RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-030674-21
vonnis van de rechtbank d.d. 3 april 2026
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht.
1. De procedure
De officier van justitie heeft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd tot een bedrag van € 837.523,-.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 februari 2026. Voorafgaand aan de zitting hebben de officier van justitie, mr. C.F.J. Wiegant, en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt middels conclusies van antwoord, repliek en dupliek.
2. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat vast is komen te staan dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van cocaïne op meerdere momenten en dat hij in verband daarmee een voordeel heeft behaald van in totaal € 837.523,-. De officier van justitie heeft daarom een ontnemingsvordering ingediend ter hoogte van voormeld bedrag. De vordering is gebaseerd op de bedragen die betrokkene heeft ontvangen uit de verkoop van cocaïne, zoals dit volgt uit chatberichten. Hieraan ligt het rapport van de politie met betrekking tot de berekening van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) ten grondslag. De officier van justitie stelt zich voorts op het standpunt dat de redelijke termijn niet is overschreden, nu uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de bepaling van de (duur van de) redelijke termijn rekening kan worden gehouden met de ingewikkeldheid van de zaak, wat in dit geval een overschrijding van het uitgangspunt van twee jaar rechtvaardigt.
3. Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen, dan wel moet worden vastgesteld op € 254.697,50 en vervolgens nog moet worden verminderd met 15% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe is aangevoerd dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een te hoge winst. Er is gerekend met een te hoog gewicht aangezien er knikkers werden gebruikt. Daarnaast gaat de verdediging uit van een verkoopwaarde van € 14.000,- per kilo cocaïne.
4. Het oordeel van de rechtbank
De grondslag van de ontneming
Het Openbaar Ministerie heeft het gevorderde ontnemingsbedrag vastgesteld met toepassing van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Artikel 36e lid 2 Sr kan worden toegepast indien de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het om het vaststellen van de aannemelijkheid van het voordeel dat betrokkene heeft genoten.
De rechtbank is van oordeel dat hieraan is voldaan en overweegt daartoe als volgt.
Betrokkene is bij vonnis van deze rechtbank van 26 april 2023 voor onder meer het meermalen medeplegen van invoer van cocaïne veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals deze zijn opgenomen in het vonnis in de hoofdzaak, het oordeel dat betrokkene voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft genoten.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij het vaststellen van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt voornoemd vonnis en het rapport en gebruikt deze tot het bewijs.
Vast is komen te staan dat betrokkene zich binnen een crimineel samenwerkingsverband schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van 50 kilogram cocaïne op de [schip 1] en 40 kilogram cocaïne op de [schip 2] . Voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel sluit de rechtbank aan bij de berekening zoals die is gemaakt in het rapport. Bij beide partijen cocaïne is in het rapport uitgegaan van de prijzen zoals die volgen uit chatberichten. Het verweer van de verdediging dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden berekend aan de hand van de beweerde huidige verkoopprijs van € 14.000,- per kilo cocaïne wordt verworpen. Het gaat immers om de prijzen die destijds golden. Uit het dossier volgt dat ten tijde van de uitwisseling van de chats een prijs per kilo cocaïne van € 26.000,- realistisch was.
[schip 1]
Uit chatberichten volgt dat betrokkene de partij cocaïne van de [schip 1] heeft verkocht voor € 26.000,- per kilo, wat resulteert in een totale opbrengst van € 1.300.000,-. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is voor de inkoopprijs van de cocaïne aangesloten bij de chatberichten. In het voordeel van betrokkene is uitgegaan van de hoogst bekende inkoopprijs van € 5.100,-. Uit chatberichten kan verder worden opgemaakt dat de uithalers in totaal € 175.195,- van de opbrengst hebben gekregen. Daarnaast volgt uit chatberichten dat er telefoons en gereedschap nodig waren voor het uithalen van de cocaïne en dat er werd betaald voor informatie. Deze overige kosten zijn geschat op € 2.000,-.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de [schip 1] is daarom als volgt.
Verkoopopbrengst € 1.300.000,-
Kosten:
Inkoop € 255.000,-
Uithalers € 175.195,-
Overige kosten € 2.000,-
--------------- -
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 867.805,-
[schip 2]
Uit chatberichten volgt dat betrokkene en [mededader 1] acht blokken cocaïne van de [schip 2] hebben verkocht voor € 26.000,- per stuk en 25 blokken voor € 25.250,- per stuk. Ze hebben daarnaast € 36.400,- gekregen voor het uithalen van zeven blokken cocaïne voor derden. Dat resulteert in een totale opbrengst van € 875.650,-. Verder volgt uit chatberichten dat de inkoopprijs per blok cocaïne € 5.170,- per blok was en dat aan de uithalers in totaal € 145.800,- is betaald. Daarnaast volgt uit chatberichten dat er telefoons en gereedschap nodig waren voor het uithalen van de blokken cocaïne en dat er werd betaald voor informatie. Deze overige kosten zijn geschat op € 2.000,-.
In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel is tevens rekening gehouden met de knikkers die in blokken cocaïne zaten. Uit chatberichten volgt dat er minder is betaald voor de blokken met knikkers. Het verschil in gewicht is dus al verrekend in de verkoopprijs die uit de chatberichten volgt en die in de berekening is gehanteerd.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de [schip 2] is daarom als volgt.
Verkoopopbrengst € 875.650,-
Kosten:
Inkoop € 170.610,-
Uithalers € 145.800,-
Overige kosten € 2.000,-
--------------- -
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 557.240,-
Eerder transport
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er weliswaar aanwijzingen in het dossier dat betrokkene meegewerkt heeft aan eerdere transporten maar uit de chatberichten kan niet worden opgemaakt dat hij betrokken was bij het transport van twaalf kilo waar [mededader 2] in de chat van 7 mei 2020 (over 12+33+35) op doelt. Nu het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat van betrokkenheid bij dat feit zal de rechtbank het onderdeel van de berekening uit het rapport ter hoogte van € 250.000,- dat daarop ziet niet meenemen in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Verdeling opbrengst
De rechtbank maakt uit de chatberichten op dat betrokkene en [mededader 1] richting de uithalers beide een meer aansturende rol hadden, waarbij betrokkene naar het oordeel van de rechtbank een bepalende en leidende rol had en [mededader 1] een organisatorische. Uit het dossier volgt dat betrokkene - via een tussenpersoon - aan de Zuid-Amerikanen voorwaarden stelt over het transport met de [schip 2] . Hij heeft de partij cocaïne van de [schip 1] verkocht en beschikte over de opbrengst van € 1.300.000,-, die hij in een geldtelmachine telde. Betrokkene maakte daarnaast afspraken over de uitbetalingen aan de uithalers en bij hem werd het geld opgehaald. Hij stuurde chatberichten over de verschillende ladingen en wist wanneer die binnenkwamen. Met [mededader 1] werkte hij nauw samen. [mededader 1] kwam wel pas later in beeld. Hij werd door betrokkene uitgenodigd voor een bespreking en kocht voor de uithalers gereedschap. De rechtbank maakt uit de chatberichten op dat betrokkene een meer bepalende en leidinggevende rol had dan [mededader 1] . Gelet op de verschillende rollen en de daarbij behorende zeggenschap ligt het naar het oordeel van de rechtbank in de rede dat betrokkene een hoger winstaandeel heeft gehad. De rechtbank hanteert gezien het voorgaande, anders dan de officier van justitie, een winstaandeel van 70% voor betrokkene en van 30% voor [mededader 1] .
Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 1.425.045,-. De rechtbank schat het door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel op 70% van het totaalbedrag en dus op € 997.531,50.
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank stelt het geschatte bedrag vast op € 997.531,50.
Met betrekking tot de redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient betrokkene binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 maart 2021, omdat betrokkene op dat moment bekend is geworden met het conservatoir beslag dat op meerdere van zijn eigendommen is gelegd en daarmee met de mogelijkheid dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou kunnen worden gemaakt. Tot dit vonnis is een periode van ongeveer vijf jaren verstreken.
Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Er is in deze zaak sprake van bijzondere omstandigheden, namelijk dat afdoening van de ontnemingszaak afhankelijk was van de termijn die met behandeling van de strafzaak was gemoeid en het feit dat de ontnemingszaak, ingevolge artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering, binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kon worden gemaakt. De officier van justitie heeft op 24 juni 2024 de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt, nadat de rechtbank op 26 april 2023 vonnis heeft gewezen in de hoofdzaak. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een redelijke termijn van een langere periode dan twee jaar gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt de redelijke termijn in deze zaak daarom op vier jaren.
Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer twaalf maanden is geschonden. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt als richtsnoer dat bij een overschrijding van de redelijke termijn tot twaalf maanden een strafvermindering van 10% passend is, maar dat de vermindering bij ontnemingszaken in beginsel niet meer dan € 5.000,- bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan.
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 992.531,50 en zal betrokkene veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de staat. De vordering van de officier van justitie zal de rechtbank voor het overige afwijzen.
5. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 997.531,50;
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 992.531,50, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1.080 dagen.
- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Dekker, voorzitter,
en mrs. E.G.F. Vliegenberg en A.L. Hoekstra, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. van Biert,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.