Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-013544-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [plaats] op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsvrouw mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 en 16 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 27 september 2023
1. samen met anderen opzettelijk een ontploffing bij een woning aan het [adres 2] teweeg heeft gebracht waardoor gevaar voor goederen te duchten was;
2. samen met anderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd.
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen en verzoekt verdachte vrij te spreken van deze feiten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
5. De vorderingen van de benadeelde partijen
[slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 2.271,30 voor feit 1.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 52.433,06 voor feit 1 en feit 2.
Verdachte is vrijgesproken van de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 18.750,00 voor feit 1 en feit 2.
Verdachte is vrijgesproken van de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
6. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten;
Benadeelde partij [slachtoffer 3]
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. L.W. Louwerse en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 maart 2026.
De oudste rechter is buiten staat te tekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
Hij op of omstreeks 27 september 2023 te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in/aan een woning gelegen aan het [adres 2] ,
opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door
een explosieve substantie, te weten een stuk vuurwerk type Cobra 8, in
elk geval (knal)vuurwerk
met daaraan bevestigd een of meer flessen bevattende een brandbare
vloeistof,
tegen, althans ter hoogte van de voorgevel van de voornoemde woning
te plaatsen en die vervolgens met vuur in aanraking te brengen en/of
aan te steken,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
- de voornoemde woning, en
- een in de directe nabijheid van die woning geparkeerd staande
personenauto met [kenteken]
te duchten was.
2
Hij op of omstreeks 27 september 2023 te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling
en/of brandstichting en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de
algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat
door bij de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een ontploffing
teweeg te brengen, waarbij schade aan de woning van die [slachtoffer 1]
en [slachtoffer 2] is ontstaan.