RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-316475-25
vonnis van de meervoudige kamer van 3 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] (Roemenië)
wonende te [woonplaats] , Roemenië
thans gedetineerd in [verblijfplaats]
raadsvrouw mr. N. Heijkant, advocaat te Dongen
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M. Nijboer, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op of omstreeks 20 november 2025 samen met anderen heeft ingebroken bij [fietsenzaak] en acht fietsen heeft weggenomen, dan wel dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van die fietsen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen het primair ten laste gelegde feit dat verdachte samen met de drie medeverdachten heeft ingebroken bij [fietsenzaak] , waarbij acht fietsen zijn weggenomen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op grond van de bewijsmiddelen – waaronder de bekennende verklaring van verdachte –
acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met de drie medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan inbraak bij [fietsenzaak] , waarbij meerdere fietsen zijn weggenomen.
De officier van justitie heeft gesteld dat er acht fietsen zijn weggenomen. De verdediging heeft aangevoerd dat het er zeven waren. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat er zeven fietsen zijn weggenomen. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van [aangever 1] van 21 november 2025, de (beschreven) camerabeelden en het feit dat er door de politie zeven fietsen zijn aangetroffen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte omstreeks 20 november 2025 te [plaats] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen, zeven fietsen die aan [fietsenzaak] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Vanwege de georganiseerde handelswijze en het feit dat verdachten pas korte tijd in Nederland waren, is volgens de officier van justitie sprake van mobiel banditisme, hetgeen zij in strafverzwarende zin meeweegt.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Er kan eventueel nog een voorwaardelijk strafdeel met een proeftijd worden opgelegd. Verzocht wordt om in strafmatigende zin rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte van een verkeerde veronderstelling van zaken is uitgegaan en dacht dat hij in opdracht van de eigenaar van de fietsenwinkel handelde. Verder gaat de verdediging uit van zeven in plaats van acht gestolen fietsen, waardoor de waarde van de gestolen goederen lager is dan waar het Openbaar Ministerie vanuit gaat. Ook dient rekening gehouden te worden met het feit dat verdachte de detentie als extra zwaar ervaart, omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is en in een sociaal isolement verkeert. Tot slot zijn er te weinig aanwijzingen om aan te nemen dat er sprake is van mobiel banditisme, zodat dit niet strafverzwarend kan werken.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders, in georganiseerd verband, schuldig gemaakt aan het in de nacht plegen van een inbraak bij [fietsenzaak] , waarbij zij voor maar liefst ongeveer € 34.000,- aan fietsen hebben gestolen.
Verdachte en zijn mededaders zijn geraffineerd en brutaal te werk gegaan. Verdachte is met een van de mededaders vanaf half 12 ’s avonds op voorverkenning gegaan. Na ongeveer een uur hebben de andere twee mededaders zich bij hen gevoegd. Een ruit van veiligheidsglas van de fietsenzaak werd ingeslagen met onder andere ijzeren staven en een pikhouweel, waarna verdachte en de mededaders de fietsenzaak betraden. Na een paar minuten liepen alle vier de daders met in totaal zeven fietsen van het duurdere segment de winkel uit, waarna zij het naastgelegen weiland in zijn gegaan. Hier werden de fietsen achtergelaten om later opgehaald te worden. De volgende dag, op 22 november 2025, hebben de daders in de avond de fietsen op dezelfde plek opgehaald. Dat zij deze niet daadwerkelijk hebben meegenomen komt niet doordat verdachte en zijn mededaders daarvan vrijwillig afzagen, maar is te danken aan de boswachter die inmiddels de fietsen had ontdekt en de politie had ingelicht. Dat sprake is van een geraffineerde aanpak blijkt ook uit de verklaring van verdachte op zitting dat hij en zijn mededaders zijn ingehuurd door een vriend van de eigenaar van de fietsenzaak, genaamd [naam] , om de fietsen te stelen. Dit zou de eigenaar hebben gedaan om verzekeringsgeld te ontvangen, omdat zijn fietsenzaak financieel niet goed liep. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig nu het dossier daar geen enkele ondersteuning voor biedt. In tegendeel, zoals uit het voorgaande blijkt, is juist sprake van een diefstal die in een tussen verdachte en zijn mededaders georganiseerd verband is gepleegd. Met de verdediging is de rechtbank echter van oordeel dat geen sprake is van mobiel banditisme. Het dossier biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Een enkele (onduidelijke) mutatie van de politie is daarvoor onvoldoende.
Dit soort inbraken en diefstallen veroorzaken ernstige schade. Niet alleen in materiële zin, zowel in de vorm van directe (braak)schade, alsook ten gevolge van verhoogde verzekeringspremies en de noodzaak voor de fietsenzaak tot het nemen van steeds verdergaande maatregelen ter voorkoming van deze vorm van criminaliteit. Daarnaast leiden dergelijke feiten bij zowel de rechtstreekse slachtoffers als meer algemeen in de maatschappij tot ergernis, gevoelens van onrust en onveiligheid. Verdachte heeft met dit alles geen rekening gehouden en heeft slechts gehandeld met het oog op eigen financieel gewin. Uit het handelen van verdachte blijkt ook dat hij geen respect heeft voor de eigendommen van anderen. Verdachte heeft bovendien geen verantwoordelijkheid genomen, maar telkens (naar het oordeel van de rechtbank tegen beter weten in) verklaard dat hij in opdracht van [naam] handelde.
Alles afwegend acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden en legt aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.
7. De benadeelde partij
De benadeelde partij [fietsenzaak] vordert een schadevergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade. Uit de door [aangever 1] gegeven toelichting op de zitting, begrijpt de rechtbank dat deze vordering tot schadevergoeding eigenlijk is ingediend namens [aangever 2] in persoon, zijnde de (mede-)eigenaar van de fietsenzaak.
Door [aangever 2] is aangegeven dat hij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden en dat hij weer medicatie nodig heeft tegen zijn teruggekeerde paniekstoornis. Deze toelichting bij de vordering tot schadevergoeding is niet nader onderbouwd met stukken van bijvoorbeeld de huisarts. Hoewel het voorstelbaar is dat [aangever 2] nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden, brengt naar het oordeel van de rechtbank de aard en ernst van de normschending door verdachte niet mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank ook dat de inbraak heeft plaatsgevonden in het bedrijfspand (en dus niet bijvoorbeeld in de woning) van [aangever 2] en dat hij bovendien niet aanwezig was in dit bedrijfspand ten tijde van de inbraak.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan daarmee alsnog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op het artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijf maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mr. E.G.F. Vliegenberg en
mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.