Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-043075-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
raadsvrouw mr. N. van Vliet, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 en 16 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 27 september 2023:
1. samen met anderen opzettelijk een ontploffing bij een woning aan het [adres 2] (hierna: de woning) teweeg heeft gebracht waardoor gevaar voor goederen te duchten was dan wel hier medeplichtig aan is;
2. samen met anderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd dan wel hier medeplichtig aan is.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
Uit het dossier volgt onvoldoende dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten gericht op het teweegbrengen van de explosie en de bedreiging. De officier van justitie vordert daarom vrijspraak voor het primair ten laste gelegde onder de feiten 1 en 2. De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde onder deze feiten, te weten dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij de ontploffing en de bedreiging door de feitelijke pleger op te halen en naar het [adres 2] te brengen, wel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte wist of had in ieder geval redelijkerwijs moeten vermoeden dat de feitelijke pleger een explosief bij de woning zou neerleggen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De rol van verdachte heeft zich beperkt tot slechts een faciliterende rol, namelijk het fungeren als chauffeur, waardoor deze niet van zodanig gewicht is geweest dat kan worden gesproken van medeplegen. Daarnaast heeft verdachte in zijn faciliterende rol alleen opzet gehad op zijn eigen bijdrage, maar had hij geen opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – op het misdrijf. Verdachte wist niet en had ook niet redelijkerwijs moeten vermoeden dat zijn passagier een explosief bij de woning zou plaatsen en aansteken. Verdachte dient daarom van de ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vrijspraak zonder nadere motivering (primair)
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing en het medeplegen van de bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Vaststelling van de feiten
Op 27 september 2023 rond kwart over twee in de nacht vond een explosie plaats bij de woning aan het [adres 2] , waarbij gebruik werd gemaakt van vuurwerk, een Cobra 8, vastgemaakt aan flessen brandbare vloeistof. Door de explosie werden meerdere ruiten en een rolluik van de woning vernield. Daarnaast werd ook de ruit van een personenauto die voor de woning geparkeerd stond, vernield. De bewoners, een ambtenaar van politie en zijn gezin, waren ten tijde van de explosie aanwezig en lagen te slapen. Op camerabeelden is te zien hoe kort voor de explosie een Renault Clio aan komt rijden en ter hoogte van het [adres 2] stopt. Verdachte is de bestuurder van de auto. Verdachte rijdt achteruit de tegenoverliggende [straat] in, parkeert en dooft de dimlichten. Alleen de stadslichten blijven branden. Kort daarna stapt aan de passagierskant een persoon uit. Deze persoon loopt richting de woning aan het [adres 2] . Op de beelden is te zien dat deze persoon een zwarte joggingbroek en een roodkleurige jas draagt. Ook is het explosief duidelijk in zijn handen te zien. De persoon legt het explosief tegen de woning en steekt dit aan. Kort hierna rent hij weg richting de Renault Clio. Verdachte rijdt deze persoon een stukje tegemoet en laat de persoon instappen. Vervolgens rijdt verdachte via de rotonde weg.
Medeplichtigheid
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid vereist is dat de opzet van de verdachte gericht was op zijn eigen handelingen als medeplichtige, maar ook op het door de dader gepleegde misdrijf. De opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, hoeft niet gericht te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.
De rechtbank stelt vast dat verdachte opzettelijk de ondersteunende handelingen heeft verricht die de gronddelicten, het opzettelijk veroorzaken van een explosie en de daarmee samenhangende bedreiging, heeft bevorderd of gemakkelijk heeft gemaakt. Verdachte heeft namelijk de persoon die de vuurwerkbom heeft geplaatst en ontstoken, opgehaald in [plaats 1] en naar de woning aan het [adres 2] gebracht. Verdachte heeft bekend de bestuurder van de Renault Clio te zijn geweest en in opdracht van [medeverdachte 1] deze persoon, naar later bleek [medeverdachte 2] , die avond te hebben vervoerd.
