Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-330318-25 en 02-331677-24 (gev. ttz)
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsman mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging (met waarnemend raadsman mr. G. Woodrow) hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
Parketnummer 02-330318-25 Feit 1: een diefstal met geweld heeft gepleegd bij [supermarkt] ;Feit 2: een diefstal met geweld heeft gepleegd bij drogisterij Kruidvat;
Parketnummer 02-331677-24 heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel dat hij hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel dat hij heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes te steken.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem tenlastegelegde feiten heeft begaan. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen op in.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs en zij bepleit integrale vrijspraak. Voor de feiten 1 en 2 onder parketnummer 02-330318-25 heeft de verdediging aangevoerd dat de herkenningen van de verbalisanten niet kunnen worden meegenomen voor het bewijs. Ter zake van het feit onder parketnummer 02-331677-24 is aangevoerd dat de aangifte het enige bewijs is waaruit de betrokkenheid van verdachte naar voren komt. Verder (objectief) ondersteunend bewijs bevindt zich niet in het dossier.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Parketnummer 02-330318-25
Feit 1
Op 30 november 2025 werd door [aangever 1] aangifte gedaan van een overval op een [supermarkt] gelegen aan [adres 1] in Tilburg. Een man stond bij de kassa met twee flesjes bier. Op het enig moment pakte de man een mes en richtte deze naar [aangever 1] die als kassière werkzaam was en pakte vervolgens een bedrag van in totaal € 600, uit de kassa. Hierna rende de man weg en tijdens de achtervolging zwaaide hij met het mes richting de kassière. Op de camerabeelden van de overval werd verdachte door twee verbalisanten herkend. Deze herkenningen worden door de verdediging betwist en verdachte ontkent enige betrokkenheid bij deze overval.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte degene is geweest die de overval op de supermarkt heeft gepleegd. Verdachte is op de camerabeelden herkend door twee verbalisanten. [verbalisant 1] heeft de bewegende beelden bekeken en herkende de persoon op de beelden direct als verdachte. Hij herkende hem aan zijn huidskleur, de contouren van zijn gezicht, zijn neus en de stand van de ogen. [verbalisant 1] heeft verdachte meermaals aangehouden en als verdachte gehoord waardoor hij hem direct herkende. Het viel hem op dat de haardracht op de camerabeelden anders was dan dat hij normaal bij verdachte zag waarop hij in het politiesysteem een recente SKDB-foto heeft geraadpleegd. Op deze foto zag hij hetzelfde mat haar als bij verdachte op de camerabeelden. Hierdoor wist hij voor 100% zeker dat het om verdachte ging.
[verbalisant 2] herkende verdachte direct na het kijken van de bewegende beelden van de overval op de supermarkt. Hij heeft verdachte al een aantal keer aangehouden. Hij herkende verdachte op de beelden aan zijn donker gekleurde haarkleur, zijn gezichtsbeharing en aan de contour van zijn gezicht. Hierop volgend opende hij op zijn diensttelefoon een foto welke hij persoonlijk van verdachte had genomen in een andere zaak en hij wist hierdoor zeker dat het verdachte was.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de verbalisanten voldoende specifieke en identificerende elementen bevatten op basis waarvan zij verdachte herkend hebben op de beelden. De rechtbank heeft verder geen reden om aan de betrouwbaarheid van hun herkenningen te twijfelen. Aan de betrouwbaarheid van de herkenningen draagt naar het oordeel van de rechtbank bij dat het gaat om verbalisanten die verdachte eerder hebben aangehouden. Daarbij komt dat zij beiden nog een foto van verdachte hebben geraadpleegd waarna zij werden bevestigd in hun vaststelling dat verdachte degene was die op de beelden werd gezien. De rechtbank komt op basis van het bovenstaande tot de conclusie dat verdachte degene is geweest die de overval op de supermarkt gepleegd.
De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem tenlastegelegde feit heeft begaan.
Feit 2
Door [aangever 2] is aangifte gedaan van een overval op het Kruidvat gelegen aan [adres 2] in Tilburg op 30 november 2025. Er zijn camerabeelden beschikbaar van de overval. Verdachte is op de bewegende beelden door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] herkend als degene die de overval zou hebben gepleegd. De herkenning van verdachte door deze twee verbalisanten wordt betwist door de verdediging. De verdachte ontkent enige betrokkenheid.
De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt te meer indien herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het tenlastegelegde feit kunnen aantonen, zoals in deze zaak het geval is.
De rechtbank heeft de beelden goed bekeken en daarbij valt het volgende op. Door [verbalisant 3] wordt omschreven dat zij verdachte herkent aan onder andere zijn haarkleur en de manier hoe zijn haren in model zijn geknipt, te weten opgeschoren aan de zijkant en lang aan de bovenkant. Op de beelden is dit echter niet te zien. De rechtbank heeft hierna naar de herkenning van [verbalisant 2] gekeken. Hieruit komt naar voren dat verdachte onder andere wordt herkend aan zijn gezichtsbeharing. Ook voor dit gedeelte van de herkenning moet de rechtbank vaststellen dat dit niet op de beelden is waar te nemen.
