RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11310289 \ CV EXPL 24-4704
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
DE VERENIGING MET VOLLEDIGE RECHTSBEVOEGDHEID LAURENTIUS,
te Breda,
eisende partij,
hierna te noemen: Laurentius,
gemachtigde: LAVG Groningen,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 november 2024 en de daarin genoemde stukken
- de akte overlegging producties tevens vermindering van eis van Laurentius
- de akte van [gedaagde partij]- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek
- de brief van Laurentius waarbij zij afziet van het nemen van een akte uitlaten producties.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde partij] heeft met ingang van 4 mei 2020 een woning gehuurd van Laurentius. De huurovereenkomst is op 17 december 2021 geëindigd. Op verzoek van [gedaagde partij] is de ontruimingstermijn verlengd tot en met 7 januari 2022.
[gedaagde partij] heeft een achterstand in het betalen van huur en gebruiksvergoeding na het einde van de huur laten ontstaan van € 3.477,41.
Laurentius heeft geprobeerd om een vooropname van de woning in te plannen, maar dit is niet gelukt. Bij brief van 3 december 2021 is [gedaagde partij] verzocht om hierover contact op te nemen met Laurentius. Er is geen vooropname geweest.
Op 23 december 2021 heeft er een eindopname van de woning plaatsgevonden. Hiervan is een eindopnamerapport opgemaakt, waarin is vermeld welke werkzaamheden verricht moeten worden en welke kosten Laurentius hiervoor in rekening brengt.
Bij brief van 23 december 2021 is [gedaagde partij] in de gelegenheid gesteld om de woning uiterlijk 7 januari 2022 schoon, leeg en in correcte staat op te leveren.
Op 8 februari 2022 heeft Laurentius aan [gedaagde partij] een factuur gestuurd voor de herstelkosten in verband met de woning. Laurentius heeft [gedaagde partij] op 9 mei 2023 aangemaand om de huurachterstand, gebruiksvergoeding en herstelkosten te betalen.
Op 14 november 2023 heeft Laurentius aan [gedaagde partij] een aangepaste factuur gestuurd voor de herstelkosten van € 5.280,38.
[gedaagde partij] heeft de huurachterstand, gebruiksvergoeding en herstelkosten niet betaald.
3. Het geschil
Laurentius vordert, na vermindering van eis, - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 7.988,54, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Laurentius, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Laurentius, met veroordeling van Laurentius in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[gedaagde partij] moet de huurachterstand betalen
[gedaagde partij] heeft geen huur of gebruiksvergoeding betaald over de periode van 1 augustus 2021 tot en met 7 januari 2022. Dit komt uit op een bedrag van € 3.477,41. [gedaagde partij] heeft niet weersproken dat zij dit bedrag moet betalen. De kantonrechter zal aan huurachterstand en gebruiksvergoeding daarom een bedrag van € 3.477,41 toewijzen.
[gedaagde partij] moet € 2.853,98 aan herstelkosten betalen
Laurentius stelt dat [gedaagde partij] de woning niet op een juiste wijze heeft opgeleverd. Zij vindt dat [gedaagde partij] de kosten moet betalen die Laurentius heeft gemaakt om de woning in een goede staat te brengen. [gedaagde partij] is het daar niet mee eens. Zij stelt dat de woning bij aanvang van de huur in een slechte staat was en dat zij de woning heeft achtergelaten zoals besproken met Laurentius, behalve waar het gaat om de vloer. De door haar aangebrachte voorzieningen heeft zij niet verwijderd, maar deze zijn in gebruik bij de nieuwe huurders.
Als bij aanvang van de huur geen beschrijving van de woning is opgemaakt, wordt de huurder, behoudens tegenbewijs, verondersteld de woning in de staat te hebben ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst. Laurentius heeft niet gesteld dat er bij aanvang van de huur een omschrijving van de woning is opgemaakt. Deze beschrijving is ook niet overgelegd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat er bij aanvang van de huur geen beschrijving van de woning is opgemaakt. Dit betekent dat Laurentius de bewijslast draagt dat de staat van het gehuurde bij het einde van de huur anders was dan bij de aanvang van de huur. [gedaagde partij] betwist dat zij de woning in een slechtere staat heeft achtergelaten dan de woning was bij aanvang van de huur.
De kantonrechter zal hierna de verschillende posten bespreken waarvan Laurentius betaling heeft gevorderd. Dit zal zij doen aan de hand van het hierboven beschreven toetsingskader.
Voor de posten afvalcontainer, glijstangcombinatie en enkel wandcontactdoos geldt dat Laurentius onvoldoende heeft gesteld in welk opzicht de staat anders was bij het einde van de huur dan bij de aanvang van de huur. Dit volgt ook niet uit de overgelegde foto’s. De kantonrechter zal deze posten daarom afwijzen.
Over de posten vloerzeil, vloerbedekking, laminaat, toeslag ondervloer en overkapping stelt Laurentius dat het gaat om zaken die [gedaagde partij] heeft overgenomen van de vorige huurder en niet heeft v0erwijderd. Laurentius heeft dit onderbouwd met een overnameformulier, waarop is vermeld dat [gedaagde partij] onder meer vloerbedekking, tapijt en een afdak van de vorige huurder heeft overgenomen. [gedaagde partij] heeft erkend dat de vloer en de trapbekleding zijn achtergebleven. Voor de overige zaken heeft zij onvoldoende betwist dat zij deze zaken heeft overgenomen van de vorige huurder en dat zij deze niet heeft verwijderd. Zij moet daarom de kosten voor het verwijderen van de zaken betalen. De kosten die Laurentius hiervoor rekent, heeft [gedaagde partij] niet betwist. De kantonrechter zal de voor deze posten gerekende kosten daarom toewijzen. Dit komt op een bedrag van € 2.284,89.
Laurentius heeft met de bij het eindopnamerapport gevoegde foto’s onderbouwd dat er spullen en afval in de woning en de schuur zijn achtergebleven. In het licht van deze onderbouwing heeft [gedaagde partij] dit onvoldoende gemotiveerd betwist. De vraag is of deze spullen en het afval bij aanvang van de huur al aanwezig waren en de woning dus in dezelfde of in een andere staat is achtergelaten. Uit het overnameformulier volgt dat [gedaagde partij] spullen van de vorige huurder had overgenomen. Het ligt niet voor de hand dat er voor het overige bij aanvang van de huur al spullen of afval in de woning en de schuur aanwezig was. De kantonrechter neemt daarom aan dat de woning waar het gaat om de achtergebleven spullen en afval door [gedaagde partij] in een andere staat is achtergelaten dan de staat bij aanvang van de huur. [gedaagde partij] moet de kosten voor het verwijderen van de spullen en afval betalen. De hoogte van de door Laurentius gerekende kosten heeft [gedaagde partij] niet betwist. De kantonrechter zal de post huisraad, inventaris, afval en puin verwijderen van € 569,09 daarom toewijzen.
Voor de posten keuken, 2 binnendeuren en wand- en binnenwand gaten aansmeren geldt dat Laurentius niet (onderbouwd) heeft gesteld dat de staat bij einde van de huur anders was dan bij aanvang van de huur. De kantonrechter zal deze posten daarom afwijzen.
Gelet op het voorgaande moet [gedaagde partij] aan herstelkosten een bedrag van € 2.853,98 aan Laurentius betalen.
[gedaagde partij] moet de wettelijke rente aan Laurentius betalen
[gedaagde partij] betwist niet dat zij de wettelijke rente over de hierboven genoemde bedragen moet betalen. De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals vermeld bij de beslissing.
[gedaagde partij] moet een bedrag van € 836,80 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
Laurentius vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Laurentius heeft aan [gedaagde partij] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 836,80 worden toegewezen.
[gedaagde partij] moet de proceskosten aan Laurentius betalen
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Laurentius worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,39
- griffierecht
€
524,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.474,39
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Laurentius te betalen een bedrag van € 6.331,39, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende factuur, telkens tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Laurentius te betalen een bedrag van € 836,80 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.474,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.