Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-277486-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 1 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1992,
thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
raadsvrouw mr. E.V.W. Buijsen, advocaat te Goes.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. E. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 18 oktober 2025 in [plaats] :
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 acht zij het primair tenlastegelegde bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat verdachte de tenlastegelegde gedragingen steeds heeft ontkend. Indien de rechtbank deze gedragingen wel bewezen acht, dan biedt het dossier onvoldoende inzicht in de kracht, de duur en de intensiteit van de wurging, zodat niet kan worden beoordeeld of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood, dan wel op zwaar lichamelijk letsel. Om die reden is vrijspraak bepleit van dit feit.
Ten aanzien van feit 3 is naar voren gebracht dat verdachte geen besluit kon nemen over het meewerken aan het gevraagde onderzoek, omdat hij nog in een shocktoestand was na het ongeval en niet helder na kon denken. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van dit feit.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van feit 1
- Ten laste gelegde handelingen
Bij het voorval zoals door aangeefster omschreven waren alleen aangeefster en verdachte aanwezig en hun verklaringen over wat er is gebeurd staan recht tegenover elkaar.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de medische informatie van de forensisch arts van de GGD en door de foto’s van het letsel aan de hals van aangeefster. Die verklaring wordt verder ondersteund door de inhoud van de melding door de politie aan Veilig Thuis over de situatie ter plaatse. Door de politie is in de melding opgenomen dat duidelijk te zien was dat aangeefster bij haar nek was gegrepen, gezien alle strepen en krassen die bij de nek zichtbaar waren. Ook was zij aan het hoesten en deed slikken zichtbaar pijn, aldus de politie in de melding. Verder heeft [getuige] , de moeder van aangeefster, verklaard dat zij werd gebeld door haar kleindochter die op dat moment op de bovenverdieping van de woning van aangeefster was. In het telefoongesprek zei haar kleindochter dat verdachte in de woning was, dat ze eerst geschreeuw hoorde en dat het daarna stil was. Getuige heeft toen om 08:24 uur 112 gebeld. Enkele minuten later stuurde haar kleindochter haar het volgende sms-bericht: ‘hij heeft haar keel dichtgeknepen’. De verklaring van deze getuige en de onderzoeksgegevens uit de telefoon van de getuige passen bij de gang van zaken zoals door aangeefster verklaard.
Daar tegenover staan de zeer inconsistente verklaringen van verdachte over het voorval, die bovendien niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier.
Gelet op het voorgaande bevat het dossier niet alleen wettig bewijs dat verdachte de keel van aangeefster heeft gepakt en heeft dichtgeknepen, maar heeft de rechtbank ook de overtuiging dat verdachte dat heeft gedaan.
- Opzet
Omdat verdachte de handelingen heeft ontkend kunnen bij de beoordeling of verdachte opzet had op de dood van aangeefster alleen worden betrokken de verklaringen van aangeefster en de medische informatie over het bij haar geconstateerde letsel kort na het voorval. Daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte de bedoeling had (vol opzet) om aangeefster te doden of haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Voor de beoordeling of sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood dient allereerst vastgesteld te worden of er door de handelingen een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Daarbij is met name van belang hoe lang de keel is dichtgedrukt en met hoeveel kracht. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar keel met twee handen pakte en dat hij kracht uitoefende op haar keel. Ze kon geen adem meer halen. Ze kreeg het benauwd en ze zag het zwart worden voor haar ogen, maar ze is het bewustzijn niet verloren. Verder is bij aangeefster letsel geconstateerd aan haar keel en deed slikken na het voorval pijn. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte met aanzienlijke kracht de keel van aangeefster moet hebben dichtgedrukt. Over de duur van het dichtdrukken van de keel heeft zij echter niet verklaard. Ondanks de kennelijke kracht van het dichtdrukken, kan zonder een indicatie van de duur ervan niet zonder meer worden geoordeeld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Gelet echter op de kracht waarmee verdachte de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen en de omstandigheid dat aangeefster het benauwd kreeg en het zwart werd voor haar ogen is de rechtbank van oordeel dat er wel een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de hals en nek een kwetsbaar deel van het lichaam is. Zo kan er door het met kracht dichtdrukken van de keel schade ontstaan aan de bloedvaten in de nek of hersenletsel door zuurstofgebrek. Door tot twee keer toe de keel van aangeefster met kracht dicht te drukken heeft verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanvaard, zodat de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht.
Ten aanzien van feit 3
Ook ten aanzien van dit feit heeft verdachte inconsistent verklaard. Zo heeft hij tegenover de politie en tijdens zittingen in totaal drie redenen opgegeven waarom hij niet heeft voldaan aan het bevel tot het meewerken aan een bloedonderzoek, te weten dat hij niet kon beslissen omdat hij door het ongeval in een shocktoestand verkeerde, dat hij niet wist dat het strafbaar was om het bevel niet op te volgen en dat hij niet meewerkte omdat hij de politie niet vertrouwde.
Het dossier bevat door verbalisanten opgemaakte processen-verbaal over de gang van zaken waaruit naar voren komt dat verdachte om 08:43 uur is aangehouden in Wolphaartsdijk, nadat hij na de achtervolging door de politie met zijn auto in een sloot terecht was gekomen. Hij is daarna naar het ziekenhuis gebracht. Omdat een speekseltest een indicatie gaf voor het gebruik van cannabis of THC is aan verdachte om 11:35 uur, dus ongeveer drie uur na zijn aanhouding, door de hulpofficier van justitie, het bevel gegeven om zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Nadat hij dit weigerde is verdachte met behulp van een tolk in de Spaanse taal uitgelegd wat de consequenties waren van het weigeren te voldoen aan het bedoelde bevel. Hij bleef daarna bij zijn weigering.
Gelet op het tijdsverloop tussen het ongeval en het geven van het bevel acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte op het moment van het bevel nog in een shocktoestand verkeerde als gevolg van het ongeval, als van zo’n shocktoestand al sprake is geweest. Het dossier biedt daar immers geen aanknopingspunten voor. Gelet op de stukken in het dossier is evenmin aannemelijk dat verdachte niet begreep wat de gevolgen van het weigeren waren. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1. subsidiairop 18 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Goester uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ander, te weten [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengendie [slachtoffer] bij de keel heeft vast gepakt en de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2op 18 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Goes en Wilhelminadorp, gemeente Goes, althans in Nederlandals bestuurder van een voertuig (BMW, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende opde [wegen] [wegen] , zichopzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werdengeschonden door- met een hogere snelheid dan de toen aldaar ( [weg] ) toegestanemaximumsnelheid van 60 kilometer per uur te rijden,- met hoge snelheid andere voertuigen en/of weggebruikers inhaalde,- geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een verbod inhoudt, immers is hij,verdachte, niet gestopt voor een voor hem, verdachtes, rijrichting bestemddriekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde,- (telkens) met een hogere snelheid dan ter plaatse (telkens) verantwoord was terijden,door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaarlichamelijk letsel voor anderente duchten was.
3op 18 oktober 2025 te gemeente Goes, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto ( [kenteken] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen voor feit 1 primair, 2 en 3 een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Zij vordert tevens dat de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven omdat uit informatie van de reclassering naar voren komt dat verdachte zich niet aan één van de bijzondere voorwaarden bij die schorsing heeft gehouden. Hij moest immers meewerken aan behandeling en dat heeft hij niet gedaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijk strafdeel, waarbij de bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld, zoals geadviseerd door de reclassering met uitzondering van behandeling.
Verder is verdachte al ongeveer vijf maanden zijn rijbewijs kwijt. De verdediging bepleit om daarnaast alleen nog een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
- De ernst van de feiten
Verdachte en aangeefster hebben een relatie gehad die enkele dagen vóór 18 oktober 2025 door aangeefster is beëindigd. Verdachte is op 18 oktober 2025, als het slotstuk van vervelend en grensoverschrijdend gedrag richting aangeefster in de dagen daarvoor, zonder een afspraak vroeg in de ochtend naar de woning van aangeefster gegaan. Tegen haar wil en gemaakte afspraken in, en onder invloed van softdrugs is hij de woning van aangeefster ingegaan. Hij heeft haar daar vanaf achteren aangevallen. Hij heeft haar daarna twee keer met beide handen bij de keel gepakt en heeft daar hard in geknepen. Terwijl dit gaande was, waren de kinderen van aangeefster op de bovenverdieping van de woning en hoorden geschreeuw. Zij waren bang en durfden niet te gaan kijken. Eén van de kinderen heeft daarom haar oma, de moeder van aangeefster, gebeld die op haar beurt 112 heeft gebeld.
De verdachte heeft door zijn handelen een vergaande inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van de aangeefster. Het handelen van de verdachte heeft grote impact op haar gehad, zo blijkt ook uit de door haar overgelegde schriftelijke slachtofferverklaring. Hij heeft met zijn handelen gevoelens van angst en onveiligheid bij haar veroorzaakt en versterkt. Ook moeten het beangstigende momenten zijn geweest voor de kinderen van aangeefster. De rechtbank neemt het verdachte daarnaast zeer kwalijk dat hij op geen enkel moment ook maar enige verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. In plaats daarvan heeft hij volhard in het afleggen van steeds wisselende en daarmee steeds onaannemelijker wordende verklaringen.
Vervolgens is verdachte op de vlucht geslagen en heeft de politie hem achtervolgd. Verdachte heeft daarbij zo gevaarlijk gereden dat daardoor zeer ernstig gevaar voor medeweggebruikers ontstond. Met zijn rijgedrag heeft verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en onaanvaardbare risico’s genomen, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor zijn medeweggebruikers. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Na zijn aanhouding heeft hij het bevel tot het meewerken aan een bloedonderzoek niet opgevolgd.
- Persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte komt naar voren dat hij één keer eerder met justitie in aanraking is gekomen, namelijk in 2025 wegens een licht geweldsdelict.
In het adviesrapport van 27 januari 2026 heeft Reclassering Nederland onder meer naar voren gebracht dat vanwege de proceshouding van verdachte geen inschatting gemaakt kan worden van het recidiverisico. Ook kunnen geen conclusies getrokken worden over het psychosociaal functioneren en de houding van verdachte. Met het oog op risicobeperking en slachtofferbescherming acht de reclassering een contact- en locatieverbod geïndiceerd.
Het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst met ingang van
29 januari 2026, waarbij door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zijn gesteld. De reclassering heeft na deze schorsing en in de aanloop naar de inhoudelijke behandeling van de strafzaak geen voortgangsrapport opgesteld. Wel is door de toezichthouder op 18 maart 2026 een e-mailbericht gestuurd over de stand van zaken. Hierin heeft de toezichthouder naar voren gebracht dat het advies van 27 januari 2026 nog actueel is. Verder komt uit het e-mailbericht naar voren dat verdachte zijn verblijfplaats is kwijtgeraakt, terwijl onduidelijk blijft hoe dat zo is gekomen. Verder wordt zorgelijk gedrag gezien, dat de reclassering wil blijven monitoren. Verdachte is aangemeld voor een behandeling bij een instelling, maar is daar afgewezen omdat hij geen noodzaak ziet tot gedragsverandering en omdat hij alles buiten zichzelf legt en op geen enkel vlak reflectie heeft laten zien. Op basis van het e-mailbericht blijft het voor de rechtbank onduidelijk of er een diagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden, zoals was opgenomen in de bijzondere voorwaarden, en daarmee eveneens of daaruit naar voren is gekomen dat behandeling geïndiceerd is.
- Strafoplegging
Gelet op de ernst van met name de feiten 1 en 2 is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andersoortige straf dan een gevangenisstraf. Omdat de rechtbank ten aanzien van feit 1 uitgaat van een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan gevorderd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, zoals door de verdediging bepleit, doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.
Gelet op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd acht de rechtbank een gevangenisstraf van 9 maanden passend en geboden. De tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
- Maatregeloverwegingen
Vanwege de ernst van feit 1 acht de rechtbank het noodzakelijk dat er ten aanzien van aangeefster beschermingsmaatregelen worden getroffen, maar de rechtbank zal dat niet doen in de vorm van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Overtreding van een dergelijke voorwaarde kan tot gevolg hebben dat het voorwaardelijke strafdeel ten uitvoer wordt gelegd, waardoor er dan geen bijzondere voorwaarden meer in stand blijven die verdachte moet naleven. De rechtbank zal daarom een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen aan verdachte. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van deze maatregel ter voorkoming van strafbare feiten door verdachte passend en geboden is. De maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat verdachte op geen enkele wijze direct of indirect contact zal hebben met het slachtoffer [slachtoffer] en dat hij zich niet zal begeven in de woonplaats van het slachtoffer, te weten [plaats] . De rechtbank zal de maatregel opleggen voor de duur van 3 jaren. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
- Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op de aard en de ernst van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit kan plegen of zich belastend kan gedragen jegens [slachtoffer] . Om die reden zal de rechtbank de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren.
- Vordering tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft deze vordering reeds ter zitting afgewezen, omdat niet is gebleken dat verdachte één van de bij de schorsing opgelegde bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
- Ontzegging van de rijbevoegdheid
In verband met de ernst van het bewezenverklaarde onder feit 2 is de rechtbank van oordeel dat ter bescherming van de verkeersveiligheid een rijontzegging van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden is.
7. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van feit 1
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 15.652,51 voor feit 1, te weten € 10.652,51 voor geleden materiële schade en € 5.000,- voor geleden immateriële schade.
De verdediging heeft de vordering betwist op de volgende onderdelen:
-Materiële schade:
-Immateriële schade:
primair is aangevoerd dat deze schade onvoldoende is onderbouwd wegens het ontbreken van een diagnose. Subsidiair is verzocht de vordering te matigen.
-Proceskosten:
deze kosten zijn niet onderbouwd, zodat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Indien de onderbouwing voldoende wordt geacht dan verzoekt de verdediging de vergoeding op nihil te begroten.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Aangaande de gevorderde schade overweegt de rechtbank als volgt.
Materiële schade
- Inkomstenderving
Voor een begroting van de schade is noodzakelijk dat de financiële situatie zonder het gepleegde delict wordt vergeleken met de financiële situatie als gevolg van het gepleegde delict. Om dat te kunnen vaststellen is nader debat en onderzoek nodig, wat ertoe zou leiden dat het onderzoek ter terechtzitting zou moeten worden geschorst. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank daarom een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
- Medische kosten
Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij de vordering op dit punt nader toegelicht, te weten dat de EMDR-behandeling nodig is geacht door GIA (Geweld in Afhankelijkheidsrelaties), dat onderdeel is van Emergis. Omdat er eerder al psychische hulp was verleend door PsyQ is besloten de EMDR-behandeling daar te volgen.
De rechtbank is van oordeel dat uit deze nadere toelichting, welke onvoldoende is weersproken, voldoende blijkt dat de gevolgde EMDR-behandeling in relatie staat tot het bewezenverklaarde feit. Aan het volgen van deze behandeling en aan een CT-scan zijn kosten gemaakt waardoor het eigen risico voor 2026 van € 385,- volledig zal zijn besteed. De rechtbank zal dit deel van de vordering toewijzen.
- Reiskosten
Deze kosten zijn niet betwist, zodat de rechtbank deze kosten zal toewijzen, te weten een bedrag van € 28,51.
- Schade aan de telefoon
In de aangifte heeft de benadeelde partij verklaard dat zij haar telefoon expres buiten had laten liggen toen zij haar woning in ging, zodat verdachte niet zou denken dat zij de politie zou bellen. Zij heeft een koord dat aan haar telefoon zat uit de broekzak van verdachte zien hangen. De telefoon werd later door iemand op de weg gevonden. De stelling van verdachte dat de gevonden telefoon niet de telefoon is die de benadeelde partij gebruikte is niet nader onderbouwd en vindt geen steun in het dossier. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom toewijzen, te weten een bedrag van € 239,-.
De door de benadeelde gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank gelet op het voorgaande toewijsbaar tot een bedrag van € 652,51.
De toegewezen schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden, doordat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, en omdat zij op andere wijze in haar persoon is aangetast. Ten aanzien van dat laatste overweegt de rechtbank dat gelet op de aard en de ernst van het misdrijf en de omstandigheden waaronder het is gepleegd, en op de onderbouwing van de vordering aangaande deze schade het geestelijke letsel voldoende is komen vast te staan. De benadeelde partij heeft voor wat betreft de hoogte van de vordering aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen grond om daarvan af te wijken en zal de gevorderde immateriële schade daarom volledig toewijzen.
Totaal
De rechtbank zal de vordering gelet op het voorgaande toewijzen tot een bedrag van
€ 5.652,51.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De benadeelde partij procedeert bij gemachtigde. Op grond van artikel 238 lid 2 Rv komen in dat geval de kosten voor het salaris en de noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank begroot deze kosten op basis van het ‘Liquidatietarief rechtbank en gerechtshoven’, volgens tarief I, dat betrekking heeft op zaken van een geldswaarde beneden € 10.000,-. De rechtbank kent 2 punten toe, te weten voor het opmaken van de vordering tot schadevergoeding en voor het bijwonen van de zitting. Met een waardering per punt van € 554,- zal de rechtbank voor de proceskosten een bedrag van € 1.108,- toewijzen. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 18 oktober 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;
feit 2: overtreding van artikel 5a WVW 1994;
feit 3: overtreding van artikel 163, lid 6, WVW 1994;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 3 (drie) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1989;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van
6 (zes) maanden.
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 3 (drie) jaren zich niet zal ophouden in [plaats];
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 (zes) maanden.
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon/bepaalde personen
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 12 (twaalf) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.652,51 (vijfduizendzeshonderdtweeënvijftig euro en eenenvijftig cent), waarvan € 652,51 (zeshonderdtweeënvijftig euro en eenenvijftig cent) aan materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
18 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1.108,- (duizendhonderdacht euro);
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 5.652,51 (vijfduizendzeshonderdtweeënvijftig euro en eenenvijftig cent) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 53 (drieënvijftig) dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.E. Mullers, voorzitter,
en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. L.W. Louwerse, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 1 april 2026.
De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Goester uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijkeen ander, te weten [slachtoffer]van het leven te beroven,die [slachtoffer] bij de keel heeft vast gepakt en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dicht gedrukt en/of dicht gedrukt heeft gehouden,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Goester uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ander, te weten [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengendie [slachtoffer] bij de keel heeft vast gepakt en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dicht gedrukt en/of dicht gedrukt heeft gehouden,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Goes en/ofWilhelminadorp, gemeente Goes, althans in Nederlandals bestuurder van een voertuig (BMW, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende opde [wegen][wegen] , zichopzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werdengeschonden door- met een hogere snelheid dan de toen aldaar ( [weg] ) toegestanemaximumsnelheid van 60 kilometer per uur te rijden,- met hoge snelheid andere voertuigen en/of weggebruikers inhaalde,- geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een verbod inhoudt, immers is hij,verdachte, niet gestopt voor een voor hem, verdachtes, rijrichting bestemddriekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde,- (telkens) met een hogere snelheid dan ter plaatse (telkens) verantwoord was terijden,door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaarlichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )
3hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Goes, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto ( [kenteken] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend( art 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994 )