Voor de beantwoording van de vraag of verdachte ook (voorwaardelijk) opzet had op de geplande explosie en de daarmee samenhangende bedreiging gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verdachte wordt door [medeverdachte 1] gevraagd om midden in de nacht op een tijdstip dat hij normaal gesproken al naar bed zou zijn gegaan, [medeverdachte 1] en een ander persoon, vanuit [plaats 2] op te halen in [plaats 1] . Onderweg wordt verdachte duidelijk dat [medeverdachte 1] niet aanwezig zal zijn en dat alleen de andere persoon, [medeverdachte 2] , in [plaats 1] opgehaald en volgens de instructies van [medeverdachte 1] naar [plaats 2] gebracht moet worden;
Verdachte verklaart dat [medeverdachte 2] en hij in [plaats 2] - via Snapchat aangestuurd door [medeverdachte 1] - eerst langs het adres van [naam] moesten rijden. Vervolgens moeten ze van [medeverdachte 1] naar de haven in [plaats 2] . Uit de beelden van de daar aanwezige camera’s blijkt dat zij op de parkeerplaats aldaar ruim 9 minuten, van 2:04 uur tot 2:13:33, hebben stilgestaan;
Vervolgens verlaat de auto de parkeerplaats aan de haven en rijdt naar het [adres 2] om daar om 2:14:49 te arriveren;
Aangekomen bij het [adres 2] parkeert verdachte de auto achteruit in een tegenoverliggende straat, zodanig dat er vanuit de auto zicht is op de woning aan [adres 2] 1;
De dimlichten van de auto worden gedoofd om 2:15:26, enkel de stadslichten blijven branden. Ongeveer een minuut lang is er dan geen actie. Om 2:16:27 uur stapt de bijrijder, [medeverdachte 2] , uit en loopt direct richting de woning. Op de beelden van de bewakingscamera’s van de woning is duidelijk te zien dat [medeverdachte 2] een pakket van behoorlijke omvang bij zich heeft, naar later bleek, bestaande uit een Cobra 8 (circa 22,2 cm lang met een diameter van 4 cm) en twee plastic flessen van anderhalve liter;
Om 2:16:58 uur legt [medeverdachte 2] het pakket tegen de gevel van de woning, steekt het aan en rent om 2:17:05 uur terug richting auto. Ter zitting is aan de hand van de camerabeelden vastgesteld dat vrijwel direct hierna om 2:17:06 uur de dimlichten van de auto weer aangaan en de auto vervolgens de aansnellende [medeverdachte 2] tegemoet rijdt, hem laat instappen en wegrijdt;
Het is een feit van algemene bekendheid dat vuurwerk al dan niet in combinatie met brandbare stoffen de laatste tijd vaak wordt gebruikt om tijdens nachtelijke uren bij woningen tot ontploffing te worden gebracht met als doel de bewoners van die woningen te intimideren en angst aan te jagen.
Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, gaat de rechtbank ervan uit dat het vuurwerkpakket is opgehaald bij een adres in [plaats 2] , waarna verdachte en [medeverdachte 2] verder zijn gereden. Tijdens het besturen van de auto in [plaats 2] en voorafgaand aan het uitstappen van [medeverdachte 2] bij het [adres 2] , moet verdachte het vuurwerkpakket gezien hebben, gelet op de grootte daarvan en het gegeven dat [medeverdachte 2] het bij het uitstappen in handen heeft gehad. Van een tas waarin het vuurwerkpakket voor verdachte steeds was verborgen, is niet gebleken. Verder acht de rechtbank van belang dat verdachte de auto nabij het [adres 2] zodanig had geparkeerd dat hij [medeverdachte 2] kon volgen en meteen kon vertrekken bij terugkomst van [medeverdachte 2] . Dit alles veronderstelt wetenschap bij verdachte van de door [medeverdachte 2] voorgenomen actie.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte bij het vervoeren van [medeverdachte 2] naar de woning aan het [adres 2] 1 op enig moment geweten heeft dat het de bedoeling was om een explosie teweeg te brengen bij de woning, hetgeen tevens een bedreiging vormt met brandstichting ten opzichte van de bewoners van dat pand. Dit maakt dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte medeplichtig is aan beide ten laste gelegde feiten.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 27 september 2023 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen aan een woning gelegen aan het [adres 2] , opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht door een explosieve substantie, te weten een stuk vuurwerk type Cobra 8 met daaraan bevestigd flessen bevattende een brandbare vloeistof, tegen de voorgevel van de voornoemde woning te plaatsen en die vervolgens met vuur in aanraking te brengen en aan te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
- de voornoemde woning, en
- een in de directe nabijheid van die woning geparkeerd staande personenauto met
[kenteken]
te duchten was, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 27 september 2023 te [plaats 2] opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 2] te vervoeren naar de woning gelegen aan het [adres 2] .
