RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 13-202933-25
vonnis van de meervoudige kamer van 27 maart 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] (Saoedi-Arabië)
wonende te [woonadres]
raadsman mr. G. Demir, advocaat te Breda
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 13 maart 2025, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen gelet de aangifte, de diverse processen-verbaal en de bekennende verklaring van verdachte. De officier van justitie vraagt bij feit 1 partieel vrijspraak voor het bestanddeel levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van omliggende woningen en anderen
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt ten aanzien van feit 1 eveneens dat geen sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, omdat ten tijde van de ontploffing niemand thuis was en er evenmin mensen in de nabijheid waren. Op basis van de stukken in het dossier kan enkel worden vastgesteld dat er brandschade was aan de deur die verder in tact is gebleven. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het overige van de bewezenverklaring van zowel feit 1 als voor feit 2 vanwege de bekennende verklaring van verdachte en de andere bewijsmiddelen in het dossier. Er is sprake van eendaadse samenloop.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Partiële vrijspraak bestanddeel levensgevaar/zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat er veel gevaar uitgaat van een vuurwerkbom die bestaat uit zwaar illegaal vuurwerk met daaraan vastgemaakt een fles met brandversnellende vloeistof. In algemene zin is de conclusie dan ook gerechtvaardigd dat het tot ontploffing brengen van een dergelijke vuurwerkbom bij of in een woning gevaarlijk is voor goederen en mensen die zich in de directe omgeving van de ontploffing bevinden.
De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord, is of door de ontploffing en de daaruit ontstane brand in dit specifieke geval en onder de onderhavige feiten en omstandigheden, naast gevaar voor goederen, ook levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten was zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Zodanig gevaar kan aangenomen worden als uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat de bewoners van de woning waar de ontploffing heeft plaatsgevonden en waar vervolgens brand heeft gewoed, zelf niet thuis waren. Ook is niet gebleken dat zich tijdens de ontploffing mensen op straat of nabij de woning hebben bevonden die door de ontploffing rechtstreeks in gevaar zijn geweest. Er was weliswaar een getuige (de beveiliger) aanwezig, maar deze was ingehuurd om te letten op personen die een dergelijke vuurwerkbom konden plaatsen en zodoende gefocust op verdachte. Niet volgt uit het dossier dat er gevaar heeft bestaan voor deze beveiliger. Uit het dossier volgt wel dat de ontploffing tot een plaatselijke brand heeft geleid. Dit op zichzelf is echter onvoldoende om (levens)gevaar voor personen te kunnen aannemen. Niet is immers gebleken dat er zich mensen bevonden in de naastgelegen woningen, laat staan dat de brand zich zodanig snel heeft ontwikkeld dat omwonenden zich daardoor niet meer in veiligheid konden stellen. Integendeel, uit de camerabeelden volgt dat de brand snel is ontdekt, waarna de brand kon worden geblust. Uit het dossier is niet gebleken dat de brand verder is gegaan dan de deur van de woning en meer schade heeft opgeleverd dan aan de buitenzijde van de woning.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de bestanddelen ‘te duchten levensgevaar’ en ‘gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen’.
Bewezenverklaring
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit voor het overige een bekennende verklaring heeft afgelegd en ten aanzien hiervan geen vrijspraak is gevraagd, zal de rechtbank alleen de bewijsmiddelen benoemen waarop zij haar oordeel baseert:
het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt in de wettelijke vorm door de politie Amsterdam, opgenomen op pagina 1-2 van het proces-verbaal met nummer 2025163812, genummerd 1 t/m 32 (bestaande uit 57 digitale pagina’s);
het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt in de wettelijke vorm door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie Amsterdam, opgenomen op pagina 4-5 van het voornoemd proces-verbaal met nummer 2025163812;
het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , opgenomen in een los proces-verbaal in het dossier, genummerd PL1300-2025163812-14;
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2026.
Feit 2
Aangezien verdachte ten aanzien van het feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ten aanzien hiervan geen vrijspraak is gevraagd, zal de rechtbank alleen de bewijsmiddelen benoemen waarop zij haar oordeel baseert:
het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van de politie-eenheid Amsterdam, opgenomen in een los proces-verbaal in het dossier genummerd PL1300-2025163812-14;
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 13 maart 2026.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat de feiten 1 en 2 zo sterk met elkaar in verband staan dat van eendaadse samenloop kan worden gesproken. Hoewel de strekking van de beide strafbepalingen enigszins uiteen loopt, doet hieraan niet af nu het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op 3 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door- een cobra 6, en een explosieve lading voor de toegangsdeur van een pand gelegen aan [adres] te plaatsen en vervolgens- die cobra 6, en die explosieve lading tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en de in voornoemd pand aanwezige goederen en de naastliggende woningen en/of panden te duchten was;
2op 3 juli 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (IED) zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 182 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd en daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uur te vervangen door 100 dagen jeugddetentie bij het niet vervullen hiervan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om aan verdachte geen bijzondere voorwaarden op te leggen bij de voorwaardelijke jeugddetentie dan wel de voorwaardelijke taakstraf. Subsidiair stelt de verdediging dat verdachte wel wil meewerken aan bijzondere voorwaarden zoals een gepaste dagbesteding dan wel school. Ook acht de verdediging de geëiste taakstraf te fors en verzoekt om deze deels voorwaardelijk op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing voor een woning. Verdachte is met een geïmproviseerde explosieve constructie naar een woning gelopen en heeft deze daar tot ontploffing gebracht, waarna een brand is ontstaan. Er is schade ontstaan aan het pand.
Het teweegbrengen van ontploffingen door middel van het plaatsen van een explosief bij een woning lijkt steeds vaker voor te komen en heeft blijkt vaak tot doel te hebben om personen te intimideren. Het is een groot en toenemend maatschappelijk probleem. De rechtbank acht deze vorm van brandstichting een zeer ernstig feit. Niet alleen vanwege de schade die wordt aangericht aan een woning, maar ook doordat het gevoel van veiligheid van de bewoners blijvend en in vergaande mate wordt aangetast, zoals [aangeefster] in haar slachtofferverklaring ter terechtzitting treffend heeft verwoord.
Verdachte heeft het feit gepleegd voor een financiële beloning en heeft vooraf kennelijk onvoldoende stilgestaan bij de gevolgen die een dergelijke daad zou kunnen hebben.
Persoonlijke omstandigheden
Verdachte was slechts 17 jaar oud ten tijde van het plegen van de feiten en is ten tijde van het wijzen van dit vonnis 18 jaar oud. Verdachte heeft twee dagen in voorlopige hechtenis gezeten en de voorlopige hechtenis vervolgens geschorst met algemene en bijzondere voorwaarden. Verdachte is volgens zijn strafblad niet eerder veroordeeld. Verdachte heeft van meet af aan zijn medewerking verleend en spijt betuigd.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een advies opgesteld. Hierin staat verwoord dat verdachte voor de uitvoerig van dit feit druk heeft gevoeld van de opdrachtgevers en dat hij hier onvoldoende tegen was opgewassen. De Raad ziet dat verdachte over voldoende vaardigheden beschikt en dat het onduidelijk blijft wat de reden is waarom hij deze niet kon inzetten rondom het delict. De Raad ziet geen grote zorgen anders dan op het gebied van school. Er is een negatief studieadvies gekomen, omdat de resultaten en de houding en gedrag van verdachte onvoldoende zijn. De Raad denkt dat verdachte sociaal wenselijk gedrag laat zien. Diagnostisch onderzoek kan hierover meer inzicht geven. De Raad acht een voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf passend. Als voorwaarden adviseert de Raad op te leggen een reclasseringstoezicht en het vinden en behouden van een dagbesteding en een zinvolle vrijetijdsbesteding en het meewerken aan een diagnostisch onderzoek indien de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat voor feiten als de onderhavige in beginsel niets anders passend is dan een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Niet alleen vanwege de aard en ernst van het delict, maar ook om een signaal af te geven zodat hiervan preventieve werking uitgaat.
