RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-170164-20
vonnis van de rechtbank d.d. 3 april 2026
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
raadsman mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge.
1. De procedure
De officier van justitie heeft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd tot een bedrag van € 207.389,-. Bij repliek heeft de officier van justitie dit bedrag verlaagd tot een bedrag van € 173.249,-.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari 2026. Voorafgaand aan de zitting hebben de officier van justitie, mr. C.F.J. Wiegant, en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt middels conclusies van antwoord, repliek en dupliek.
2. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft een ontnemingsvordering ingediend van € 207.389,-. De ontnemingsvordering is gebaseerd op het financieel onderzoek naar de contante gelden waarover betrokkene en zijn partner [getuige 1] beschikten. Hieruit is gebleken dat betrokkene veel meer contant geld heeft uitgegeven dan waar hij legaal over kon beschikken.
3. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft in de conclusie van antwoord verzocht om aanhouding van de zaak. In het geval dit verzoek wordt afgewezen, is de verdediging van mening dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat de contante betalingen van betrokkene kunnen worden verklaard uit het contante vermogen van [getuige 1]. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het te ontnemen bedrag verminderd dient te worden met het bedrag dat [getuige 1] terug moet betalen aan de uitkeringsinstantie.
4. Het oordeel van de rechtbank
Aanhoudingsverzoek
De verdediging heeft verzocht de zaak aan te houden teneinde getuigen [getuige 2] en [getuige 1] andermaal te horen.
De rechtbank stelt vast dat de genoemde getuigen reeds zijn gehoord. Op 14 oktober 2024 heeft de verdediging aan de rechter-commissaris verzocht deze getuigen opnieuw te laten horen. Dat verzoek is op 28 november 2024 afgewezen. In de gegeven onderbouwing ziet de rechtbank geen aanleiding om getuigen [getuige 2] en [getuige 1] nogmaals te horen. De rechtbank zal het aanhoudingsverzoek daarom afwijzen.
Daarnaast heeft de verdediging verzocht de uitspraak in de hoofdzaak in hoger beroep af te wachten. Dit verzoek wordt eveneens afgewezen. Deze ontnemingsprocedure leent zich er op dit moment niet voor om het arrest af te wachten. De rechtbank kan op basis van het vonnis in de hoofdzaak oordelen over de ontnemingsvordering.
De grondslag van de ontneming
Het Openbaar Ministerie heeft het gevorderde ontnemingsbedrag vastgesteld met toepassing van artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Artikel 36e lid 3 Sr kan worden toegepast indien betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie en aannemelijk is dat hetzij dat misdrijf dan wel andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak aan deze voorwaarden is voldaan.
Betrokkene is bij vonnis van deze rechtbank van 26 april 2023 veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van de invoer van cocaïne en medeplegen van gewoontewitwassen. De in de artikelen 10 en 11b van de Opiumwet en in artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde feiten worden naar de wettelijke omschrijving bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
Daarnaast is er een onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van betrokkene, waaruit volgens het Openbaar Ministerie aannemelijk is geworden dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Betrokkene heeft meer contante gelden uitgegeven dan via legale bronnen kan worden verantwoord.
De verdediging heeft aangevoerd dat de contante betalingen van betrokkene afkomstig zouden zijn uit legaal vermogen van [getuige 1]. De rechtbank heeft in de hoofdzaak deze stelling niet gevolgd. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat deze gelden door [getuige 1] zijn gespaard en aangewend voor de uitgaveposten die zijn opgenomen in de kasopstelling. Voor zover thans in deze procedure is gewezen op inkomsten uit prostitutie, leidt dit niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt het verweer van de verdediging daarom niet.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij het vaststellen van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt voornoemd vonnis en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) en gebruikt deze tot het bewijs. Bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het om het vaststellen van de aannemelijkheid van het voordeel dat veroordeelde heeft genoten.
De rechtbank constateert dat bij het opstellen van de berekening in het rapport is gekozen voor een eenvoudige kasopstelling. Door middel van deze methode wordt gekeken of, en zo ja in hoeverre, een veroordeelde meer contante uitgaven heeft gedaan dan waarover hij via legale bron kon beschikken of die anderszins konden worden verantwoord. Hierbij is gekeken naar de contante uitgaven, waaronder contante stortingen, de uitgaven aan de verbouwing van het huis en de inboedel.
In het rapport is de periode van 1 januari 2016 tot en met 29 juni 2020 onderzocht. Uit het onderzoek is gebleken dat de enige legale contante gelden waar betrokkene in die periode mogelijk over kon beschikken de gestelde contante verdiensten van [getuige 1] als schoonmaakster betroffen (van september 2019 tot en met juni 2020). Dat was in totaal € 700,-. Bij de doorzoeking van de woning van betrokkene en [getuige 1] is geen contant geld aangetroffen. Wel zijn er aanwijzingen gevonden dat betrokkene in totaal € 208.089,- aan contante uitgaven heeft gedaan. Gezien de € 700,- aan legale contante inkomsten wordt op basis van de kasopstelling het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene in het rapport geschat op € 207.389,-.
In de hoofdzaak heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat betrokkene zijn woning heeft laten verbouwen en dat hij daarvoor € 153.000,- contant heeft betaald. De rechtbank gaat bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook uit van dit bedrag, anders dan de raadsman heeft aangevoerd.
De in het rapport genoemde contante uitgaven van een bedrag van (in totaal) € 52.350,-, zoals volgt uit aangetroffen bonnen en een bedrag (in totaal) € 2.739,- zoals volgt uit getuigenverklaringen en tapgesprekken, zijn door de verdediging niet betwist.
Dat maakt dat de rechtbank bij het vaststellen van het totaalbedrag aan contante uitgaven door betrokkene aansluit bij het rapport en uitgaat van een bedrag van € 208.089,-. De rechtbank heeft hiervoor geconstateerd dat betrokkene mogelijk € 700,- aan contante inkomsten had. De rechtbank schat het door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel daarom op € 207.389,-.
De verdediging heeft aangevoerd dat het te ontnemen bedrag verminderd dient te worden met het bedrag dat [getuige 1] aan de uitkeringsinstantie moet terugbetalen wegens het verschaffen van onjuiste inlichtingen. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt ieder verband tussen deze terugvordering van [getuige 1] en het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene. Dit verweer wordt verworpen.
Vaststelling ontnemingsbedrag en betalingsverplichting
De rechtbank stelt het geschatte bedrag vast op € 207.389,-. De officier van justitie heeft bij repliek aansluiting gezocht bij de hoogte van het witgewassen bedrag dat in de hoofdzaak is vastgesteld. Gelet op de grondslag van de vordering, te weten artikel 36e, derde lid, Sr, komt de rechtbank tot vaststelling van een hoger bedrag dan waarvan de officier van justitie in tweede instantie is uitgegaan.
Met betrekking tot de redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient betrokkene binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 1 maart 2021, omdat betrokkene op dat moment bekend is geworden met het conservatoir beslag dat op meerdere van zijn eigendommen is gelegd en daarmee met de mogelijkheid dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou kunnen worden gemaakt. Tot dit vonnis is een periode van ongeveer vijf jaren verstreken.
Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Er is in deze zaak sprake van bijzondere omstandigheden, namelijk dat afdoening van de ontnemingszaak afhankelijk was van de termijn die met behandeling van de strafzaak was gemoeid en het feit dat de ontnemingszaak, ingevolge artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering, binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kon worden gemaakt. De officier van justitie heeft op 24 juni 2024 de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt, nadat de rechtbank op 26 april 2023 vonnis heeft gewezen in de hoofdzaak. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een redelijke termijn van een langere periode dan twee jaar gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt de redelijke termijn in deze zaak daarom op vier jaren.
Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer twaalf maanden is geschonden. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt als richtsnoer dat bij een overschrijding van de redelijke termijn tot twaalf maanden een strafvermindering van 10% passend is, maar dat de vermindering bij ontnemingszaken in beginsel niet meer dan € 5.000,- bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan.
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 202.389,- en zal betrokkene veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de staat. De vordering van de officier van justitie zal de rechtbank voor het overige afwijzen.
5. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 207.389,-.
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 202.389,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1.080 dagen.
- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Dekker, voorzitter,
en mrs. E.G.F. Vliegenberg en A.L. Hoekstra, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. van Biert,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.