2.
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 27 september 2023 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben bedreigd met brandstichting en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van goederen ontstaat door bij die woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een ontploffing teweeg te brengen, waarbij schade aan de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ontstaan, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 27 september 2023 te [plaats 2] opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 2] te vervoeren naar die woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een blanco strafblad, is gestart met het [traject] waarbij hij binnen zes maanden wordt begeleid naar de reguliere arbeidsmarkt, en heeft de zorg voor zijn partner. Daarnaast zit verdachte in een vergevorderd stadium van gendertransitie. Een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit proces onderbreken. Deze persoonlijke omstandigheid maakt ook dat het uitzitten van een gevangenisstraf een zwaardere belasting voor hem vormt dan voor anderen. Verder betreft het een oude zaak. Gelet hierop verzoekt de verdediging om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijk gevangenisstraf of taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte is medeplichtig geweest aan het teweegbrengen van een ontploffing aan de woning aan het [adres 2] en de bedreiging van de bewoners [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Met zijn handelen heeft verdachte meegeholpen aan strafbare feiten die letterlijk in één klap hebben geleid tot een totale ontwrichting van het gezinsleven van [slachtoffer 1] , zijn zwangere vrouw [slachtoffer 2] en hun twee kleine kinderen. In de spreekrechtverklaringen hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op indringende wijze uiteengezet hoe in een paar seconden hun hele leven veranderde tot op de dag van vandaag. De feiten hebben geleid tot gevoelens van angst en machteloosheid, psychische klachten, gedwongen verhuizing, het wegvluchten uit een voor hen en de kinderen vertrouwde omgeving, het moeten opbouwen van een nieuw leven op een geheime locatie en tot spanning binnen de relatie. In de woorden van [slachtoffer 2] : “Wat mij het meest pijn doet, is dat mijn vertrouwen in veiligheid blijvend is beschadigd. Ons huis, een plek die symbool stond voor geborgenheid, werd een plek van angst. Zelfs nu ben ik alerter, voorzichtiger en sneller bang. Dat is niet de normale manier waarop je zou moeten leven. De rust, het vertrouwen en het gevoel dat ik onze kinderen kan beschermen zijn diep en blijvend aangetast.”
Het plegen van aanslagen op woningen met een explosief is in zijn algemeenheid een groot en toenemend maatschappelijk probleem dat aanzienlijke gevoelens van angst, onrust en grote onveiligheid meebrengt, niet alleen voor de bewoners en hun directe omgeving maar voor de hele samenleving. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan. Ernstig in deze zaak is ook dat de aanslag gericht lijkt te zijn op de politie, hoewel er geen aanwijzingen zijn dat verdachte dit wist.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook is de rechtbank op de hoogte van het transitieproces van verdachte, dat zich in een vergevorderd stadium bevindt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor verdachte vanwege zijn gendertransitie niet wenselijk is om gedetineerd te raken, is het de rechtbank niet gebleken dat de detentie onomkeerbare gevolgen voor verdachte zal hebben. Daar komt bij dat, gelet op de ernst van de feiten, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de rol die verdachte bij de aanslag op de woning heeft gehad.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen
[slachtoffer 3]
vordert een schadevergoeding van € 2.271,30 voor feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de explosie mede heeft veroorzaakt. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij als gevolg daarvan te vergoeden.
Autoschade en expertisekosten De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 3] heeft gesteld dat hij een rechtsbijstandverzekering heeft en dat deze verzekeraar de schade als gevolg van de explosie door een expert heeft laten vaststellen, hetgeen op zichzelf niet is weersproken. [slachtoffer 3] heeft een expertiserapport van deze verzekeraar overgelegd waarin de geconstateerde schade globaal is beschreven en de reparatiekosten van deze schade worden begroot op € 2.500,00, terwijl de dagwaarde van de auto is vastgesteld op € 1.400,00. In het licht hiervan is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de schade tevens ziet op beschadigingen die geen gevolg zijn van de explosie. Indien immers al juist is dat de expert bij het begroten van de reparatiekosten ook schade aan de auto heeft genoemd die niet door de explosie is veroorzaakt, dan betekent dit nog niet dat de schade lager is dan het verlies van de waarde van de auto die is begroot op € 1.400,00. De door [slachtoffer 3] gevorderde schade is immers niet begroot op de reparatiekosten maar op het verlies van de waarde van de auto.
Door de verdediging is ook nog aangevoerd dat [slachtoffer 3] zelf heeft gekozen voor slechts een WA-verzekering als gevolg waarvan zijn schade niet door een verzekering is vergoed. Volgens de verdediging kan die schade daarom niet op verdachte worden verhaald.
Dit standpunt is onjuist. Voor zover daarmee is betoogd dat [slachtoffer 3] de schade mede aan zichzelf te wijten heeft omdat hij geen allrisk verzekering heeft gesloten, gaat het betoog uit van de verkeerde veronderstelling dat [slachtoffer 3] zelf de schade heeft veroorzaakt. Van eigen schuld is geen sprake.
De rechtbank begroot de schade die bestaat in het waardeverlies van de auto op € 1.400,00. In zoverre is de vordering toewijsbaar.
De gevorderde expertisekosten zijn eveneens toewijsbaar nu deze zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van de schade en niet zijn betwist.
Buitengerechtelijke kosten
De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn niet toegelicht en in het licht daarvan voldoende gemotiveerd betwist. Hierover is nader debat nodig waartoe dit strafgeding zich niet leent. In zoverre zal [slachtoffer 3] niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
Kosten tijdverlies
Gelet op de door [slachtoffer 3] gegeven toelichting betreft deze schadepost geen immaterieel nadeel, maar een vergoeding van tijd die gemoeid was met onder meer het herstellen van de auto. Voor de verdediging moet dit ook duidelijk zijn geweest. [slachtoffer 3] heeft gesteld dat hij in verband daarmee verlofdagen heeft moeten opnemen, hetgeen door de verdediging niet is weersproken. Evenmin is weersproken dat dit verlof redelijkerwijs gewaardeerd kan worden op € 450,00. De vordering is daarom ook in zoverre toewijsbaar.
Conclusie
Resumerend is de vordering van [slachtoffer 3] toewijsbaar tot een bedrag van € 1.910,00 aan materiële schade, vermeerderd met rente, en zal hij voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk worden verklaard. Dat deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd ten bedrage van € 52.433,06 voor de ten laste gelegde feiten, vermeerderd met proceskosten conform het liquidatietarief en kosten van de medisch adviseur ten bedrage van € 2.641,00. Ter zitting heeft hij de vordering verminderd met een bedrag van € 1.980,00 voor kosten van mantelzorg.
[slachtoffer 1] stelt dat hij de volgende schade heeft geleden:a) kosten hotelovernachting € 100,00b) kosten verbouwing zolder € 1.015,00
c) reparatiekosten bestrating en herplanten prunussen € 600,00
d) kosten tijdelijk verblijf huurwoning € 6.000,00
e) kosten opladen auto € 730,86f) verminderde opbrengst verkoop woning € 11.500,00
g) makelaarskosten verkoop woning € 7.139,00
h) verhuiskosten € 242,00 + € 129,00 + € 134,68 + € 913,55
i. i) verlies arbeidsvermogen € 434,83
j) reiskosten mantelzorgers € 275,22 + € 238,92
k) smartengeld € 21.000,00
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de explosie (mede) heeft veroorzaakt. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Kosten verhuizing
[slachtoffer 1] stelt – kort gezegd – dat hij als gevolg van de bedreiging die uit is gegaan van de explosie en de angst die daaruit is voortgevloeid dat hem of zijn gezin iets zou worden aangedaan, ervoor heeft gekozen om niet terug te keren naar de woning aan het [adres 2] maar naar een andere woning in een andere plaats te verhuizen. De rechtbank oordeelt dit een redelijke keuze zodat ook de daarmee gemaakte kosten in beginsel als redelijke kosten als gevolg van de explosie kunnen worden aangemerkt. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat het niet noodzakelijk of onvermijdelijk was om deze kosten te maken, hanteert de verdediging een onjuiste maatstaf. Voor zover is aangevoerd dat de verhuizing mede een gevolg is van een eerder incident, staat dit er niet aan in de weg dat de verhuizing in causaal verband staat tot de explosie. Het gezin is immers na het eerdere incident niet verhuisd. De als gevolg van de verhuizing gemaakte kosten zijn redelijkerwijs als gevolg van de explosie toe te rekenen.