De rechtbank zal de herkenningen van de verbalisanten daarom niet gebruiken voor het bewijs. De persoon die op de beelden is te zien zou verdachte kunnen zijn, maar dit kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld. Nu overig bewijs ontbreekt, zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.
Parketnummer 02-331677-24
Door [slachtoffer] is aangifte gedaan van een steekincident op 17 oktober 2024 waarbij hij in zijn arm is gestoken. Aangever lijkt verdachte aan te wijzen als dader van deze steekpartij. Verdachte ontkent enige betrokkenheid.
De rechtbank overweegt als volgt. Door aangever wordt ene [naam] , ook bekend onder de naam [naam] , aangewezen als dader van de steekpartij. Deze persoon zou bij een eerdere aanhouding door de politie aan een motor zijn vastgemaakt. Een directe herkenning van verdachte door aangever komt echter niet uit het dossier naar voren.
[getuige 1] gaf – op aangeven van aangever – het telefoonnummer en een foto van de door aangever genoemde dader aan de politie. Deze getuige was zelf niet aanwezig ten tijde van het incident en kon om die reden niet uit eigen wetenschap verklaren over wie de dader geweest zou zijn. Op de foto van de getuige werd verdachte door [verbalisant 4] herkend.
[getuige 2] heeft verklaard dat hij de dader van het steken heeft gezien en hem kent onder de naam “ [naam] ”. De verklaring is onvoldoende concreet en er komen onvoldoende details uit naar voren op basis waarvan verdachte als dader kan worden geïdentificeerd. Daarnaast was deze getuige tijdens het afleggen van zijn verklaring merkbaar onder invloed.
Uit onderzoek in de politiesystemen is niet gebleken dat verdachte vastgebonden heeft gezeten aan een politiemotor.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte enkel kan worden aangewezen als dader van de steekpartij op basis van de verklaring van aangever. De betrokkenheid van verdachte kan niet worden afgeleid uit ander objectief bewijs. Het enkele feit dat verdachte zich voorafgaand aan de steekincident in de nabije omgeving bevond, is onvoldoende en laat ruimte voor twijfel.
Nu overig bewijs ontbreekt, zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Parketnummer 02-330318-25
Feit 1
op 30 november 2025 te Tilburgeen geldbedrag (in totaal ongeveer 600 euro), dat geheelaan [supermarkt] (gevestigd aan [adres 1] te Tilburg), toebehoordeheeft weggenomen met het oogmerk om hetzich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeldvan bedreiging met geweld tegen [aangever 1](medewerker van die bovenstaande [supermarkt] ),gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk temaken, door:- zich in voornoemde supermarkt te begeven, en - zich naar de kassa te begeven, en- die [aangever 1] een mes, te tonen, en - dat mes op die [aangever 1] te richten, en- terwijl verdachte wegvluchtte met dat meszwaaiende bewegingen te maken in de richting van die [aangever 1] ;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 jaar met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval bij de [supermarkt] te Tilburg. Verdachte stond bij de kassa met twee flesjes bier. Op het moment dat de kassière de kassa opende pakte verdachte een mes en richtte deze naar de kassière waarna hij het geld pakt uit de kassa. Toen hij de winkel verliet, zwaaide hij nog een keer met het mes in de richting van de kassière. Op de beelden van de overval is te zien hoe de kassière opschrikt door het mes.
Het handelen van verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor andermans eigendom. Verdachte heeft slechts oog gehad voor het geld in de kassalade en de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor anderen waren van ondergeschikt belang. Met de winkeloverval heeft hij sterke gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de direct betrokken medewerkster, maar ook bij haar aanwezige collega’s en de klanten die direct of indirect getuige waren. Ook anderen die hiervan horen of over lezen zullen geschokt zijn door dit gewelddadige incident.
Uit zijn strafblad van zestien pagina’s van 27 januari 2026 blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor zowel vermogens- als geweldsfeiten. Verdachte was op de dag van het onderhavige feit net vrij van een twee maanden durende gevangenisstraf voor een inbraak in een auto.
Daarop aansluitend heeft de reclassering in het rapport van 9 maart 2026 geadviseerd aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Volgens de reclassering ontbreekt het verdachte aan stabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Hij is al enige tijd dakloos en heeft geen structurele dagbesteding of toereikend inkomen. De grootste criminogene factoren zijn het zwervende bestaan en de problemen in zijn leven
voortkomend vanuit gebrekkig zelfinzicht en ontoereikende probleemoplossende vaardigheden. In hoeverre middelengebruik op dit moment een delictrelatie heeft, of een criminogene factor vormt is voor de reclassering niet duidelijk geworden, maar het zorgt in ieder geval niet voor meer stabiliteit. Bij een veroordeling wordt een agressieregulatie-problematiek niet uitgesloten. Verdachte lijkt een pro-criminele houding te hebben gericht op directe behoeftebevrediging. Hij lijkt niet zelfstandig in staat zijn leven te stabiliseren en risicovolle situaties te ontlopen. De afgelopen jaren is er sprake geweest van verschillende begeleidingstrajecten die niet hebben geleid tot daadwerkelijke gedragsverandering en recidivevermindering. Volgens de reclassering is intensieve en langdurige begeleiding geïndiceerd om te komen tot stabilisering.
Om de kans op recidive terug te dringen is het van belang dat het gedrag en gebrekkige copingsmechanisme van betrokkene worden behandeld. Er is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor ambulante begeleiding en huisvesting. Echter, nader (psychologisch) onderzoek is noodzakelijk om goed te kunnen inschatten welke begeleiding en zorg passend en geïndiceerd is. In het Pro Justitia consult wordt aangegeven dat er wegens disfunctioneren hulp en begeleiding is aangewezen, hetgeen lang en intensief van aard zou moeten zijn, zoals passend bij een ISD maatregel. De reclassering is van mening dat de mogelijkheden binnen ambulant kader ‘buiten’ uitgeput zijn.
De rechtbank is op grond van de bevindingen van de reclassering van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat een eerdere voorwaardelijke ISD maatregel hem ook niet heeft weerhouden van recidive. Bovendien is voldaan aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. Voor het door verdachte begane misdrijf is immers voorlopige hechtenis toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. Ook is het feit begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel. Verdachte staat weliswaar niet open voor deze plaatsing, maar de rechtbank spreekt de hoop uit dat dit gedurende de tijd dat hij vastzit zal veranderen.
De rechtbank wil de beëindiging van de recidive door verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen geven en ook de maatschappij zo optimaal mogelijk beschermen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd moet worden en dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering wordt gebracht.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de onder feit 2 parketnummer 02-330318-25 en parketnummer 02-331677-24 ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Parketnummer 02-330318-25
feit 1:
diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met
het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
- verklaart verdachte strafbaar;
Maatregel
- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar.
Dit vonnis is gewezen door J.P.E. Mullers, voorzitter en R. Combee en I.M.L. Felix, rechters, in tegenwoordigheid van K. van Rijs, griffier en is uitgesproken ter de openbare zitting op 27 maart 2026.
Mr. Mullers is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Parketnummer 02-330318-25
1hij op of omstreeks 30 november 2025 te Tilburgeen geldbedrag (in totaal ongeveer 600 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheelof ten dele aan [supermarkt] (gevestigd aan [adres 1] te Tilburg), in elkgeval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om hetzich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezelden/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1](medewerker van die bovenstaande [supermarkt] ),gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk temaken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vluchtmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- zich naar/in voornoemde supermarkt te begeven, en/of- zich naar de kassa te begeven, en/of- die [aangever 1] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen, en/of- dat mes op die [aangever 1] te richten, en/of- (terwijl verdachte wegvluchtte) met dat scherpe en/of puntige voorwerpzwaaiende bewegingen te maken naar, althans in de richting van die [aangever 1] ;( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 2 december 2025 te Tilburgeen geldbedrag (van in totaal ongeveer 280 euro), in elk geval enig goed, dat/diegeheel of ten dele aan drogisterij Kruidvat (gevestigd aan [adres 2][adres 2] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met hetoogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werdvoorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweldtegen [aangever 2] (medewerker van die bovenstaande drogisterij Kruidvat),gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk temaken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vluchtmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- zich naar/in voornoemde drogisterij Kruidvat te begeven, en/of- zich naar de kassa te begeven, en/of- die [aangever 2] vast te grijpen aan de kleding en/of het lichaam, en/of- (daarbij) [met] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen/bij derug en/of het lichaam van die [aangever 2] te houden en/of drukken en/of prikken, en/of- (dreigend) tegen die [aangever 2] te zeggen dat die [aangever 2] de kassa moest openen,en/of- die [aangever 2] richting de kassa te duwen en/of trekken;( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Parketnummer 02-331677-24
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te Tilburgter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om[slachtoffer]opzettelijkvan het leven te beroven,hem met een mes althans met een scherp voorwerp (diep, te weten zo'n 5centimeter) in de (onder)arm te steken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te Tilburgaan [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten beschadiging van een of meerdere pezen en/ofspieren en/of zenuwen in de (onder)arm waardoor vernoemde [slachtoffer][slachtoffer] een of meerdere vinger(s) en/of gedeelte(n) van de arm/hand nietmeer kon/kan bewegen en/of tintelingen heeft en/of blijvende verminderdemobiliteit heeft toegebracht door hem met een mes althans een scherp voorwerp(diep, te weten zo'n 5 centimeter) in de (onder)arm te steken;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te Tilburgter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengenhem met een mes althans met een scherp voorwerp (diep, te weten zo'n 5centimeter) in de (onder)arm te steken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )