Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-332143-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 april 2026
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in
[verblijfplaats],
raadsvrouw mr. R.M. van Breemen, advocaat te Rijen.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.
Feit 1
De officier van justitie baseert de bewezenverklaring op de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten, waarbij verbalisant [benadeelde 2] heeft aangegeven dat hij zich in zijn goede naam en eer aangetast voelde.
Feit 2
De officier van justitie baseert de bewezenverklaring op de aangifte, de getuigenverklaring van [getuige] en het gegeven dat verdachte nog geen uur na de diefstal wordt aangetroffen met de telefoon onder zich.
Feit 3
De officier van justitie baseert de bewezenverklaring op de aangiftes en de bekennende verklaring van verdachte. Verdachte heeft de winkeldiefstal van18 juli 2025 ontkend. Ook deze winkeldiefstal acht de officier van justitie echter wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte en de camerabeelden waarop verdachte is te zien.
Het standpunt van de verdediging
Feit 1
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Feit 2
De verdediging is van mening dat de diefstal, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken van het geweld dat zou zijn toegepast, nu het wettig en overtuigend bewijs hiertoe ontbreekt.
Feit 3
De verdediging refereert zich aan een bewezenverklaring van de tenlastegelegde winkeldiefstallen, met uitzondering van de winkeldiefstal van 18 juli 2025. Er kan niet onomstotelijk worden vastgesteld of en welke producten op die dag zijn weggenomen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging van een politieagent.
Feit 2
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de telefoon van [benadeelde 1] heeft weggenomen.
Ten aanzien van het geweld dat zou zijn toegepast, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld met welk oogmerk verdachte dit geweld heeft toegepast. Weliswaar hebben zowel aangever als [getuige] verklaard dat verdachte aangever op enig moment een klap heeft gegeven, maar uit deze verklaringen kan niet worden opgemaakt dat deze klap op enigerlei wijze ten behoeve van de diefstal zou zijn gegeven. Dit betekent dat niet de diefstal met geweld, maar enkel de diefstal bewezen kan worden verklaard.
Feit 3
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle tenlastegelegde diefstallen heeft gepleegd, dus ook de diefstal op 18 juli 2025. Ten aanzien van de diefstal op 18 juli 2025 bevat het dossier een aangifte en verdachte heeft ter zitting verklaard zich op de camerabeelden in de winkel van deze datum te herkennen. Uit de aangifte en de camerabeelden blijkt voorts van eenzelfde modus operandi als bij de overige tenlastegelegde diefstallen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 5 december 2025 in Nederland opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 2] (brigadier bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem meermalen de woorden toe te voegen: "kankerlijers, tyfuslijers, kankermongolen";
2
op 5 december 2025 te [plaats] een telefoon, die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
in de periode van 18 juli 2025 tot en met 28 november 2025 te [plaats], te weten
- op 18 juli 2025 een fles mixdrank en
- op 6 augustus 2025 een pakje sushi en een fles mixdrank en drie pakken biefstuk en
- op 14 oktober 2025 levensmiddelen en
- op 27 oktober 2025 twee poke bowls en een pakje sushi en twee speklapjes en
- op 4 november 2025 twee blikjes mixdrank en twee sushi boxen en
- op 25 november 2025 zes blikjes mixdrank en een sushiwrap en
- op 28 november 2025 croissants en kipfilet en humus,
die aan Albert Heijn (gevestigd aan [adres 1]) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen ten aanzien van de feiten 2 en 3 een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Ten aanzien van feit 1 verzoekt de officier van justitie verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt aan verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. In het geval de rechtbank het noodzakelijk acht een voorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen, is verdachte het eens met de door de reclassering geadviseerde op te leggen bijzonder voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een belediging van een ambtenaar, diefstal en meerdere winkeldiefstallen.
Dit betreffen stuk voor stuk nare feiten. Een 14-jarige jongen, [benadeelde 1], is bestolen van zijn telefoon terwijl hij samen met zijn vriend in een park zat. Aangever was bang dat hem of zijn vriend iets zou overkomen en is in paniek naar het dichtstbijzijnde huis gerend om vervolgens de politie te bellen. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] en ook zijn gevoel van veiligheid aangetast.
De winkeldiefstallen die verdachte heeft gepleegd, bezorgen de samenleving als geheel, en degenen die slachtoffer worden van het gedrag van verdachte in het bijzonder, ernstige overlast. Het beledigen van een verbalisant getuigt voorts van geen enkel respect.
Nu staat ter beoordeling of voor de voorliggende feiten oplegging van de ISD-maatregel, al dan niet voorwaardelijk, noodzakelijk en wenselijk is of dat, zoals door de raadsvrouw is bepleit, een forse voorwaardelijke gevangenisstraf volstaat.
De ISD-maatregel is er met name op gericht om zeer actieve veelplegers voor langere duur uit de roulatie te nemen. Middels een langdurige vrijheidsbeneming wordt voortzetting van het criminele gedragspatroon feitelijk onmogelijk gemaakt en de vicieuze cirkel van opsluiting-invrijheidstelling-veroordeling-opsluiting doorbroken. Gedurende de periode van de ISD-maatregel wordt de maatschappij beschermd tegen het criminele gedrag van de recidivist. Ook biedt de ISD-maatregel mogelijkheden om door middel van een hulpverleningstraject aan gedragsverandering te werken om recidive in de toekomst te voorkomen.
Bij de beoordeling heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op het advies van de reclassering d.d. 12 maart 2026. Zij adviseert aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met de voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende opname, ambulante begeleiding en urinecontroles. Zij geeft daarbij aan dat eerdere reclasseringstrajecten en hulpverlening retour zijn gegaan en zijn afgesloten, daar verdachte zich niet ontvankelijk opstelde en onbereikbaar bleef. Zelfs een laatste kans en een schorsing van de voorlopige hechtenis op 19 mei 2025 heeft er niet voor gezorgd dat verdachte zich hield aan de opgelegde voorwaarden. Eerder opgelegde taakstraffen zijn op 20 november 2025 geretourneerd. Verdachte heeft in eerdere zaken meermaals aangegeven gemotiveerd te zijn voor gedragsverandering en mee te willen werken aan het reclasseringstoezicht, maar dit is tot op heden uitgebleven. Verdachte heeft ook nu aangegeven kansen te willen pakken en gemotiveerd te zijn. Hij heeft een steunend netwerk, dat welwillend is hem hierin te ondersteunen.
De reclassering schat de onttrekkingskans in als hoog. Anderzijds ziet de reclassering de noodzaak tot reclasseringsinterventies en het inzetten van hulpverlening. Gelet hierop wenst zij verdachte middels een voorwaardelijke ISD-maatregel (nog) een laatste kans te geven om zich te conformeren aan de afspraken met zowel de reclassering als zijn behandelaren/begeleider en de gemeente. Het is voor verdachte wat betreft de reclassering de laatste kans om te laten zien dat hij zich kan conformeren aan voorwaarden en openheid kan geven in het contact, zodat er gewerkt kan worden aan gedragsverandering en risicobeperking.
De rechtbank verenigt zich met het advies van de reclassering en ziet om deze reden dan ook geen mogelijkheid te volstaan met oplegging van een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank, overeenkomstig het advies van de reclassering, de ISD-maatregel voorwaardelijk op leggen. Verdachte heeft ter zitting aangegeven gemotiveerd te zijn en mee te zullen werken aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Hij heeft hierbij aangegeven waarom een voorwaardelijke ISD-maatregel meer kans van slagen heeft dan een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Het is, zoals ook door de reclassering is aangegeven, nu aan verdachte om te laten zien dat hij ook daadwerkelijk gemotiveerd is en volhoudt. Mocht dit niet het geval zijn, zal alsnog een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan de orde zijn.
De rechtbank heeft hierbij tevens in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. Immers, voor de door verdachte begane misdrijven - behoudens de belediging - is voorlopige hechtenis toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld. Voorts zijn de feiten begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Tot slot eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar ten aanzien van de feiten 2 en 3. De noodzaak tot reclasseringsinterventies en het inzetten van hulpverlening prevaleert waardoor de rechtbank ten aanzien van feit 1 van oordeel is dat kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 125,- voor feit 2. Dit zouden kosten betreffen die zijn gemaakt voor EMDR-therapie.
Nu deze vordering geheel niet is onderbouwd met onderliggende stukken, is de rechtbank van oordeel dat van een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte niet is gebleken, zodat geen sprake is van vastgestelde schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 38p, 57, 266, 267 en 310 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: eenvoudige belediging aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
feit 2: diefstal
feit 3: diefstal, meermalen gepleegd
- verklaart verdachte strafbaar;
Feit 1
- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;
Ten aanzien van de feiten 2 en 3
- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarden:
* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de verslavingsreclassering van Novadic-Kentron op het [adres 2];
2. dat verdachte zich laat begeleiden door Humanitas Homerun of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt zolang de reclassering dat nodig vindt en richt zich op zowel praktische zaken als agressieregulatie. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
3. dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Novadic Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de
reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
4. dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 2
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Snoep, voorzitter,
en mr. M.E.I. Beudeker en mr. K. Verschueren, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 april 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 5 december 2025 te [geboorteplaats] en/of te Tilburg in elk geval in
Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 2] (brigadier bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd,
door hem meermalen, althans eenmaal de woorden toe te voegen: "kankerlijers,
tyfuslijers, kankermongolen", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of
strekking;
( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van
Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 5 december 2025 te [plaats], in elk geval in Nederland, een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1],
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht
mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door
- de telefoon uit de handen van die [benadeelde 1] te pakken en/of
- die [benadeelde 1] een stoot tegen zijn kin, in elk geval in zijn gezicht te geven en/of
- die [benadeelde 1] stevig vast te pakken bij zijn kraag en/of jas en/of
- die [benadeelde 1] een klap te geven op zijn keel, in elk geval tegen het lichaam;
(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
3
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 juli 2025 tot en met 28 november 2025 te [plaats],
- op 18 juli 2025 een fles mixdrank en/of een of meerdere levensmiddelen, in elk
geval enige goederen en/of
- op 6 augustus 2025 een pakje sushi en/of een fles mixdrank en/of drie pakken
biefstuk, in elk geval enige goederen en/of
- op 14 oktober 2025 een of meerdere levensmiddelen, in elk geval enige goederen en/of
- op 27 oktober 2025 twee poke bowls en/of een pakje sushi en/of twee speklapjes, in elk geval enige goederen en/of
- op 4 november 2025 twee blikjes mixdrank en/of twee sushi boxen, in elk geval
enige goederen en/of
- op 25 november 2025 zes blikjes mixdrank en/of een sushiwrap, in elk geval enige goederen en/of
- op 28 november 2025 een of meerdere croissants en/of kipfilet en/of humus, in elk geval enige goederen,
dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn (gevestigd aan [adres 1]), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek van Strafrecht )