegen het hoofd;
parketnummer 02-330993-25
op 9 november 2025, te Tilburg, op de openbare weg, [straat 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , welk in
vereniging gepleegde geweld bestond uit het
- meermalen met kracht te stompen tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en
- meermalen met kracht te schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en
- meermalen met kracht te duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Hierop moet de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, te weten drie dagen, in mindering worden gebracht, zodat hij niet meer terug hoeft naar de gevangenis. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een taakstraf van 240 uren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging kan zich vinden in de gevorderde gevangenisstraf, maar verzoekt om de proeftijd vast te stellen op één jaar, conform het advies van de reclassering. De verdediging verzoekt om daarnaast een taakstraf op te leggen van maximaal 160 uren.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in oktober 2024 schuldig gemaakt aan zware mishandeling, door de op dat moment zeventienjarige [slachtoffer 1] – een persoon die hij niet kende – uit het niets een klap met zijn vuist in het gezicht te geven en tegen het hoofd te schoppen. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . De impact daarvan is voor [slachtoffer 1] groot, nu hij hieraan onder meer twee blijvende en ontsierende littekens in het gelaat heeft overgehouden. Zijn leven lang zal [slachtoffer 1] dan ook herinnerd worden aan dit geweldsincident. Dit geweldsincident is bovendien waargenomen door verschillende omstanders, waarmee het voorstelbaar is dat dit heeft geleid tot gevoelens van onveiligheid bij deze omstanders. Vervolgens heeft verdachte zich in november 2025, nota bene tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in oktober 2024, vanwege een pietluttige aanleiding schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging door samen met een vriend klappen, schoppen en duwen uit te delen aan twee jongemannen die hij niet kende. Ook dit geweldsincident is waargenomen door verschillende omstanders, aangezien dit plaatsvond op een stapavond in het centrum van Tilburg.
Ten tijde van deze geweldsincidenten heeft verdachte kennelijk niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen of deze gevolgen op de koop toegenomen. Op de zitting is gebleken dat verdachte inmiddels wel het kwalijke van zijn handelen inziet, daar verantwoordelijkheid voor neemt en naar eigen zeggen gestopt is met blowen en drinken van alcohol om te voorkomen dat hij in toekomst weer in de fout gaat.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 30 januari 2026, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld (2024) voor onder meer mishandeling. Er is dus sprake van recidive.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 27 februari 2026. Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico bij verdachte inschat als gemiddeld. Er bestaan zorgen over zijn justitiële verleden in combinatie met zijn jonge leeftijd. Zijn psychosociaal functioneren en alcoholgebruik worden door de reclassering als risico verhogende factoren gezien. Hij is gediagnosticeerd met ADHD en kan impulsief – met agressie – reageren in emotionele situaties. Sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in oktober 2024 heeft verdachte volgens de reclassering een positieve gedragsverandering laten zien. Hij werkt inmiddels fulltime als schilder, laat inzicht zien in zijn eigen gedrag en is zich bewust van het risico dat zijn alcoholgebruik met zich meebrengt. Hij heeft meegewerkt aan de meldplicht en de CoVa-training afgerond. Beschermende factoren ziet de reclassering ook in de band die hij met zijn moeder heeft en in zijn positieve levensdoelen. De reclassering ziet echter nog wel mogelijkheden en noodzaak om het toezicht voort te zetten, onder meer omdat verdachte tijdens de schorsingsperiode opnieuw – onder invloed van alcohol – in aanraking is gekomen met justitie. Bovendien acht zij het raadzaam om de door de verdachte verkregen inzichten vanuit de CoVa-training te bestendigen, door deze inzichten met hem in een langer lopend reclasseringstoezicht te blijven bespreken. Bij een veroordeling adviseert de reclassering daarom de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, deelname aan de gedragsinterventie agressiebeheersing en meewerken aan beheersing van middelengebruik. De reclassering schat in dat reclasseringstoezicht voor de duur van één jaar volstaat.
Ter zitting is gebleken dat verdachte bereid is om zich aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden. Over zijn persoonlijke omstandigheden heeft hij nog toegelicht dat hij inmiddels werkt als zelfstandig schilder voor een aantal vaste opdrachtgevers, dat hij sinds ongeveer acht maanden weer een liefdesrelatie met [naam] heeft en dat dit goed verloopt en dat hij helemaal geen alcohol meer drinkt en ook niet meer blowt.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de feiten ziet de rechtbank aanleiding om een gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een taakstraf. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting en naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van verdachte en de positieve weg die hij inmiddels lijkt te zijn ingeslagen, met hulp en begeleiding vanuit de reclassering. Hij is dus al gestart met het op orde brengen van verschillende leefgebieden.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze positieve weg onwenselijk doorkruist zou worden als verdachte terug naar de gevangenis moet. De rechtbank legt verdachte daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op die de duur van zijn voorarrest, te weten drie dagen, overstijgt. Wel acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan gevorderd door de officier van justitie noodzakelijk. Niet alleen vanwege de aard en ernst van de feiten, maar ook omdat verdachte zich slechts een aantal maanden geleden, op 9 november 2025, tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, nog schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging. Een flinke stok achter de deur lijkt dus nodig te zijn om verdachte te behoeden voor nieuwe misstappen. De boodschap die de rechtbank daarmee aan verdachte afgeeft, is dat hij echt niet meer in de fout mag aan.
Vanwege het feit dat de openlijke geweldpleging dateert van slechts een aantal maanden geleden, acht de rechtbank reclasseringstoezicht noodzakelijk voor een langere termijn dan de reclassering adviseert.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een taakstraf voor de duur van 240 uren. Dit in combinatie met een gevangenisstraf van 103 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
7. De vordering van de benadeelde partij
parketnummer 02-329311-24
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van in totaal € 5.500,- voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit schadebedrag is volgens de verdediging opgebouwd uit de volgende schadeposten: € 3.500,- voor littekens in het gelaat, € 1.200,- voor een hersenschudding en € 800,- voor een blauw oog.
De verdediging betwist de hoogte van de vordering.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde partij gevorderde vergoeding van immateriële schade van € 3.500,- vanwege de littekens in het gelaat acht de rechtbank billijk en dus geheel toewijsbaar. Het gaat immers om twee blijvende en ontsierende littekens in het gelaat van de benadeelde partij, namelijk bij het linkerjukbeen en boven het linkeroog. De benadeelde partij die ten tijde van het geweldsincident slechts zeventien jaar was, kan deze littekens niet bedekken en zal dan ook zijn hele verdere leven met deze littekens en daarmee ook met het geweldsincident worden geconfronteerd. Een vergoeding van € 3.500,- ligt in lijn met bedragen die hiervoor in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en valt binnen de bandbreedte die voor dergelijk letsel in de zogeheten Rotterdamse Schaal is opgenomen.
Voor de bij de benadeelde partij door het geweldsincident veroorzaakte lichte hersenschudding en een blauw oog acht de rechtbank een vergoeding van immateriële schade van in totaal € 1.000,- billijk en toewijsbaar. Dit gelet op de gedeeltelijke samenhang tussen beide vormen van letsel qua oorzaak, ongemak en herstelperiode, op bedragen die hiervoor in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de Rotterdamse Schaal.
In totaal wijst de rechtbank dus een schadebedrag toe van € 4.500,-. Deze immateriële schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank wijst de vordering van immateriële schade voor het overige af.
De rechtbank vermeerdert het totaal toe te wijzen schadebedrag met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024, de datum waarop het bewezenverklaarde feit plaatsvond, tot aan de dag der voldoening.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-329311-24
zware mishandeling;
parketnummer 02-330993-25
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 103 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* meldplicht bij reclassering
dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
* gedragsinterventie agressiebeheersing
dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie Alcohol & Geweld/i-Respect van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
* beheersing middelengebruik
dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit
urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk
controlemiddel wordt gecontroleerd;
- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
Benadeelde partij
parketnummer 02-329311-24
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 4.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] , € 4.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 45 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 27 maart 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
parketnummer 02-329311-24
hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Tilburg, althans in Nederland,
aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere, althans
een ontsierend(e) litteken(s) in het gelaat, althans in het gezicht, althans in het
lichaam, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal,
- ( met kracht) te stompen en/of te slaan in het gezicht en/of tegen het hoofd,
waardoor die [slachtoffer 1] op de grond terecht kwam en/of
- met kracht (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) te schoppen/trappen tegen het
hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] ;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Tilburg, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal,
- ( met kracht) heeft gestompt en/of geslagen in het gezicht en/of tegen het hoofd,
waardoor die [slachtoffer 1] op de grond terecht is gekomen en/of
- met kracht (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) heeft geschopt/getrapt tegen het
hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Tilburg, althans in Nederland,
[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal
- ( met kracht) te stompen en/of te slaan in het gezicht en/of tegen het hoofd,
waardoor die [slachtoffer 1] op de grond terecht kwam en/of
- met kracht (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) te schoppen/trappen tegen het
hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een ontsierend(e) litteken(s) in het
gelaat, althans in het gezicht, althans in het lichaam, ten gevolge heeft gehad;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )
parketnummer 02-330993-25
hij op of omstreeks 9 november 2025, te Tilburg, op of aan de openbare weg, [straat 2]
, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
een of meer personen, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , welk in
vereniging gepleegde geweld bestond uit het
- meermalen, althans eenmaal, met kracht te slaan/stompen tegen het
gezicht/hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of
- meermalen, althans eenmaal, met kracht te trappen/schoppen tegen het
gezicht/hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of
- meermalen, althans eenmaal, met kracht te duwen te duwen tegen het lichaam
van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ;
( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 november 2025, te Tilburg, tezamen en in vereniging met een
of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld
door
- meermalen, althans eenmaal, met kracht te slaan/stompen tegen het
gezicht/hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of
- meermalen, althans eenmaal, met kracht te trappen/schoppen tegen het
gezicht/hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of
- meermalen, althans eenmaal, met kracht te duwen te duwen tegen het lichaam
van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )