ECLI:NL:RBZWB:2026:2349

ECLI:NL:RBZWB:2026:2349

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 30-03-2026
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer 02-013538-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Bewezenverklaring medeplegen van brandstichting en bedreiging. Explosie bij woning politieambtenaar. Gevangenisstraf van 38 maanden. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-013538-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 maart 2026

[verdachte] ,

geboren te [plaats 1] op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,

raadsman mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 en 16 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 27 september 2023:

1. samen met anderen opzettelijk een ontploffing bij een woning aan het [adres 2] (hierna: de woning) teweeg heeft gebracht waardoor gevaar voor goederen te duchten was;

2. samen met anderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en hij baseert zich hierbij op de bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte heeft weliswaar vervoer geregeld voor een persoon vanuit [plaats 1] naar [plaats 2] , maar hij wist niet van de geplande explosie. Verdachte heeft bij de woning geen voorverkenning verricht en verder had hij geen motief voor het plegen van een aanslag op de woning. De verklaring van [medeverdachte 1] dient te worden uitgesloten van het bewijs. Deze verklaring is niet betrouwbaar en wordt bovendien niet ondersteund door enig ander bewijs. Daar komt nog bij dat de verklaring ‘sole and decisive’ is, terwijl de verdediging deze niet (effectief) heeft kunnen toetsen omdat [medeverdachte 1] zich (als getuige) heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. Verdachte dient dan ook integraal te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Vaststelling van de feiten

Op 27 september 2023 rond kwart over twee in de nacht vond een explosie plaats bij de woning in [plaats 2] , waarbij gebruik werd gemaakt van vuurwerk, een Cobra 8, vastgemaakt aan flessen brandbare vloeistof. Door de explosie werden meerdere ruiten en een rolluik van de woning vernield. Daarnaast werd ook de ruit van een personenauto die voor de woning geparkeerd stond vernield. De bewoners, een politieambtenaar en zijn gezin, waren ten tijde van de explosie aanwezig en lagen in de woning te slapen. Op camerabeelden is te zien hoe kort voor de explosie een Renault Clio aan komt rijden en ter hoogte van het [adres 2] stopt. De auto rijdt achteruit de tegenoverliggende [straat] in, parkeert en dooft de dimlichten. Alleen de stadslichten blijven branden. Kort daarna stapt aan de passagierskant een persoon uit. Deze persoon loopt richting de woning aan het [adres 2] . Op de beelden is te zien dat deze persoon een zwarte joggingbroek en een roodkleurige jas draagt. Ook is het explosief duidelijk in zijn handen te zien. De persoon legt het explosief tegen de woning en steekt deze aan. Kort hierna rent hij weg richting de Renault Clio. De bestuurder rijdt de persoon een stukje tegemoet en laat de persoon instappen. Vervolgens rijdt de auto via de rotonde weg.

Rol van verdachte

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

In de nacht van 26 op 27 september 2023, rond middernacht, stuurt verdachte via snapchat een bericht aan medeverdachte [medeverdachte 2] met het verzoek om een persoon op te halen in [plaats 1] . Verdachte geeft [medeverdachte 2] de opdracht naar de parkeerplaats bij de oude Scapino te rijden, de persoon op te halen en naar [plaats 2] te brengen. Op 27 september 2023 om 00:55 uur stuurt verdachte een sms-bericht aan [medeverdachte 3] inhoudende: “Renault Clio bij netto op parkeerplaats ovdt 30 mi”. Om 01:36 stuurt verdachte [medeverdachte 3] een tweede sms-bericht, inhoudende: ‘Lopen na fietsen stalling netto’. De rechtbank gaat ervan uit dat met netto de Nettorama in [plaats 1] is bedoeld. Vervolgens zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar [plaats 2] gereden. Eenmaal in [plaats 2] rijden de medeverdachten langs verschillende locaties voordat zij naar de woning aan het [adres 2] rijden. Gedurende deze rit geeft verdachte instructies aan [medeverdachte 2] via snapchat.

Verdachte stelt enkel als tussenpersoon te hebben opgetreden. Hij zou door een ander, te weten [medeverdachte 4] , zijn benaderd met de vraag of hij vervoer voor (naar later bleek) [medeverdachte 3] kon regelen. Verdachte heeft toen [medeverdachte 2] benaderd, waarna [medeverdachte 4] verdachte instructies heeft gegeven, welke instructies verdachte steeds heeft doorgestuurd naar [medeverdachte 2] . Ook zou verdachte met de van [medeverdachte 4] ontvangen informatie contact hebben gelegd met [medeverdachte 3] . Verdachte wist niet dat het de bedoeling was dat er een explosief bij de woning zou worden neergelegd en hij heeft daartoe dan ook geen opdracht gegeven.

De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. De verklaring vindt op geen enkele manier steun in het dossier, integendeel. Niet valt in te zien waarom verdachte als tussenpersoon moest optreden in de contacten tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . Op zitting heeft verdachte geen verklaring kunnen geven voor deze onbegrijpelijke en omslachtige wijze van communiceren. Daarnaast heeft [medeverdachte 4] ontkend dat hij verdachte heeft gevraagd om iemand te vervoeren. Verder hebben zowel [getuige 1] als [getuige 2] verklaard dat zij verdachte zelf hebben horen zeggen dat hij de aanslag heeft geregeld dan wel daarbij betrokken is geweest. Ook [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte de opdracht tot de explosie heeft gegeven en dat verdachte dit tegen hem gezegd heeft. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaringen te twijfelen. Anders dan door de verdediging is gesteld, kan de verklaring van [medeverdachte 1] gebruikt worden als bewijs omdat deze niet is aan te merken als ‘sole and decisive’. De bewezenverklaring steunt namelijk niet in beslissende mate op de verklaring van [medeverdachte 1] . Zijn verklaring wordt immers in belangrijke mate ondersteund door andere - hierboven genoemde - bewijsmiddelen. Dat de verdediging geen gebruik heeft kunnen maken van het recht [medeverdachte 1] te ondervragen bij de rechter-commissaris omdat hij zich beriep op zijn verschoningsrecht maakt dit niet anders.

Uit de feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte opdracht heeft gegeven voor het neerleggen en aansteken van een explosief bij de woning van aangever. Of er al dan niet sprake is geweest van een voorverkenning van verdachte kan daarbij in het midden gelaten worden.

Medeplegen

Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, is vereist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. De medeplegers moeten opzettelijk – willens en wetens – samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. Daarbij is niet noodzakelijk dat de medeplegers min of meer gelijktijdig en gezamenlijk uitvoering geven aan het plegen van het delict. Voldoende is dat verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict heeft geleverd die van voldoende gewicht is. De nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer blijken uit de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang van die rol, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de onder feit 1 tenlastegelegde brandstichting in vereniging wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht ook het onder feit 2 tenlastegelegde feit bewezen. Door het plaatsen en afsteken van zwaar vuurwerk bij de woning van aangevers, terwijl zij thuis aanwezig waren, heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan bedreiging.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.op 27 september 2023 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, aan een woning gelegen aan het [adres 2] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosieve substantie, te weten een stuk vuurwerk type Cobra 8, met daaraan bevestigd flessen bevattende een brandbare vloeistof, tegen de voorgevel van de voornoemde woning te plaatsen en die vervolgens met vuur in aanraking te brengen en aan te steken. terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de voornoemde woning en een in de directe nabijheid van die woning geparkeerd staande personenauto met [kenteken] te duchten was.

2.op 27 september 2023 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met brandstichting en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van goederen ontstaat door bij de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een ontploffing teweeg te brengen, waarbij schade aan de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek van voorarrest op te leggen. Verdachte is de initiator van de feiten en had kennelijk een minimale aanleiding nodig om deze feiten te plegen en anderen daarbij te betrekken. De gevorderde straf is passend, gelet op de ernst van de feiten, waarbij verdachte heel bewust een aanslag heeft gepleegd op de rechtsstaat, het medeplegen, de gevolgen van het feit en de documentatie van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met de eendaadse samenloop van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn. Ook wordt verzocht rekening te houden met de mogelijke consequenties voor verdachte bij een veroordeling conform de eis van de officier van justitie met betrekking tot zijn detentiefasering en de plaatsing van verdachte op een Beperkt Beveiligde Afdeling.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing aan de woning aan het [adres 2] en de bedreiging van de bewoners [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Verdachte heeft strafbare feiten gepleegd die letterlijk in één klap hebben geleid tot een totale ontwrichting van het gezinsleven van politieambtenaar [slachtoffer 1] , zijn zwangere vrouw [slachtoffer 2] en hun twee kleine kinderen. In de spreekrechtverklaringen hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op indringende wijze uiteengezet hoe in een paar seconden hun hele leven veranderde tot op de dag van vandaag. De feiten hebben geleid tot gevoelens van angst en machteloosheid, psychische klachten, gedwongen verhuizing, het wegvluchten uit een voor hen en de kinderen vertrouwde omgeving, het moeten opbouwen van een nieuw leven op een geheime locatie en tot spanning binnen de relatie. In de woorden van [slachtoffer 2] : “Wat mij het meest pijn doet, is dat mijn vertrouwen in veiligheid blijvend is beschadigd. Ons huis, een plek die symbool stond voor geborgenheid, werd een plek van angst. Zelfs nu ben ik alerter, voorzichtiger en sneller bang. Dat is niet de normale manier waarop je zou moeten leven. De rust, het vertrouwen en het gevoel dat ik onze kinderen kan beschermen zijn diep en blijvend aangetast.”

Het plegen van aanslagen op woningen met een explosief is in zijn algemeenheid een groot en toenemend maatschappelijk probleem dat aanzienlijke gevoelens van angst, onrust en grote onveiligheid meebrengt, niet alleen voor de bewoners en hun directe omgeving maar voor de hele samenleving. Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Ernstig in deze zaak is bovendien dat de aanslag gericht lijkt te zijn op de politie in het algemeen en dat daarbij gekozen is om een vuurwerkbom te plaatsen bij een willekeurige politieambtenaar. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 april 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

Gelet op de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat wanneer de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten in voorlopige hechtenis zit de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in deze zaak geen sprake. De redelijke termijn is met acht maanden overschreden.

De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de toepasselijkheid van artikel 63 Sr, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend en geboden, maar zal deze gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf van 38 maanden met aftrek van voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 3]

vordert een schadevergoeding van € 2.271,30 voor feit 1.

De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de explosie mede heeft veroorzaakt. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij als gevolg daarvan te vergoeden.

Autoschade en expertisekosten De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 3] heeft gesteld dat hij een rechtsbijstandverzekering heeft en dat deze verzekeraar de schade als gevolg van de explosie door een expert heeft laten vaststellen, hetgeen op zichzelf niet is weersproken. [slachtoffer 3] heeft een expertiserapport van deze verzekeraar overgelegd waarin de geconstateerde schade globaal is beschreven en de reparatiekosten van deze schade worden begroot op € 2.500,00, terwijl de dagwaarde van de auto is vastgesteld op € 1.400,00. In het licht hiervan is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de schade tevens ziet op beschadigingen die geen gevolg zijn van de explosie. Indien immers al juist is dat de expert bij het begroten van de reparatiekosten ook schade aan de auto heeft genoemd die niet door de explosie is veroorzaakt, dan betekent dit nog niet dat de schade lager is dan het verlies van de waarde van de auto die is begroot op € 1.400,00. De door [slachtoffer 3] gevorderde schade is immers niet begroot op de reparatiekosten maar op het verlies van de waarde van de auto.

Door de verdediging is ook nog aangevoerd dat [slachtoffer 3] zelf heeft gekozen voor slechts een WA-verzekering als gevolg waarvan zijn schade niet door een verzekering is vergoed. Volgens de verdediging kan die schade daarom niet op verdachte worden verhaald.

Dit standpunt is onjuist. Voor zover daarmee is betoogd dat [slachtoffer 3] de schade mede aan zichzelf te wijten heeft omdat hij geen allrisk verzekering heeft gesloten, gaat het betoog uit van de verkeerde veronderstelling dat [slachtoffer 3] zelf de schade heeft veroorzaakt. Van eigen schuld is geen sprake.

De rechtbank begroot de schade die bestaat in het waardeverlies van de auto op € 1.400,00. In zoverre is de vordering toewijsbaar.

De gevorderde expertisekosten zijn eveneens toewijsbaar nu deze zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van de schade en niet zijn betwist.

Buitengerechtelijke kosten

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn niet toegelicht en in het licht daarvan voldoende gemotiveerd betwist. Hierover is nader debat nodig waartoe dit strafgeding zich niet leent. In zoverre zal [slachtoffer 3] niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Kosten tijdverlies

Gelet op de door [slachtoffer 3] gegeven toelichting betreft deze schadepost geen immaterieel nadeel, maar een vergoeding van tijd die gemoeid was met onder meer het herstellen van de auto. Voor de verdediging moet dit ook duidelijk zijn geweest. [slachtoffer 3] heeft gesteld dat hij in verband daarmee verlofdagen heeft moeten opnemen, hetgeen door de verdediging niet is weersproken. Evenmin is weersproken dat dit verlof redelijkerwijs gewaardeerd kan worden op € 450,00. De vordering is daarom ook in zoverre toewijsbaar.

Conclusie

Resumerend is de vordering van [slachtoffer 3] toewijsbaar tot een bedrag van € 1.910,00 aan materiële schade, vermeerderd met rente, en zal hij voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd ten bedrage van € 52.433,06 voor de ten laste gelegde feiten, vermeerderd met proceskosten conform het liquidatietarief en kosten van de medisch adviseur ten bedrage van € 2.641,00. Ter zitting heeft hij de vordering verminderd met een bedrag van € 1.980,00 voor kosten van mantelzorg.

[slachtoffer 1] stelt dat hij de volgende schade heeft geleden:a) kosten hotelovernachting € 100,00b) kosten verbouwing zolder € 1.015,00

c) reparatiekosten bestrating en herplanten prunussen € 600,00

d) kosten tijdelijk verblijf huurwoning € 6.000,00

e) kosten opladen auto € 730,86f) verminderde opbrengst verkoop woning € 11.500,00

g) makelaarskosten verkoop woning € 7.139,00

h) verhuiskosten € 242,00 + € 129,00 + € 134,68 + € 913,55

i. i) verlies arbeidsvermogen € 434,83

j) reiskosten mantelzorgers € 275,22 + € 238,92

k) smartengeld € 21.000,00

De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de explosie (mede) heeft veroorzaakt. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Kosten verhuizing

[slachtoffer 1] stelt – kort gezegd – dat hij als gevolg van de bedreiging die uit is gegaan van de explosie en de angst die daaruit is voortgevloeid dat hem of zijn gezin iets zou worden aangedaan, ervoor heeft gekozen om niet terug te keren naar de woning aan het [adres 2] maar naar een andere woning in een andere plaats te verhuizen. De rechtbank oordeelt dit een redelijke keuze zodat ook de daarmee gemaakte kosten in beginsel als redelijke kosten als gevolg van de explosie kunnen worden aangemerkt. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat het niet noodzakelijk of onvermijdelijk was om deze kosten te maken, hanteert de verdediging een onjuiste maatstaf. Voor zover is aangevoerd dat de verhuizing mede een gevolg is van een eerder incident, staat dit er niet aan in de weg dat de verhuizing in causaal verband stand tot de explosie. Het gezin is immers na het eerdere incident niet verhuisd. De als gevolg van de verhuizing gemaakte kosten zijn redelijkerwijs als gevolg van de explosie toe te rekenen.

Dat [slachtoffer 1] de gestelde kosten voor de tijdelijke huurwoning heeft gemaakt, is niet weersproken, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Het is evident dat er met de verkoop van de woning en het zoeken van een nieuwe woning enige tijd gemoeid is geweest. Een periode van drie maanden daarvoor is alleszins redelijk. Voor zover de verdediging zich beroept op de schadebeperkingsplicht van de benadeelden, is dit niet toegelicht, zodat de rechtbank aan dat beroep voorbijgaat. Voor zover daarmee is bedoeld dat de huurperiode onredelijk lang is geweest, wordt dit verweer verworpen. De vordering die ziet op de huurkosten van de woning is toewijsbaar.

[slachtoffer 1] heeft gesteld dat de ouders voor het incident twee dagen op hun kinderen pasten en dat deze na het incident meer reiskosten hebben gemaakt om op te passen omdat zij naar de verder weg gelegen huurwoning dienden te reizen. Hij stelt dat hij die kosten heeft vergoed. Een en ander is niet weersproken. De vordering is ook in zoverre toewijsbaar.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, was het een redelijke beslissing om de woning te verkopen. De daarmee gemoeide makelaarskosten zijn redelijke kosten als gevolg daarvan. Deze zijn in de overgelegde overeenkomst genoemd en in het licht daarvan onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de vordering daarom ook in zoverre toewijzen.

De gestelde verhuiskosten (huur en brandstof voor twee bakwagens ten behoeve van de opslag en verhuizing van goederen) zijn voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist. De vordering is ook in zoverre toewijsbaar.

Voor zover de vordering ziet op schade als gevolg van een verminderde opbrengst van de woning, zal [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Uit de WOZ-waarde kan die verminderde opbrengst niet zonder meer worden afgeleid. Daarnaast blijkt uit de overeenkomst met de makelaar dat de verkoopwaarde van de woning is bepaald op € 575.000,00 terwijl de woning voor een hoger bedrag is verkocht. Mede in het licht daarvan, is door de verdediging voldoende gemotiveerd betwist dat [slachtoffer 1] de gestelde schade heeft geleden. Ter beoordeling van dit deel van de vordering is nader debat nodig en eventuele bewijsvoering waarvoor dit strafgeding zich niet leent. Dit deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Hetzelfde geldt voor de vordering die ziet op de kosten van de verbouwing die, zo begrijpt de rechtbank, zonder nut zijn gemaakt. Onduidelijk is of en zo ja welke toevoegingen aan de zolder zijn aangebracht, waardoor onduidelijk is of door de verbouwing enige waarde aan de woning is toegevoegd.

Eveneens geldt dit voor de vordering die ziet op de extra kosten voor het opladen van de auto’s. Volgens [slachtoffer 1] werden de auto’s voor de explosie gratis opgeladen met behulp van zonne-energie. De verdediging heeft betwist dat er zonnepanelen aanwezig waren en dat die in de relevante maanden voor gratis energie hadden gezorgd. Ook voor dit deel van de vordering is een nader debat en toelichting vereist waarvoor dit strafgeding zich niet leent.

Hotelkosten

[slachtoffer 1] stelt dat hij na de explosie met zijn gezin in een hotel heeft overnacht. De gestelde kosten van de hotelovernachting zijn onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de vordering in zoverre dient te worden toegewezen.

Herstelkosten bestrating en beplanting

[slachtoffer 1] stelt dat de bestrating als gevolg van de explosie is beschadigd en dat een deel van de beplanting vlam had gevat. Dat [slachtoffer 1] kosten heeft gemaakt voor het herstel van deze schade is onderbouwd met stukken en in het licht daarvan onvoldoende weersproken. De vordering zal in zoverre worden toegewezen.

Verlies arbeidsvermogen

[slachtoffer 1] stelt dat hij – kort gezegd – als gevolg van de explosie enige tijd arbeidsongeschikt is geweest en dat hij enige tijd geen nachtdiensten heeft gedraaid omdat zijn vrouw ’s nachts niet alleen thuis durfde te zijn. Hij stelt dat hij daardoor inkomsten heeft gederfd, hetgeen door de verdediging niet is weersproken. De vordering zal ook in zoverre worden toegewezen.

Kosten medisch adviseur (materiële schade)

De gevorderde kosten voor de medisch adviseur zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW. Gelet op de onderbouwing door de benadeelde partij heeft de verdediging deze kosten onvoldoende gemotiveerd betwist. In de gegeven omstandigheden is het redelijk dat die kosten zijn gemaakt. Ook zijn de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk. De rechtbank zal het gevorderde bedrag € 2.641,- toewijzen.

Immateriële schade

[slachtoffer 1] heeft een immateriële schadevergoeding van € 21.000,- gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.

Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van informatie afkomstig van een psychiater of psycholoog.

Voor het vaststellen van de omvang van de gestelde schade moet onder meer worden gekeken naar de aard en ernst van het feit, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen voor de benadeelde partij.

Uit de toelichting op de vordering blijkt dat bij de benadeelde een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en dat hij hiervoor therapie heeft gehad. De behandelingen zijn inmiddels succesvol afgerond, maar de gebeurtenis heeft een blijvende impact op benadeelde. Hij ervaart nog altijd gevoelens van onveiligheid, Hij en zijn gezin hebben hun vertrouwde leefomgeving verlaten en een nieuwe woning gekocht in een andere plaats. Omdat het nieuwe adres geheim diende te blijven, heeft hij de banden met zijn sociale netwerk, afgezien van het contact met zijn (schoon)ouders, verbroken.

De hiervoor genoemde toelichting is door de verdediging niet weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Gezien de normschending en de gestelde en niet weersproken gevolgen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 BW. Dit betekent dat sprake is van een geval waarin recht bestaat op vergoeding van immateriële schade.

Bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. De rechtbank neemt de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie als uitgangspunt. Bij benadeelde is sprake van een posttraumatische stressstoornis, zodat de rechtbank aansluiting zoekt bij deel B, onderdeel 14.2 Posttraumatische stressstoornis. Aangezien er sprake is van een succesvolle behandeling gaat de rechtbank uit van categorie d. De rechtbank ziet geen aanleiding om op basis van de aanbevelingen van de rechtspraak procentueel te verhogen aangezien dit uitsluitend van toepassing is op de categorieën a en b. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en met name de ingrijpende en niet bestreden gevolgen voor de benadeelde partij, ziet de rechtbank wel aanleiding om een bedrag boven het indicatieve smartengeldbedrag van categorie d toe te kennen. De rechtbank begroot het smartengeld naar billijkheid op € 7.500,-. Voor het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Proceskosten

Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor de proceskosten dient dezelfde maatstaf te worden gehanteerd als in civiele procedures. Bij het vaststellen van kosten voor rechtsbijstand wordt dan ook in beginsel uitgegaan van het liquidatietarief kantonzaken. De rechtbank ziet gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden in verband met de in de onderhavige zaak ingediende vordering geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken. De rechtbank zal de proceskosten dan ook toewijzen volgens het liquidatietarief. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat er werkzaamheden zijn verricht voor het opstellen van de vordering, het bijwonen van de zitting en de toelichting ter zitting. De rechtbank zal deze werkzaamheden waarderen op 2 punten, met het geldende liquidatietarief van € 543,- per punt. De rechtbank zal een bedrag van € 1.086,- toewijzen.

Conclusie

Resumerend zal de vordering van [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 26.348,20 worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, en zal hij voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Dat deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[slachtoffer 2]

Kosten medisch adviseur (materiële schade)

De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor kosten van de medisch adviseur ten bedrage van € 1.045,44. Ter zitting heeft de benadeelde partij toegelicht dat de vordering ziet op haar kosten en niet op de kosten van haar dochter. De vordering wordt beperkt tot een bedrag van € 508,20.

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij omtrent deze kosten hiervoor bij de vordering van [slachtoffer 1] heeft overwogen. De rechtbank zal een bedrag tot € 508,20 toewijzen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding van € 18.750,- gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor bij de vordering van [slachtoffer 1] in het algemeen over het recht op vergoeding van immaterieel nadeel heeft overwogen.

Uit de vordering blijkt dat bij de benadeelde een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en dat zij hiervoor therapie heeft gehad. De behandelingen zijn inmiddels succesvol afgerond, maar de gebeurtenis heeft een blijvende impact op benadeelde. Zij ervaart nog altijd gevoelens van onveiligheid en heeft haar vertrouwde omgeving moeten verlaten en de banden met haar netwerk, afgezien van die met haar (schoon)ouders, moeten verbreken.

De aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor [slachtoffer 2] zijn vergelijkbaar met die van [slachtoffer 1] . De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor bij de vordering van [slachtoffer 1] heeft overwogen en begroot het smartengeld naar billijkheid op € 7.500,00. [slachtoffer 2] zal voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dat deel kan desgewenst worden gevorderd bij de burgerlijke rechter.

Proceskosten

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor over de proceskostenvergoeding heeft overwogen. Uit vordering van de benadeelde partij blijkt dat er werkzaamheden zijn verricht voor het opstellen van de vordering, het bijwonen van de zitting en de toelichting ter zitting. De rechtbank zal deze werkzaamheden waarderen op 2 punten, met het gelet op het toegewezen bedrag geldende liquidatietarief van € 360,- per punt. De rechtbank zal een bedrag van € 720,- toewijzen.

Conclusie

Resumerend zal de vordering van [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 8.008,20 worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, en zal zij voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dat deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Hoofdelijkheid, wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vorderingen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 27 september 2023.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 55, 63, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Eendaadse samenloop van

feit 1: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

feit 2: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor goederen ontstaat

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 38 (achtendertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

T.a.v. feit 1

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 1.910,-, aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 3] , € 1.910,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 19 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

T.a.v. feit 1 en 2

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 26.348,20, waarvan € 18.848,20 aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1086,-;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] , € 26.348,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 259 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 8.008,20, waarvan € 508,20 aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 720,-;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2] , € 8.008,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 80 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. L.W. Louwerse en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 maart 2026.

De oudste rechter is buiten staat te tekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1.Hij op of omstreeks 27 september 2023 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen. in/aan een woning gelegen aan het [adres 2] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosieve substantie, te weten een stuk vuurwerk type Cobra 8, in elk geval (knal)vuurwerk met daaraan bevestigd een of meer flessen bevattende een brandbare vloeistof, tegen, althans ter hoogte van de voorgevel van de voornoemde woning te plaatsen en die vervolgens met vuur in aanraking te brengen en/ofaan te steken. terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- de voornoemde woning, en- een in de directe nabijheid van die woning geparkeerd staande personenauto met [kenteken] te duchten was.

2hij op of omstreeks 27 september 2023 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling en/of brandstichting en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat door bij de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een ontploffing teweeg te brengen, waarbij schade aan de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ontstaan.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. Bergen
  • mr. L.W. Louwerse
  • mr. L.W. Boogert

Griffier

  • mr. C.A. Lequin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?