Dat [slachtoffer 1] de gestelde kosten voor de tijdelijke huurwoning heeft gemaakt, is niet weersproken, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Het is evident dat er met de verkoop van de woning en het zoeken van een nieuwe woning enige tijd gemoeid is geweest. Een periode van drie maanden daarvoor is alleszins redelijk. Voor zover de verdediging zich beroept op de schadebeperkingsplicht van de benadeelden, is dit niet toegelicht, zodat de rechtbank aan dat beroep voorbijgaat. Voor zover daarmee is bedoeld dat de huurperiode onredelijk lang is geweest, wordt dit verweer verworpen. De vordering die ziet op de huurkosten van de woning is toewijsbaar.
[slachtoffer 1] heeft gesteld dat de ouders voor het incident twee dagen op hun kinderen pasten en dat deze na het incident meer reiskosten hebben gemaakt om op te passen omdat zij naar de verder weg gelegen huurwoning dienden te reizen. Hij stelt dat hij die kosten heeft vergoed. Een en ander is niet weersproken. De vordering is ook in zoverre toewijsbaar.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, was het een redelijke beslissing om de woning te verkopen. De daarmee gemoeide makelaarskosten zijn redelijke kosten als gevolg daarvan. Deze zijn in de overgelegde overeenkomst genoemd en in het licht daarvan onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de vordering daarom ook in zoverre toewijzen.
De gestelde verhuiskosten (huur en brandstof voor twee bakwagens ten behoeve van de opslag en verhuizing van goederen) zijn voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist. De vordering is ook in zoverre toewijsbaar.
Voor zover de vordering ziet op schade als gevolg van een verminderde opbrengst van de woning, zal [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Uit de WOZ-waarde kan die verminderde opbrengst niet zonder meer worden afgeleid. Daarnaast blijkt uit de overeenkomst met de makelaar dat de verkoopwaarde van de woning is bepaald op € 575.000,00 terwijl de woning voor een hoger bedrag is verkocht. Mede in het licht daarvan, is door de verdediging voldoende gemotiveerd betwist dat [slachtoffer 1] de gestelde schade heeft geleden. Ter beoordeling van dit deel van de vordering is nader debat nodig en eventuele bewijsvoering waarvoor dit strafgeding zich niet leent. Dit deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hetzelfde geldt voor de vordering die ziet op de kosten van de verbouwing die, zo begrijpt de rechtbank, zonder nut zijn gemaakt. Onduidelijk is of en zo ja welke toevoegingen aan de zolder zijn aangebracht, waardoor onduidelijk is of door de verbouwing enige waarde aan de woning is toegevoegd.
Eveneens geldt dit voor de vordering die ziet op de extra kosten voor het opladen van de auto’s. Volgens [slachtoffer 1] werden de auto’s voor de explosie gratis opgeladen met behulp van zonne-energie. De verdediging heeft betwist dat er zonnepanelen aanwezig waren en dat die in de relevante maanden voor gratis energie hadden gezorgd. Ook voor dit deel van de vordering is een nader debat en toelichting vereist waarvoor dit strafgeding zich niet leent.
Hotelkosten
[slachtoffer 1] stelt dat hij na de explosie met zijn gezin in een hotel heeft overnacht. De gestelde kosten van de hotelovernachting zijn onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de vordering in zoverre dient te worden toegewezen.
Herstelkosten bestrating en beplanting
[slachtoffer 1] stelt dat de bestrating als gevolg van de explosie is beschadigd en dat een deel van de beplanting vlam had gevat. Dat [slachtoffer 1] kosten heeft gemaakt voor het herstel van deze schade is onderbouwd met stukken en in het licht daarvan onvoldoende weersproken. De vordering zal in zoverre worden toegewezen.
Verlies arbeidsvermogen
[slachtoffer 1] stelt dat hij – kort gezegd – als gevolg van de explosie enige tijd arbeidsongeschikt is geweest en dat hij enige tijd geen nachtdiensten heeft gedraaid omdat zijn vrouw ’s nachts niet alleen thuis durfde te zijn. Hij stelt dat hij daardoor inkomsten heeft gederfd, hetgeen door de verdediging niet is weersproken. De vordering zal ook in zoverre worden toegewezen.
Kosten medisch adviseur (materiële schade)
De gevorderde kosten voor de medisch adviseur zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW. Gelet op de onderbouwing door de benadeelde partij heeft de verdediging deze kosten onvoldoende gemotiveerd betwist. In de gegeven omstandigheden is het redelijk dat die kosten zijn gemaakt. Ook zijn de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk. De rechtbank zal het gevorderde bedrag € 2.641,- toewijzen.
Immateriële schade
[slachtoffer 1] heeft een immateriële schadevergoeding van € 21.000,- gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van informatie afkomstig van een psychiater of psycholoog.
Voor het vaststellen van de omvang van de gestelde schade moet onder meer worden gekeken naar de aard en ernst van het feit, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen voor de benadeelde partij.
Uit de toelichting op de vordering blijkt dat bij de benadeelde een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en dat hij hiervoor therapie heeft gehad. De behandelingen zijn inmiddels succesvol afgerond, maar de gebeurtenis heeft een blijvende impact op benadeelde. Hij ervaart nog altijd gevoelens van onveiligheid, Hij en zijn gezin hebben hun vertrouwde leefomgeving verlaten en een nieuwe woning gekocht in een andere plaats. Omdat het nieuwe adres geheim diende te blijven, heeft hij de banden met zijn sociale netwerk, afgezien van het contact met zijn (schoon)ouders, verbroken.
De hiervoor genoemde toelichting is door de verdediging niet weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Gezien de normschending en de gestelde en niet weersproken gevolgen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 BW. Dit betekent dat sprake is van een geval waarin recht bestaat op vergoeding van immateriële schade.
Bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. De rechtbank neemt de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie als uitgangspunt. Bij benadeelde is sprake van een posttraumatische stressstoornis, zodat de rechtbank aansluiting zoekt bij deel B, onderdeel 14.2 Posttraumatische stressstoornis. Aangezien er sprake is van een succesvolle behandeling gaat de rechtbank uit van categorie d. De rechtbank ziet geen aanleiding om op basis van de aanbevelingen van de rechtspraak procentueel te verhogen aangezien dit uitsluitend van toepassing is op de categorieën a en b. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en met name de ingrijpende en niet bestreden gevolgen voor de benadeelde partij, ziet de rechtbank wel aanleiding om een bedrag boven het indicatieve smartengeldbedrag van categorie d toe te kennen. De rechtbank begroot het smartengeld naar billijkheid op € 7.500,-. Voor het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Proceskosten
Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor de proceskosten dient dezelfde maatstaf te worden gehanteerd als in civiele procedures. Bij het vaststellen van kosten voor rechtsbijstand wordt dan ook in beginsel uitgegaan van het liquidatietarief kantonzaken. De rechtbank ziet gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden in verband met de in de onderhavige zaak ingediende vordering geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken. De rechtbank zal de proceskosten dan ook toewijzen volgens het liquidatietarief. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat er werkzaamheden zijn verricht voor het opstellen van de vordering, het bijwonen van de zitting en de toelichting ter zitting. De rechtbank zal deze werkzaamheden waarderen op 2 punten, met het geldende liquidatietarief van € 543,- per punt. De rechtbank zal een bedrag van € 1.086,- toewijzen.
Conclusie
Resumerend zal de vordering van [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 26.348,20 worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, en zal hij voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Dat deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[slachtoffer 2]
Kosten medisch adviseur (materiële schade)
De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor kosten van de medisch adviseur ten bedrage van € 1.045,44. Ter zitting heeft de benadeelde partij toegelicht dat de vordering ziet op haar kosten en niet op de kosten van haar dochter. De vordering wordt beperkt tot een bedrag van € 508,20.
De rechtbank verwijst naar hetgeen zij omtrent deze kosten hiervoor bij de vordering van [slachtoffer 1] heeft overwogen. De rechtbank zal een bedrag tot € 508,20 toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding van € 18.750,- gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.
De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor bij de vordering van [slachtoffer 1] in het algemeen over het recht op vergoeding van immaterieel nadeel heeft overwogen.
Uit de vordering blijkt dat bij de benadeelde een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en dat zij hiervoor therapie heeft gehad. De behandelingen zijn inmiddels succesvol afgerond, maar de gebeurtenis heeft een blijvende impact op benadeelde. Zij ervaart nog altijd gevoelens van onveiligheid en heeft haar vertrouwde omgeving moeten verlaten en de banden met haar netwerk, afgezien van die met haar (schoon)ouders, moeten verbreken.
De aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor [slachtoffer 2] zijn vergelijkbaar met die van [slachtoffer 1] . De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor bij de vordering van [slachtoffer 1] heeft overwogen en begroot het smartengeld naar billijkheid op € 7.500,00. [slachtoffer 2] zal voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dat deel kan desgewenst worden gevorderd bij de burgerlijke rechter.
Proceskosten
De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor over de proceskostenvergoeding heeft overwogen. Uit vordering van de benadeelde partij blijkt dat er werkzaamheden zijn verricht voor het opstellen van de vordering, het bijwonen van de zitting en de toelichting ter zitting. De rechtbank zal deze werkzaamheden waarderen op 2 punten, met het gelet op het toegewezen bedrag geldende liquidatietarief van € 360,- per punt. De rechtbank zal een bedrag van € 720,- toewijzen.
Conclusie
Resumerend zal de vordering van [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 8.008,20 worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, en zal zij voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dat deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hoofdelijkheid, wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vorderingen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 27 september 2023.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 48, 49, 55, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de primair onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
eendaadse samenloop van
feit 1: medeplichtigheid aan opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
feit 2: medeplichtigheid aan bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar goederen ontstaat
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
T.a.v. feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 1.910,-, aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 3] , € 1.910,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 19 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
T.a.v. feit 1 en 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 26.348,20, waarvan € 18.848,20 aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1086,-;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] , € 26.348,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 259 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 8.008,20, waarvan € 508,20 aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 720,-;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2] , € 8.008,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 september 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 80 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. L.W. Louwerse en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 30 maart 2026.
De oudste rechter is buiten staat te tekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
Hij op of omstreeks 271 september 2023 te [plaats 2] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in/aan een woning gelegen aan het [adres 2] ,
opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door
een explosieve substantie, te weten een stuk vuurwerk type Cobra 8, in elk geval
(knal)vuurwerk
met daaraan bevestigd een of meer flessen bevattende een brandbare vloeistof,
tegen, althans ter hoogte van de voorgevel van de voornoemde woning te plaatsen
en die vervolgens met vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
- de voornoemde woning, en
- een in de directe nabijheid van die woning geparkeerd staande personenauto met
[kenteken]
te duchten was.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] op of omstreeks 27 september 2023 te [plaats 2] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in/aan een woning gelegen aan het [adres 2] ,
opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht door
een explosieve substantie, te weten een stuk vuurwerk type Cobra 8, in elk geval
(knal)vuurwerk
met daaraan bevestigd een of meer flessen bevattende een brandbare vloeistof,
tegen, althans ter hoogte van de voorgevel van de voornoemde woning te plaatsen
en die vervolgens met vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken ter hoogte
van de voorgevel van de voornoemde woning,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
- de voornoemde woning, en
- een in de directe nabijheid van die woning geparkeerd staande personenauto met
[kenteken]
te duchten was,
Bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 27 september 2023 te [plaats 2] en/of
[plaats 1] opzettelijk behulpzaam is geweest door
die [medeverdachte 2] op te halen en/of vervolgens te vervoeren naar de woning gelegen aan
het [adres 2] .
2
Hij op of omstreeks 27 september 2023 te [plaats 2] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling en/of
brandstichting en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid
van personen of goederen ontstaat
door bij de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een ontploffing teweeg te
brengen, waarbij schade aan de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ontstaan.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] op of omstreeks 27 september 2023 te [plaats 2] ,
Tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft/hebben bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling en/of
brandstichting en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid
van personen of goederen ontstaat
door bij die woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een ontploffing teweeg te
brengen,
waarbij schade aan de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ontstaan,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 27 september 2023 te [plaats 2] en/of
[plaats 1] opzettelijk behulpzaam is geweest door
die [medeverdachte 2] op te halen en/of vervolgens te vervoeren naar die woning van die [slachtoffer 1]
en [slachtoffer 2] .