ECLI:NL:RBZWB:2026:2482

ECLI:NL:RBZWB:2026:2482

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 02-04-2026
Zaaknummer 02.397201.24 en 02.276522.23 (TUL)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor mishandeling en gekwalificeerde opzetverkrachting tot een gevangenisstraf van 40 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden. 38v maatregel. Vordering benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02.397201.24 en 02.276522.23 (TUL)

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 april 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2004,

wonende te [woonadres] ,

raadsman mr. L.R. Waaijer, advocaat te Breukelen.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. G.W. van der Burg en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft mishandeld;

feit 2: zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting van [slachtoffer] met gebruik van dwang, geweld en/of bedreiging (primair) dan wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldverkrachting (subsidiair)

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld (feit 1) en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de (onder feit 2) primair ten laste gelegde gekwalificeerde opzetverkrachting.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat verdachte bij feit 1 partieel moet worden vrijgesproken van het met de vuist slaan en het trappen in het gezicht van [slachtoffer] . Voor de overige handelingen bij feit 1 wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Verdachte moet integraal worden vrijgesproken van feit 2. De verklaring van [slachtoffer] is niet betrouwbaar en wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op 24 december 2024 naar de woning van verdachte is gegaan om daar spullen op te halen. Verdachte heeft daarvoor [slachtoffer] met de auto opgehaald. Verdachte en [slachtoffer] waren op dat moment ex-partners. Zij hadden hun relatie kort daarvoor verbroken.

De verklaringen van [slachtoffer] en verdachte over wat er die dag bij verdachte thuis is gebeurd lopen deels uiteen.

[slachtoffer] verklaart – kort gezegd – als volgt. Zij en verdachte kregen ruzie en verdachte heeft haar toen mishandeld. Hij heeft [slachtoffer] meerdere keren aan haar enkels van de bank af getrokken en met zijn vuisten en met haar telefoon geslagen op haar lichaam. Ook heeft hij tegen haar lichaam geschopt en meerdere keren in haar gezicht gespuugd. Daarna heeft verdachte de voordeur en de balkondeur op slot gedaan. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer] hardhandig bij haar keel gepakt en haar gezoend. [slachtoffer] heeft toen gezegd dat zij dit niet wilde, waarop verdachte zei dat [slachtoffer] niets te willen had. Ook zei verdachte: “Ik maak je kapot, al duurt het een jaar, maar je verdwijnt! Ik heb een vat zoutzuur, ik doe je in plastic en doe je in het zuur, dan verdwijn je, dat er niks meer van je overblijft. Ik ga je verpulveren.” Daarna heeft verdachte [slachtoffer] bevolen om naar de slaapkamer te gaan. Terwijl [slachtoffer] in de gang liep heeft zij hard gegild en “politie” geroepen. In de slaapkamer hebben verdachte en [slachtoffer] tegen de wil van [slachtoffer] in seks gehad. Verdachte heeft toen glijmiddel op de vagina van [slachtoffer] gedaan en is vervolgens met zijn penis in haar vagina gegaan. Hij is toen ook klaargekomen. [slachtoffer] was bang voor verdachte en wilde weg, maar dat kon niet. De deuren zaten op slot en bovendien was zij door de bedreigingen die verdachte daarvoor had geuit bang dat hij een einde aan haar leven zou maken.

Verdachte verklaart – kort gezegd – als volgt. Hij erkent dat hij [slachtoffer] aan haar enkels van de bank heeft getrokken en dat hij haar op haar been heeft geslagen met haar telefoon in zijn hand. Ook erkent hij dat hij in het gezicht van [slachtoffer] heeft gespuugd. Volgens verdachte heeft hij [slachtoffer] niet meer dan één keer geslagen en heeft hij ook niet tegen haar lichaam geschopt. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat het klopt dat de deuren op slot zaten, maar dat hij de deuren bij thuiskomst altijd op slot doet en dat hij dat dus niet tussentijds heeft gedaan. Het klopt ook dat [slachtoffer] op enig moment “politie” heeft geroepen, maar dat was tijdens de mishandeling. De seks heeft volgens verdachte vrijwillig plaatsgevonden. Na de mishandeling is verdachte namelijk bij [slachtoffer] op de bank gaan zitten, heeft hij haar getroost en geknuffeld, zei hij dat hij wel zin had en van het een kwam toen het ander. De seks heeft plaatsgevonden, ongeveer een uur na de mishandeling, aldus verdachte.

Gelet op de deels uiteenlopende verklaringen zal de rechtbank eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] beoordelen en, indien de rechtbank die verklaring voldoende betrouwbaar acht, vervolgens beoordelen of er voor die verklaring voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]

De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] gedetailleerd en bovendien consistent heeft verklaard over zowel de seksuele en geweldshandelingen zelf als over de omstandigheden daaromheen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen en acht die verklaring geloofwaardig en betrouwbaar.

Steunbewijs

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer] daarnaast voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Allereerst wordt de verklaring van [slachtoffer] voor een groot deel ondersteund door de verklaring van verdachte zelf, zoals hierboven al is weergegeven. Daarnaast blijkt uit het forensisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] op 14 december 2025 dat zij meerdere (recente) bloeduitstortingen over haar hele lichaam had, namelijk op haar rug, linker heup, rechter en linker onderbeen en de linker elleboog. Ook zijn er huidbeschadigingen en bloeduitstortingen te zien, onder andere aan weerszijden van haar keel. De rechtbank is van oordeel dat dit letsel de verklaring van [slachtoffer] ondersteunt dat zij door verdachte is mishandeld, waarbij hij haar tevens bij haar keel heeft gepakt. Daar komt bij dat [slachtoffer] vrijwel direct na het incident naar de politie is gegaan en daar haar verhaal heeft verteld. Door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is toen waargenomen dat [slachtoffer] huilde en aan het trillen was. Ook staarde [slachtoffer] glazig voor zich uit en keek zij veel naar beneden. De rechtbank is van oordeel dat de door deze verbalisanten uitgebreid omschreven gemoedstoestand van [slachtoffer] aansluit bij wat zij heeft verklaard over wat haar die dag was overkomen.

Verder zitten er in het dossier meerdere Whatsapp-gesprekken tussen verdachte en [slachtoffer] waarin verdachte op 5 december 2024 onder andere zegt:

- dat [slachtoffer] minstens zoveel pijn gaat krijgen;

- dat zij nog slechter behandeld moet worden;

- dat als [slachtoffer] niet zulke acties uithaalt, ze nergens bang voor had hoeven zijn en hij niet zo tegen haar had hoeven schreeuwen;

- dat ze alles aan zichzelf te danken heeft, dat hij nergens spijt van heeft en zich er niet voor schaamt;

- dat hij normaal contact wil of dat hij anders het leven van [slachtoffer] moeilijk maakt waar nodig.

Uit deze Whatsapp-berichten leidt de rechtbank af dat verdachte zich eerder richting [slachtoffer] agressief en dwingend heeft geuit. Daarbij lijkt er weinig ruimte voor de eigen wil van [slachtoffer] en lijkt verdachte de controle over haar te willen uitoefenen. Daarnaast heeft verdachte een week daarvoor [slachtoffer] en haar collega klemgereden, waarvan ook een politiemutatie is opgemaakt.

Alles overziend gaat de rechtbank uit van de verklaring van [slachtoffer] en de handelingen en omstandigheden zoals deze door haar zijn beschreven.

Feit 1: mishandeling?

Voor de rechtbank staat dus vast dat verdachte [slachtoffer] met een vuist en met een telefoon heeft geslagen. Ook heeft hij haar bij haar enkels van de bank getrokken, tegen haar lichaam geschopt, heeft hij haar bij de keel vastgepakt en in haar gezicht gespuugd. De onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer] kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 2 primair: gekwalificeerde opzetverkrachting?

Van opzetverkrachting is sprake als een verdachte met een ander seksuele handelingen heeft verricht die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die ander, terwijl de verdachte - al dan niet in voorwaardelijke zin - wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte dit seksuele contact toch heeft voortgezet.

Hiervoor is reeds overwogen dat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig en betrouwbaar acht en dat deze verklaring bovendien wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Met betrekking tot de opzetverkrachting is van belang dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij duidelijk aan verdachte heeft aangegeven dat zij geen seks met hem wilde, maar dat zij toch tegen haar wil seks met hem heeft gehad. Niet alleen verbaal heeft zij laten weten dat zij geen seks met hem wilde. Uit haar verklaring volgt tevens dat zij non-verbale signalen heeft afgegeven. Zij heeft verdachte immers niet gezoend of andere handelingen bij hem verricht. Verdachte verklaart dat ook. Hij verklaart dat hij haar heeft gezoend en dat hij het glijmiddel op haar vagina heeft aangebracht, waarna hij haar heeft gepenetreerd. Deze omstandigheid - in samenhang bezien met alle andere, hiervoor reeds overwogen omstandigheden - maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat voor verdachte volkomen duidelijk moet zijn geweest dat [slachtoffer] geen seks met verdachte wilde en dat verdachte dat seksuele contact toch heeft voortgezet.

Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen moet

worden vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door

dwang, geweld en/of bedreiging.

Gelet op het bovenstaande staat voor de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer] heeft gezoend, dat verdachte de vagina van [slachtoffer] heeft betast en dat hij zijn penis in haar vagina heeft geduwd. Daarnaast staat vast dat dit seksuele contact heeft plaatsgevonden nadat [slachtoffer] door verdachte is mishandeld. Verdachte verklaart daarover dat de mishandeling meer dan een uur voor de seks heeft plaatsgevonden, ze daarna hebben geknuffeld op de bank en de daaropvolgende seks vrijwillig was. De rechtbank gaat daar niet in mee en wijst daarbij op de verklaring van [slachtoffer] , die ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen. Van belang in dat kader is dat [slachtoffer] het niet heeft over troosten en knuffelen na de mishandeling. Zij verklaart dat de seks direct na de mishandeling heeft plaatsgevonden, zij dat niet wilde en dat ook aangaf, maar dat verdachte toen zei dat zij niets te willen had, dat zij toen ‘politie, politie’ heeft geroepen, dat verdachte de voor- en balkondeur op slot heeft gedaan en de sleutel verborgen had en dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood en haar dwingend heeft toegesproken. Al deze omstandigheden maken dat de rechtbank ervan uitgaat dat het seksuele contact tussen [slachtoffer] en verdachte voorafgegaan is door dwang, geweld en bedreiging. Daarmee is sprake van gekwalificeerde opzetverkrachting.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en gekwalificeerde opzetverkrachting.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 14 december 2024 te Breda een persoon genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] , meermaals, althans eenmaal,- in het gezicht te spugen en

- met kracht bij de enkels vast te pakken en daaraan met kracht te trekken, waardoor die [slachtoffer] vanaf de bank telkens op de grond ten val kwam en - met kracht de keel vast te pakken en - met een vuist op het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en - met een voet op het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en - met een telefoon op het onderbeen te slaan;

2op 14 december 2024 te Breda met een persoon, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het zoenen op de mond van die [slachtoffer] en - het duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en - het betasten van de vagina van die [slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door dwang, geweld en/of bedreiging, door:- voorafgaand die [slachtoffer] te bespugen, haar te slaan en te trappen en - met kracht de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en - tegen die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: “Jij hebt niks te willen”, “Ik wil jou gewoon”, "Ik maak je kapot, al duurt het een jaar, maar je verdwijnt! Ik heb een vat zoutzuur, ik doe je in plastic en doe je in het zuur, dan verdwijn je, dat er niks meer van je overblijft. Ik ga je verpulveren" en - gebiedend die [slachtoffer] te zeggen: “ga naar de slaapkamer” en - de voor- en balkondeur op slot te draaien en - aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 54 maanden. Daarnaast wordt gevorderd aan verdachte op te leggen een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer] in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en die dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om bij de strafbepaling rekening te houden met de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en opzetverkrachting met toepassing van dwang, geweld en bedreiging. Dit zijn ernstige strafbare feiten en de rechtbank rekent verdachte zijn handelen zeer zwaar aan. Verdachte heeft hiermee een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer] .

In zijn algemeenheid is verkrachting een schokkende, ingrijpende en beangstigende gebeurtenis die vaak langdurig fysieke, psychische en emotionele gevolgen heeft voor het slachtoffer. Dat het incident een enorme impact heeft gehad op [slachtoffer] , blijkt ook uit de toelichting bij haar vordering tot schadevergoeding. [slachtoffer] heeft zich op dat moment in de woning van verdachte machteloos gevoeld en was ontzettend bang. Er is bij [slachtoffer] nadien PTSS geconstateerd en zij heeft EMDR-therapie gevolgd. [slachtoffer] ervaart nog regelmatig flashbacks, leeft voortdurend in angst en is erg alert.

De rechtbank weegt ook mee dat verdachte op dat moment de ex-partner van [slachtoffer] was en dus een bekende voor haar. [slachtoffer] zou zich bij hem veilig hebben moeten voelen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem had op dergelijke grove wijze heeft beschaamd.

De persoon van verdachte

Uit het strafblad van verdachte volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een zedendelict. Wel is verdachte eerder veroordeeld voor geweldsfeiten. Er is dus sprake van recidive op dat vlak. Daarnaast zijn deze feiten gepleegd in de proeftijd van een in een andere zaak opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt hier in het nadeel van verdachte rekening mee, nu dit verdachte er – notabene in zijn proeftijd – kennelijk niet van weerhouden heeft opnieuw strafbare feiten te plegen.

Ook weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee dat hij geen volledige verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Weliswaar heeft verdachte de mishandeling grotendeels bekend, maar hij ontkent dat hij [slachtoffer] daarnaast ook heeft verkracht.

Ook is over verdachte een rapport opgesteld door de reclassering. Uit dit rapport van 3 maart 2026 blijkt dat verdachte PTSS en ADHD heeft. Ook volgt hieruit dat verdachte werkt als ZZP’er, dat hij een inkomen en geen schulden heeft. Het risico op recidive en letsel wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. De reclassering benoemt dat uit de gesprekken naar voren is gekomen dat verdachte vindt dat zijn partner aan zijn wensen moet voldoen. Daarom is de indruk ontstaan dat verdachte controle wil uitoefenen over het gedrag van zijn partner. Geadviseerd wordt om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en een ambulante behandeling.

De straf

Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een

gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Voor de

bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in

soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het

Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Er zijn nog geen oriëntatiepunten voor

gekwalificeerde opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243 tweede lid Sr, zoals in dit geval aan de orde is, maar wel voor verkrachting als bedoeld in artikel 242 Sr (oud). Voor verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang volgt uit de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden als uitgangspunt.

Zoals hiervoor overwogen wordt in strafverzwarende zin rekening gehouden met het strafblad van verdachte, zijn proceshouding en de omstandigheid dat verdachte en [slachtoffer] ex-partners van elkaar zijn. Gelet op het gemiddeld tot hoge recidiverisico en het beeld dat over verdachte naar voren komt uit het reclasseringsrapport acht de rechtbank het van belang om ook een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Dit om het reclasseringstoezicht mogelijk te maken en te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden is. Aan het voorwaardelijke deel zal zij de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.

Verder acht de rechtbank het ter voorkoming van belastend gedrag van verdachte richting [slachtoffer] van belang dat verdachte op geen enkele wijze contact met haar zoekt of heeft. De rechtbank zal aan verdachte daarom op grond van artikel 38v Sr de maatregel opleggen dat hij zich onthoudt van contact met [slachtoffer] . De rechtbank legt de maatregel op voor de duur van vijf jaar en bepaalt dat de duur van de vervangende hechtenis twee weken bedraagt voor elke keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank zal tevens de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan bevelen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen tegen [slachtoffer] . Dat volgt uit de combinatie van het strafblad van verdachte, zijn (proces)houding en het door de reclassering ingeschatte gemiddelde tot hoge recidive- en letselrisico.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

7. De vordering gevangenneming

Ter zitting heeft de officier van justitie gevorderd dat de gevangenneming van verdachte zal worden bevolen. De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar sprake is van een zogenoemd 12-jaarsfeit, maar dat de rechtsorde op dit moment daardoor niet (meer) ernstig is geschokt, nu verdachte al anderhalf jaar op vrije voeten is. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.

8. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 13.017,05 voor beide feiten. Deze schadevergoeding bestaat uit een bedrag van € 5.517,05 aan materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Materiële schade

Medische kosten (€ 675,05) en kosten bokstraining (€ 117,00)

De verdediging heeft deze kosten van in totaal € 792,05 niet voldoende gemotiveerd betwist. Deze schade staat ook in voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht de gevorderde schadeposten dan ook volledig toewijsbaar.

Inkomstenderving (€ 4.725,00)

De rechtbank is van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van deze kosten zouden kunnen leiden, niet voldoende vaststaan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Het is voor de rechtbank niet duidelijk waar de inkomstenderving uit bestaat, nu uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij in loondienst werkte. Doorgaans betaalt de werkgever bij ziekte in loondienst het loon door. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in de vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met het bewezenverklaarde op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Zij had lichamelijk letsel, namelijk bloeduitstortingen op haar lichaam. Daarnaast heeft [slachtoffer] voldoende onderbouwd dat zij ernstige nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat zij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van het gevorderde bedrag van € 7.500,00 billijk en toewijsbaar.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade (in totaal € 8.292,05) de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 14 december 2024.

9. De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat deze vordering tot tenuitvoerlegging eerder is aangebracht bij een politierechterzitting. De politierechter heeft de vordering tot tenuitvoerlegging toen gedeeltelijk toegewezen en voor het overige de proeftijd verlengd met een jaar.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.

10. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 243 en 300 Sr zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. Beslissing

Voorlopige hechtenis

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: mishandeling;

feit 2: opzetverkrachting voorafgegaan door dwang, geweld en bedreiging;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de verslavingsreclassering van Novadic-Kentron, op het adres Korte Raamstraat 3, 4818 CJ Breda;

* dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa (cognitieve

vaardigheden) van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

* mochten er vanuit de gedragsinterventie aanwijzingen komen dat er nog een behandeling nodig is dan verdachte zich daaraan conformeren. De reclassering bepaalt welke behandeling passend is en hoelang zij die nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Contactverbod

- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 5 jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2004;

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden;

- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;

- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Benadeelde partij

T.a.v. feit 1 en 2:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 8.292,05, waarvan € 792,05 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 december 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] € 8.292,05 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 december 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 66 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

Vordering gevangenneming

- wijst de vordering tot gevangenneming af;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Donders, voorzitter, en mr. P.A.M. Wijffels en mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.

Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging

1hij op of omstreeks 14 december 2024 te Breda een persoon genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] , meermaals, althans eenmaal,- in het gezicht te spugen en/of

- ( met kracht) bij de enkels vast te pakken en daaraan (met kracht) te trekken, waardoor die [slachtoffer] vanaf de bank (telkens) op de grond ten val kwam en/of- (met kracht) de keel vast te pakken en/of houden en/of- met een vuist in het gezicht en/of op het hoofd en/of de armen en/of benen, althans op het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of- met een voet in het gezicht en/of op het hoofd, althans op het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of- met een telefoon op het (onder)been, althans het lichaam, te slaan;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2hij op of omstreeks 14 december 2024 te Breda met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het kussen/zoenen op/in de mond van die [slachtoffer] en/of- het duwen/brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of- het duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippenvan die [slachtoffer] en/of het betasten van de vagina van die [slachtoffer] ,terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door:- voorafgaand die [slachtoffer] te bespugen, haar te slaan en/of te trappen en/of- (met kracht) de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en/of houden en/of- tegen die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: “Jij hebt niks te willen”, “Ik wil jou gewoon”, "Ik maak je kapot, al duurt het een jaar, maar je verdwijnt! Ik heb een vat zoutzuur, ik doe je in plastic en doe je in het zuur, dan verdwijn je, dat er niks meer van je overblijft. Ik ga je verpulveren" en/of -zakelijk weergegeven- dat ze haar mond dicht moest houden, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of- gebiedend die [slachtoffer] te zeggen: “ga naar de slaapkamer” althans woorden van gelijke aard of strekking en/of- de voor- en achterdeur op slot te draaien en/of- aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken;( art 243 lid 2 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 december 2024 te Breda met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het kussen/zoenen op/in de mond van die [slachtoffer] en/of- het duwen/brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of- het duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippenvan die [slachtoffer] en/of het betasten van de vagina van die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;( art 242 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?