Verdachte heeft voor deze zaak twee dagen in voorarrest gezeten. De rechtbank zal hiermee rekening houden en bepalen dat de op te leggen jeugddetentie voor het overige voorwaardelijk zal zijn. Enerzijds om de ernst van het feit te benadrukken en anderzijds om de mogelijkheid van bijzondere voorwaarden te creëren waar zowel verdachte als de maatschappij bij gebaat kunnen zijn.
Met de Raad ziet ook de rechtbank de meerwaarde van toezicht door de jeugdreclassering. Verdachte moet zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in juli 2025 al houden aan voorwaarden. De rechtbank zal het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen en zal de door de Raad geadviseerde voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de voorwaarden die verdachte al had, koppelen aan de op te leggen voorwaardelijke jeugddetentie.
De rechtbank ziet, mede gelet op de oriëntatiepunten van de LOVS, wel aanleiding om de eis enigszins te matigen.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen voor de duur van 32 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest. Als bijzondere voorwaarden zal de rechtbank de voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de Raad. En daarnaast zal de rechtbank een taakstraf opleggen in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uur te vervangen door 60 dagen jeugddetentie bij het niet vervullen hiervan.
7. De benadeelde partij
De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 1.5000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor feit 1. De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer en goede naam of op andere wijze in haar persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij is zonder aanleiding geconfronteerd met een vuurwerkbom die voor haar woning is gelegd. De ontploffing en de daaropvolgende brand hebben tot schade geleid waardoor ook herstelwerkzaamheden noodzakelijk waren. Het ligt voor de hand dat bij benadeelde angst is ontstaan en dat zij zich daarna niet veilig voelt in haar huis. Het feit dat de benadeelde en haar partner ten tijde van de ontploffing en brand niet in de woning aanwezig waren, doet hier niet aan af. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 1.000,- billijk en daarom tot dit bedrag toewijsbaar. De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren zodat verdachte dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen.
Schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen bedragen toewijzen vanaf 3 juli 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 55, 77a, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
eendaadse samenloop van
feit 1: opzettelijk een ontploffing teweeg brengen , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 32 (tweeëndertig) dagen, waarvan 30 (dertig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte meewerkt aan het reclasseringstoezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant jeugdbescherming en jeugdreclassering te Tilburg (hierna: jeugdreclassering);
* dat verdachte meewerkt aan het vinden en behouden van een volwaardige dagbesteding in de vorm van onderwijs en/of werk;
* dat verdachte meewerkt aan een zinvolle vrijetijdsbesteding in de vorm van een bijbaan of sport;
* dat verdachte meewerkt aan diagnostisch onderzoek (IQ-bepaling en problematiek), en de daaruit volgende mogelijke adviezen indien en voor zover de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- stelt vast dat van rechtswege de volgende voorwaarden gelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de jeugdreclassering, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uur;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie wordt toegepast van 60 (zestig) dagen;
Vordering benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van
€ 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangeefster] , € 1.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. I.M.L. Felix en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. G.P.A.J. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 maart 2026.
Mrs. Felix en Mullers zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
de tenlastelegging
1hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door- een cobra 6, enig explosief (middel) en/of een explosieve lading voor de toegangsdeur van een pand gelegen aan [adres] aan te brengen en/of te plaatsen en/of (vervolgens)- die cobra 6, althans dat explosie(f)(v)(e) (middel) en/of die explosieve lading tot ontploffing te brengen en/of laten brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand en/of de in voornoemd pandaanwezige goederen en/of de omliggende/naastliggende woningen en/of panden in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naastgelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid en/of de (naast gelegen) omgeving van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van
Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen
(een) wapen(s) van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten (een) geïmproviseerde explosieve constructie(s) (IED)
zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door
vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft/hebben gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )