ECLI:NL:RBZWB:2026:2431

ECLI:NL:RBZWB:2026:2431

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 02-244003-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor opzetaanranding. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 80 uur. Benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-244003-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 april 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1945,

ingeschreven op het [adres] ,

raadsvrouw mr. J.L.R.M. Smolders, advocaat te Rijen.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte meermalen [slachtoffer] heeft aangerand.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd met uitzondering van het zoenen van [slachtoffer] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, aangezien er niet voldaan is aan het bewijsminimum nu er onvoldoende redengevend steunbewijs is. Subsidiair ontbreekt volgens de verdediging overtuigend bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt vast dat er op 12 december 2024 een voorval is geweest waar verdachte en [slachtoffer] bij betrokken waren. Verdachte en [slachtoffer] waren aanwezig in het [café] . Dit betreft een café van [zorginstelling] , de zorginstelling waar [slachtoffer] begeleid woont vanwege haar geestelijke beperking. Verdachte was vrijwilliger bij [zorginstelling] en had die avond bardienst.

De verklaringen van [slachtoffer] en verdachte over wat er tussen hen is gebeurd, lopen uiteen. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte die avond aan haar borsten heeft gezeten en dat een getuige dit heeft gezien. Ook verklaarde zij dat verdachte vaker aan haar borsten zat. Zij mocht daar van verdachte niets over zeggen, want dan mocht ze niet meer naar [café] . Volgens verdachte zaten hij en [slachtoffer] samen op een bank toen [slachtoffer] een arm om zijn schouders sloeg. Verdachte heeft verklaard ook zijn arm om de schouder van [slachtoffer] te hebben geslagen, waarbij zijn hand onder de kraag van haar kleding op haar sleutelbeen kwam. Hij zegt de borsten van [slachtoffer] niet aangeraakt te hebben en dat dit eerder ook niet is gebeurd.

Gelet op de uiteenlopende verklaringen moet de rechtbank eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] beoordelen en vervolgens bepalen of er voor die verklaring voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is. Zij heeft aan haar zus, in persoon en in een mail, en tijdens het studioverhoor consistent en gedetailleerd verklaard. Dat [slachtoffer] bij het studioverhoor uitgebreider heeft verklaard dan bij haar zus, komt de rechtbank niet vreemd voor. Immers worden er tijdens het afnemen van een verhoor door verbalisanten specifieke vragen gesteld, waarop door een aangever of getuige antwoord gegeven wordt. Hierdoor wordt een verklaring logischerwijs uitgebreider. Bovendien houdt [slachtoffer] vast aan haar verklaring en maakt zij wat er gebeurd zou zijn in de loop van de tijd niet groter of erger.

Steunbewijs

De verklaring van [slachtoffer] vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in verklaringen van getuigen. [getuige 1] was 12 december 2024 eveneens als vrijwilliger aanwezig in [café] . Hij heeft verklaard dat hij zag dat verdachte dichtbij [slachtoffer] op de bank ging zitten. Vervolgens zag hij de hand van verdachte onder de blouse van [slachtoffer] schuiven en zijn hand via haar sleutelbeen richting haar borst bewegen. [getuige 1] riep naar verdachte dat hij daarmee moest stoppen, waarna verdachte zijn hand terugtrok, van de bank opstond en nerveus rondliep. Ondanks dat [getuige 1] niet heeft gezien dat verdachte daadwerkelijk de borst van [slachtoffer] aanraakte, is de rechtbank van oordeel dat ook het aanraken van de hals en schouder een seksueel karakter heeft gezien de context van de handeling. De hand van verdachte ging immers onder de blouse en richting de borst van [slachtoffer] .

[getuige 2] was er niet bij op 12 december 2024, maar heeft verklaard dat hij diverse keren heeft gezien dat verdachte met zijn handen de borsten van [slachtoffer] aanraakte. Hij heeft verdachte daarop aangesproken, waarna verdachte geschrokken reageerde. [getuige 2] geeft daarnaast aan spijt te hebben dat hij niet eerder een melding bij [zorginstelling] heeft gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de betrouwbare verklaring van [slachtoffer] voldoende steun in de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .

Opzetaanranding

[slachtoffer] woont op een locatie van [zorginstelling] , een zorginstelling. Uit de aangifte en de verklaring van de zus van [slachtoffer] volgt dat bij [slachtoffer] sprake is van een verstandelijke beperking. Zij functioneert op het niveau van iemand rond de 5 en 6 jaar oud. Verdachte was bij [zorginstelling] werkzaam als vrijwilliger. Op grond van het overwicht dat verdachte over [slachtoffer] had vanwege de afhankelijkheid van [slachtoffer] jegens verdachte als vrijwilliger en het verschil in geestelijke ontwikkeling, komt de rechtbank tot het oordeel dat tussen hen een ongelijke verhouding bestond, waarbinnen [slachtoffer] niet in staat was om op seksueel vlak haar grenzen te bewaken en haar wil kenbaar te maken.

De verdachte was van al het vorenstaande op de hoogte. Bij verdachte had er daarom op zijn minst het bewustzijn moeten zijn van de mogelijkheid dat [slachtoffer] niet wilde dat verdachte haar borsten en hals zou aanraken. Door dit toch te doen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit tegen de wil van [slachtoffer] was.

Conclusie

De rechtbank acht gelet op bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft aangerand door haar borsten en hals te betasten.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

meer tijdstippen in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 12 december 2024 te [plaats] , gemeente Oisterwijk met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het - betasten/strelen van de borsten van die [slachtoffer] en- betasten/strelen van de hals en/of schouders van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 80 uur.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen aanranden van [slachtoffer] door haar borsten en hals aan te raken. Verdachte heeft geen respect getoond voor het zelfbeschikkingsrecht van het slachtoffer en daarmee inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. [slachtoffer] is verstandelijk beperkt en woont begeleid bij zorginstelling [zorginstelling] , waar verdachte vrijwilliger was. Verdachte heeft met zijn handelen het vertrouwen beschaamd dat [slachtoffer] in hem had. Uit de berichten aan haar zus en uit het studioverhoor blijkt ook dat [slachtoffer] erg ontdaan is door het handelen van verdachte en dat zijn ontoelaatbare handelen veel impact op haar heeft gehad. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Persoon van verdachte

De rechtbank merkt op dat uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder in aanmerking is gekomen met politie en justitie.

Over verdachte is een reclasseringsrapport opgesteld op 17 februari 2026. Daaruit volgt dat verdachte zinvolle dagbesteding heeft en er geen problemen op besproken leefgebieden zijn. Doordat verdachte het tenlastegelegde feit ontkent, kan de reclassering niet rapporteren over eventuele delictgerelateerde- of beschermende factoren. Om deze reden kan het recidive-risico niet worden ingeschat.

Strafoplegging

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op vergelijkbare zaken. Strafverzwarend weegt de rechtbank mee dat verdachte als vrijwilliger werkte met kwetsbare personen, zoals [slachtoffer] . De aanrandingen vonden plaats in het café van de zorginstelling waar zij woont, een plek waar [slachtoffer] zich veilig had mogen voelen. In strafmatigende zin weegt de rechtbank de oudere leeftijd van verdachte mee.

Alles afwegend acht de rechtbank een straf passend zoals deze door de officier van justitie is geëist. De rechtbank legt derhalve aan verdachte op een taakstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis. Daarnaast legt de rechtbank op een voorwaardelijke gevangenis-straf van twee weken met een proeftijd van twee jaar.

7. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 3.414,48, bestaande uit € 414,48 materiële schade en € 3.000,00 immateriële schade.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade is de rechtbank van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot materiële schadevergoeding.

Bij de beoordeling van de vordering ten aanzien van de immateriële schade is het volgende beoordelingskader van belang. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Dat is onder meer het geval bij een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

De rechtbank ziet en erkent dat aanranding door het betasten van borsten en hals veel impact kan hebben en een inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij. Hoewel de rechtbank absoluut niks wil afdoen aan de gevolgen voor de benadeelde partij, acht de rechtbank de conclusie niet gerechtvaardigd dat de aard en ernst van de onderhavige normschending met zich brengen dat een aantasting van de persoon direct kan worden aangenomen. De rechtbank zal de vordering tot immateriële schadevergoeding daarom niet-ontvankelijk verklaren. Desgewenst kan de benadeelde partij de vordering aanbrengen bij de burgerlijk rechter.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 241 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

Benadeelde partij

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

opzetaanranding, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter,

en mr. E.B. Prenger en mr. C.H.M. Pastoors, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 1 april 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2024 tot en

met 12 december 2024 te [plaats] , gemeente Oisterwijk met een persoon, te weten

[slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het

meermalen

- betasten/strelen van de borsten van die [slachtoffer] en/of

- betasten/strelen van de hals en/of schouders van die [slachtoffer] en/of

- zoenen van die [slachtoffer] ,

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die

[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak

( art 240 Wetboek van Strafrecht, art 241 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.C.S. van Bree
  • mr. E.B. Prenger
  • mr. C.H.M. Pastoors

Griffier

  • mr. S.E. van Wijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?