RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-159702-25
vonnis van de meervoudige kamer van 3 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. B.M.C.F. de Groen, advocaat te Breda
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M. Nijboer, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 22 februari 2025 in Breda openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]).
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van het dossier het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat op grond van het dossier wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de geweldshandelingen zoals ten laste gelegd onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepjes heeft begaan. Verzocht wordt om verdachte partieel vrij te spreken van het gooien met de fles tegen het hoofd van [slachtoffer] (derde gedachtestreepje), omdat verdachte aan deze geweldshandeling geen significante bijdrage heeft geleverd.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [medeverdachte] samen geweld hebben uitgeoefend op [slachtoffer]. Ook volgt hieruit dat dit op straat heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat daarmee sprake is van het openlijk en in vereniging plegen van geweld. Verdachte heeft daarover ook een grotendeels bekennende verklaring afgelegd. Door de raadsman is echter vrijspraak bepleit van het door verdachte gooien met de fles tegen het hoofd van [slachtoffer]. De rechtbank zal daarom bezien of er ook voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor deze bestanddelen.
Verdachte en [medeverdachte] hebben beiden een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het opzet van een dader zich hiermee (ook) uitstrekt tot geweld dat anderen uit de groep in het geheel van geweldshandelingen plegen. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van twee afzonderlijke momenten van geweldpleging. De opeenvolgende gebeurtenissen en handelingen moeten worden gezien als één geheel. Het geweld dat door [medeverdachte] werd gepleegd door het gooien van de fles, kan daarom ook verdachte worden aangerekend. Daar komt bij dat verdachte na het gooien van de fles door [medeverdachte] nog tegen het lichaam van [slachtoffer] heeft geschopt, terwijl deze op de grond lag.
De rechtbank acht het tenlastegelegde feit daarmee voor alle bewezenverklaarde geweldshandelingen wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 4.4 staat weergegeven.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 22 februari 2025 te Breda openlijk, te weten, op/aan de Kraanstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], door die [slachtoffer]
- op/tegen het lichaam te duwen en/of te trekken,- tegen het gezicht en het lichaam te slaan en/of stompen,- een fles tegen het hoofd te gooien waarna die [slachtoffer] ten val kwam en- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag tegen het lichaam te schoppen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 150 uren. Daarnaast wordt gevorderd een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit om in lijn met de Oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (hierna: LOVS) aan verdachte op te leggen een taakstraf van 150 uren. Indien de rechtbank daarnaast nog een voorwaardelijke straf noodzakelijk vindt, verzoekt de verdediging dit te op te leggen in de vorm van een voorwaardelijke taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft openlijk en in vereniging geweld gepleegd. Zinloos geweld na het uitgaan, onder invloed van alcohol. Geweld dat zich bovendien richtte tegen iemand die bij de fietsenstalling aan het werk was, nota bene in de nachtelijke uren en juist ten dienste van het uitgaanspubliek. [slachtoffer] hielp zelfs nog mee om fietsen recht te zetten, die door verdachte en [medeverdachte] omver waren geworpen. Een moment later was [slachtoffer] slachtoffer van fors geweld. Hij werd geslagen en geschopt. Er werd een glazen fles gebruikt en tegen zijn hoofd gegooid. En zelfs toen het slachtoffer als gevolg daarvan op de grond viel, stopte het geweld niet. [slachtoffer] heeft door het geweld ook pijn ondervonden en letsel opgelopen. Dergelijk geweld maakt een enorme inbreuk op de lichamelijke integriteit en zorgt voor gevoelens van angst. Bij het slachtoffer, zo blijkt uit zijn verklaring, maar ook zorgt uitgaansgeweld in het algemeen voor een gevoel van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte en [medeverdachte] zeer aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank slaat ook acht op het reclasseringsrapport van 23 juli 2025. Daarin staat dat het leven van verdachte stabiel en probleemloos lijkt. Er is geen financiële of psychosociale problematiek en evenmin een patroon op het gebied van fysieke agressie. Wel worden het alcoholgebruik en het sociale netwerk van verdachte aangemerkt als delictgerelateerde factoren, maar op basis van de beschikbare informatie is er in het dagelijkse leven van verdachte geen problematisch middelengebruik vastgesteld. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Tot slot wordt geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat er geen indicaties worden gezien voor toepassing van het jeugdstrafrecht.
Ter zitting heeft verdachte er blijk van gegeven de ernst van zijn handelen in te zien en heeft hij zijn spijt betuigd jegens het slachtoffer. Dit komt de rechtbank oprecht voor.
Strafoplegging
De rechtbank volgt de reclassering en past het volwassenenstrafrecht toe. Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS wordt als uitgangspunt voor openlijk geweld met enig letsel tot gevolg een taakstraf van 150 uur gehanteerd. De rechtbank neemt dit ook tot uitgangspunt, maar acht gelet op de ernst van het feit en als stok achter de deur ook een voorwaardelijk strafdeel passend en geboden. Een gedeelte van de genoemde taakstraf voorwaardelijk opleggen, zoals door de verdediging is bepleit, zou naar het oordeel van de rechtbank geen recht doen aan de ernst van het feit. Daarom zal naast de taakstraf een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.
Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte dus een onvoorwaardelijke taakstraf van 150 uur opleggen en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.
7. De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 17.687,48, bestaande uit € 7.687,48 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. Hij heeft deze vordering op de zitting nader toegelicht. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij in beginsel verplicht is om de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De door [slachtoffer] gevorderde vergoeding van materiële schade acht de rechtbank gedeeltelijk toewijsbaar. De post ‘inkomstenverlies’ van € 1.042,36 ziet de rechtbank zo dat [slachtoffer] de uren waarvoor hij was ingeroosterd maar niet heeft kunnen werken voor 100% vergoed heeft gekregen. Volgens het door hem overgelegde rooster heeft hij daarmee echter toeslagen van 20, 40 of 65% misgelopen voor bepaalde diensten. Het aantal uren, de percentages en het (totaal)bedrag is door hem in een overzicht bij de vordering gevoegd. Daarnaast is de post ‘eigen risico’ van € 385,00 weliswaar niet met stukken onderbouwd, maar is het gezien de datum van het bewezenverklaarde aannemelijk dat het eigen risico op dat moment nog niet was aangesproken. De beide schadeposten staan in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. De door [slachtoffer] gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 1.427,36.
Voor de post ‘medicijnkosten’ van € 60,00 is de rechtbank van oordeel dat (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij daarvoor niet-ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De posten ‘kosten werkgever’ van € 5.964,12 en ‘kleding’ van € 236,00 zullen worden afgewezen. Niet is gebleken dat de werkgever de gestelde schade op de benadeelde partij heeft verhaald of dat het anderszins rechtstreekse schade van Kellici betreft. Ter zitting is toegelicht dat de bedoelde kleding bedrijfskleding betrof, die eveneens door de werkgever is vergoed.
Immateriële schade
De door de benadeelde partij gevorderde vergoeding van immateriële schade acht de rechtbank gedeeltelijk toewijsbaar. De rechtbank begrijpt dat [slachtoffer] zijn vordering heeft gegrond op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek, namelijk dat hij als gevolg van het bewezen verklaarde feit ‘lichamelijk letsel heeft opgelopen’ en daarnaast ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.
Het bestaan van lichamelijk letsel bij [slachtoffer] is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken. In het dossier bevindt zich een geneeskundige verklaring waaruit blijkt dat op 22 en 26 februari 2025 bij hem een vrij forse en diepe wond aan de zijkant van het achterhoofd is geconstateerd, waar vier hechtingen in zijn gezet. Ook zijn er een zwelling en lichte scheefstand van de neus, een hematoom, gering uitwendig bloedverlies, drie loszittende boventanden en zeer pijnlijke ribben vastgesteld. De verwachte genezingsduur betrof enkele weken.
Voorts blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in elk geval sprake is als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. De benadeelde partij heeft nagelaten zijn immateriële schade (op dit punt) nader te onderbouwen. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ echter ook volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank het geval. [slachtoffer] heeft onder andere geschreven dat hij sinds het incident veel psychische klachten ervaart. Hij voelt zich vernederd, machteloos en vooral angstig door wat er is gebeurd, met name in de nacht op zijn werkplek. Het beheerst zijn dagelijkse leven. Hij schrikt regelmatig ‘s nachts wakker, voelt zich gevangen in zijn eigen huis en is bang voor de buitenwereld.
De rechtbank stelt de vergoeding voor immateriële schade voor het lichamelijke en het geestelijke letsel in gelijke delen en naar billijkheid vast op in totaal € 2.000,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 22 februari 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.(vul naam in van de benaddelde partij met alleen voorletters)
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door medeverdachte Hardeman is betaald, en andersom.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 141 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 3.427,36, waarvan € 1.427,36 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het gedeelte van de vordering dat ziet op de post ‘medicijnkosten’ niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], € 3.427,36 te betalen, waarvan € 1.427,36 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 34 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter, mr. E.G.F. Vliegenberg en mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 22 februari 2025 te Bredaopenlijk, te weten, op/aan de Kraanstraat, in elk geval op of aan de openbare wegen/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], door die [slachtoffer]meermalen, althans eenmaal- op/tegen het lichaam te duwen en/of te trekken,- in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam te slaan en/ofstompen,- een fles, althans een (zwaar) (glazen) voorwerp, op/tegen het hoofd te gooien(waarna die [slachtoffer] ten val kwam) en/of- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) op/tegen het lichaam te schoppen en/oftrappen;( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )