ECLI:NL:RBZWB:2026:2387

ECLI:NL:RBZWB:2026:2387

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 31-03-2026
Zaaknummer 02-060651-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling tot gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor ontucht en aanranding van de minderjarige stiefdochter van verdachte.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-060651-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 31 maart 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1975,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

raadsvrouw mr. C.R. Pirone, advocaat te Rijen.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: in de periode van [datum] 2019 tot en met 30 juni 2024 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind [slachtoffer] ;feit 2: zijn stiefkind [slachtoffer] (in de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaren) in de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 november 2024 heeft aangerand.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De aangifte is betrouwbaar en deze vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat slechts bewezen kan worden verklaard het tongzoenen (één keer) en het laten aftrekken, waarbij verdachte de onderbuik van aangeefster heeft aangeraakt. Ten aanzien van de overige handelingen dient verdachte te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Wetswijziging per 1 juli 2024

De verdenking omvat handelingen gepleegd in de periode van [datum] 2019 tot en met 30 november 2024. Binnen deze periode is de wet met betrekking tot seksuele misdrijven gewijzigd, namelijk op 1 juli 2024. Het Openbaar Ministerie heeft er daarom voor gekozen om de handelingen die verdachte worden verweten in twee afzonderlijke feiten ten laste te leggen.

Het juridisch kader

In zedenzaken doet zich vaak de situatie voor dat bij het incident maar twee personen aanwezig waren, namelijk de aangever en de verdachte. Veelal staat de beschuldigende verklaring van de aangever tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte. Rechtstreekse getuigen van de gebeurtenissen zijn er vaak niet. Wanneer de verdachte ontkent, is er maar één getuige van de relevante handelingen zelf, namelijk de aangever.

In artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat de rechter het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan baseren op de verklaring van één getuige. Ook als die verklaring betrouwbaar wordt geacht, is die enkele verklaring onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Er moet dus meer bewijs zijn; iets dat die verklaring ondersteunt. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de belastende verklaring worden genoemd ondersteuning vindt in één of meer bewijsmiddelen. Het ondersteunende bewijsmateriaal mag niet in een te ver verwijderd verband staan met de verklaring van de aangever en moet bovendien uit een andere bron komen.

Aangeefster heeft verklaard over een incident toen zij twaalf of dertien jaar oud was, waarbij zij onder andere verdachte heeft afgetrokken en hij aan haar vagina heeft gezeten. Ook heeft zij, terwijl zij op hem zat, met haar onderlichaam over de schaamstreek van verdachte moeten bewegen. In diezelfde periode heeft het aftrekken nogmaals plaatsgevonden waarbij verdachte over haar clitoris heeft gewreven. Daarnaast heeft hij haar veelvuldig aangeraakt aan haar borsten en billen en hebben zij meerdere malen getongzoend. De laatste keer was op 30 november 2024. Ook verdachte heeft over het eerste incident verklaard, in die zin dat alleen het aftrekken heeft plaatsgevonden, waarbij hij over de onderbuik van aangeefster heeft gewreven. Aangeefster was toen vijftien jaar oud. Ook de tongzoen van 30 november 2024 heeft verdachte erkend. De overige gestelde handelingen en gedragingen heeft hij betwist.

Betrouwbaarheid aangifte

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar. Aangeefster heeft in zowel het informatieve gesprek als in de aangifte consistent verklaard over de incidenten en daarbij steeds dezelfde specifieke details benoemd. Ook schuwt zij niet te benoemen dat bepaalde handelingen bij hen allebei een fysieke reactie teweegbrachten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het initiatief om over het misbruik te praten niet van aangeefster kwam, maar is ontstaan doordat [getuige] , kennelijk naar aanleiding van bepaald gedrag van verdachte de avond ervoor, haar de vraag heeft gesteld of verdachte wel eens de grens bij haar is overgegaan. Daarop heeft aangeefster geëmotioneerd verteld wat er tussen haar en haar stiefvader was voorgevallen. Aangeefster heeft tegenover deze getuige dezelfde incidenten benoemd als in de aangifte en het informatieve gesprek. Bovendien heeft verdachte uiteindelijk een gedeelte van het verhaal van aangeefster bevestigd door te bekennen dat er op twee momenten seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Dit alles maakt dat de rechtbank geen reden heeft om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen. De rechtbank zal de aangifte dan ook als bewijsmiddel gebruiken.

Steunbewijs

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster in de aangifte ook wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Immers heeft verdachte bij de politie en ter zitting een aantal handelingen bekend. Ook bevat het dossier whatsappberichten van verdachte die hij na de confrontatie met het vermeende misbruik naar aangeefster en haar moeder heeft gestuurd, waarin hij toegeeft dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en aangeeft dat hij fout zat en spijt heeft. Het verweer van verdachte dat aangeefster het verhaal zou hebben verzonnen, omdat ze dan geld zou krijgen van verdachte, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig.

Conclusie

Alles in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde ontuchtige handelingen (feit 1) en aanranding (feit 2) gepleegd bij/met zijn minderjarige stiefdochter.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1in de periode van [datum] 2019 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2007, door telkens- die [slachtoffer] te tongzoenen en/of- met diens, verdachtes, schaamstreek (terwijl hij zijn kleren aan had) heen en weer te bewegen tegen de schaamstreek van die [slachtoffer] en/of- de borsten en/of billen en/of vagina van die [slachtoffer] te betasten en/of- het (laten) vasthouden en aftrekken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .

2in de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 november 2024 te [plaats] , met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten telkens- die [slachtoffer] te tongzoenen en/of- de borsten en/of billen van die [slachtoffer] te betasten terwijl dit feit werd begaan jegens een kind dat werd verzorgd of opgevoed als behorend tot het gezin van verdachte.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast vordert hij een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van 2 jaar, met bepaling dat per overtreding van deze maatregel 1 week hechtenis wordt toegepast, met een maximum van 6 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit te volstaan met een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is bereid zich aan eventuele voorwaarden te houden.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een zeer lange periode schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn stiefdochter, door met haar te tongzoenen, haar borsten, billen en vagina te betasten, over haar schaamstreek te wrijven, door zich door haar te laten aftrekken en door haar op zijn schaamstreek op en neer te laten bewegen. Het slachtoffer was ten tijde van de eerste handelingen pas twaalf of dertien jaar oud en de ontucht duurde jarenlang voort, tot haar zeventiende jaar. Door zo te handelen heeft verdachte ernstig misbruik gemaakt op de lichamelijke, psychische en seksuele integriteit van het slachtoffer. Het misbruik heeft plaatsgevonden in het huis waar zij als gezin woonden en waar het slachtoffer zich veilig moest kunnen voelen. Verdachte was haar stiefouder en fungeerde als een vaderfiguur voor haar. Verdachte heeft het vertrouwen van het slachtoffer ernstig geschaad, en door slechts zeer beperkt toe te geven wat er aan seksuele handelingen is voorgevallen, heeft hij niet of nauwelijks verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Van dergelijke strafbare feiten is bekend dat deze grote lichamelijke en psychische gevolgen hebben voor slachtoffers in het algemeen, maar ook voor het slachtoffer in het bijzonder, zoals blijkt uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding en de spreekrechtverklaring ter zitting. Het slachtoffer volgt tot op de dag van vandaag therapie om het misbruik te kunnen verwerken.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 29 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden is veroordeeld voor een andersoortig feit.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 2 maart 2026. Daaruit komt naar voren dat het erop lijkt dat verdachte gedeeltelijk bekent, zijn zelfbeheersing ten tijde van de feiten had verloren en hij niet in staat was zijn eigen gedragingen en handelingen te corrigeren. Voor een behandelaanbod van Fivoor was verdachte niet gemotiveerd, zodat dat niet heeft plaatsgevonden. De praktische leefgebieden van verdachte zijn stabiel. De reclassering schat de risico’s in als laag en adviseert primair een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, eventueel met daarbij een contactverbod met het slachtoffer. Subsidiair adviseert de reclassering een straf met bijzondere voorwaarden, waaronder de meldplicht, een ambulante behandeling en een contactverbod.

Strafoplegging

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de lange pleegperiode en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van substantiële duur. De rechtbank realiseert zich dat dit forse consequenties kan hebben voor verdachte, waaronder het mogelijke verlies van zijn baan en woning. Met een andere, lichtere straf kan evenwel niet worden volstaan. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel op zijn plaats, enerzijds om de ernst van het feit te benadrukken, anderzijds om als stok achter de deur te fungeren. Hoewel sprake is van een laag recidiverisico, is voor de rechtbank namelijk onduidelijk gebleven wat verdachte heeft bewogen om deze feiten te plegen. Voor het opleggen van een contactverbod ex artikel 38v Sr ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat niet is gebleken dat verdachte na het plegen van de feiten nog contact heeft gezocht met het slachtoffer.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

7. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 60.940,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2024, voor feiten 1 en 2.

Reis- en parkeerkosten en eigen risico 2025

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schade met betrekking tot de reis- en parkeerkosten en het eigen risico van 2025 acht de rechtbank toewijsbaar. Deze schade is voldoende onderbouwd, door de verdediging niet betwist en een rechtstreeks gevolg van de strafbare feiten. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.

Collegegeld en studievertraging

Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor het collegegeld en de studievertraging is de rechtbank van oordeel dat de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, mede gelet op de betwisting daarvan door verdachte. De overgelegde e-mails over de oorzaak en het tijdstip van de vertraging roepen vragen op, die nader onderzoek vergen, waarvoor de strafzaak zich niet leent. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert daarom naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toekomstige schade (eigen risico 2026 en overige reiskosten 2026)

De gevorderde vergoeding voor nader te onderbouwen schade betreft schade die nog niet is gevorderd, dan wel niet bekend is, dan wel toekomstig is. Dit deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW aan de orde als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is.

Anders dan door de benadeelde partij is gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat daadwerkelijk de diagnose PTSS is gesteld als direct gevolg van het strafbare handelen van verdachte. De rechtbank ziet daarom aanleiding om aan te sluiten bij ‘Seksuele misdrijven’ zoals opgenomen in hoofdstuk 15 van de Rotterdamse Schaal, en wel bij aanranding, categorie (a) meest ernstig, waarbij gemiddeld genomen een schadebedrag van € 5.000,- en € 6.500,- wordt toegekend. De rechtbank acht een bedrag van € 5.000,- billijk. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Mogelijk toekomstige immateriële schade in het kader van hoger beroep

Zoals al is overwogen ten aanzien van het eigen risico in 2026 en de reiskosten in 2026 betreft dit schade die nog niet is gevorderd, dan wel niet bekend is, dan wel toekomstig is in verband met een eventuele procedure in hoger beroep. Dit deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ook zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het einde van de ten laste gelegde periode, te weten 30 november 2024.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert

feit 1: ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd;

feit 2: aanranding in de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaren, begaan jegens een kind dat wordt verzorgd of opgevoed als behorend tot het gezin van diegene, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

T.a.v. feiten 1 en 2

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.480,78, waarvan € 480,78 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 november 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 5.480,78 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 november 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 52 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, en mr. E.G.F. Vliegenberg en mr. C.R.R. Loeve, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 maart 2026.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1hij in of omstreeks de periode van [datum] 2019 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2007, door telkens- die [slachtoffer] te (tong)zoenen en/of- met diens, verdachtes, schaamstreek (terwijl hij zijn kleren aan had) heen en weer te bewegen tegen de schaamstreek, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of- de borsten en/of billen en/of vagina van die [slachtoffer] te betasten en/of- het (laten) vasthouden en/of aftrekken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] ( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 november 2024 te [plaats] , althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten telkens- die [slachtoffer] te (tong)zoenen en/of- met diens, verdachtes, schaamstreek (terwijl hij zijn kleren aan had) heen en weer te bewegen tegen de schaamstreek, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of- de borsten en/of billen en/of vagina van die [slachtoffer] te betasten en/of- het (laten) vasthouden en/of aftrekken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer]terwijl dit feit werd begaan jegens verdachtes kind, een kind dat werd verzorgd of opgevoed als behorend tot het gezin van verdachte, een kind waarover verdachte het gezag uitoefende en/of een anderszins aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van verdachte toevertrouwd kind en/of een aan verdachte ondergeschikt kind ( art 245 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.G.F. Vliegenberg
  • mr. C.R.R. Loeve

Griffier

  • mr. D.W. Schalk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?